DUISTERE TIJDEN

In de jaren dertig van de vorige eeuw schreef Bertolt Brecht een gedicht, getiteld ‘An die Nachgeborenen’ / ‘Aan wie na ons komen’.

Het opent met de beroemde lijn:

‘Wirklich, ich lebe in finsteren Zeiten!’

‘Werkelijk, ik leef in duistere tijden!’

 

‘Der Lachende hat die furchtbare Nachricht nur noch nicht empfangen.’

‘Wie lacht, heeft het vreselijke nieuws alleen nog niet gehoord.’

 

Het eindigt als volgt:

 

‘Ihr, die ihr auftauchen werdet aus der Flut

In der wir untergegangen sind

Gedenkt

Wenn ihr von unsern Schwächen sprecht

Auch der finsteren Zeit

Der ihr entronnen seid.

 

Dabei wissen wir ja:

Auch der Hass gegen die Niedrigkeit

Verzerrt die Züge.

Auch der Zorn über das Unrecht

Macht die Stimme heiser. Ach, wir

Die wir den Boden bereiten wollten für Freundlichkeit

Konnten selber nicht freundlich sein.

 

Ihr aber, wenn es soweit sein wird

Dass der Mensch dem Menschen ein Helfer ist

Gedenkt unser

Mit Nachsicht.’

 

‘Jullie, die opduiken zult uit de vloed

Waarin wij zijn ondergegaan

Gedenk

Als jullie van onze zwakheid spreken

Ook de duistere tijd

Die jullie ontkomen zijn.

 

Wij weten toch:

Ook de haat tegen laagheid

Verwringt het gezicht.

Ook de toorn tegen onrecht

Maakt de stem schor. Ach, wij

Die het terrein wilden effenen voor vriendelijkheid

Konden zelf niet vriendelijk zijn.

 

Jullie echter, als het zover zal zijn

Dat de mens voor de mens een helper is

Gedenk ons

Welwillend.’

 

 

ZWANEN

Het sprookje ‘Het lelijke eendje’, spreekt mensen aan, omdat de symboliek ervan zo duidelijk is. Zoals het lelijke eendje zich ontpopt tot een sierlijke zwaan, zo kan wat moeizaam begint, toch een schitterend einde beleven. Sommigen beweren dat het sprookje op een verdoken manier het leven van de auteur zelf vertelt: Hans Christian Andersen kende een armoedige jeugd, werd als jongeling gepest, en groeide uit tot een heel geliefd schrijver en één van de beroemdste inwoners van Denemarken.

Het sprookje fascineert ook, omdat het niet louter verzonnen is, maar door observaties uit de werkelijkheid onderbouwd is. Eendkuikens zijn kwieker en schattiger dan zwaankuikens, die met hun grauwe donsveren ietwat treurig ogen en eerder onhandig lijken.

Elk voorjaar hou ik ze in de gaten – op de vijvers van de Parkabdij. De zwanen zitten met hun prachtig gewaad op de ruime nesten, verstopt tussen het riet. Vaak met hun kop rustend op hun stralend witte rug. Na weken komen de kuikens uit het ei, als verhaspelde propjes dons.

Mijn wachten vangt aan. Maar er is geen zaliger wachten dan wachten met de zekerheid op een goede afloop, wanneer de pluizen vergissing eens te meer metamorfoseert tot het sneeuwwitte wonder dat in weergaloze gratie over het water glijdt.

 

EEN AVOND IN MEI

Een zachte meiavond, zoals we die de afgelopen dagen gekend hebben, is voor mij als een teletijdmachine die mij terugvoert naar het verleden. Naar een zachte meiavond in de jaren zestig. We zaten buiten in de tuin van mijn geboortehuis, mijn ouders, mijn zus, mijn zwager, en ik. We luisterden naar de geluiden van de avondschemering, naar de heldere zang van een merel, naar de stemmen van de naaste buren, naar de kikkers in de sloot achter de laatste huizen, naar een andere buurman die zijn hond uitliet.

Mijn vader sprak over zijn kindertijd, vlak na de eerste oorlog, over de meikevers met hun prachtige bruine schilden in de metersdikke hagen en de uilennesten die hij met zijn broer in de gaten hield. En dat er volgens hem niets ging boven een schone meiavond.

Ik dacht aan de dagelijkse beelden uit Parijs, waar arbeiders en studenten één front vormden en hoopten op de macht van de verbeelding. Hoe kon ik vermoeden dat de beelden uit Parijs met hoop op een vrije wereld zouden vervagen, maar dat de kleine verhalen van mijn vader bijna vijftig jaar later op een avond in mei nog altijd mijn gemoed zouden beroeren?

 

Kroniek van een aangekondigde dood — Gabriel García Márquez

In een onbeduidend dorp eindigt na drie dagen uitbundig vieren een bruiloftsfeest. Terwijl de gasten hun roes uitslapen en bij de hoeren hun driften smoren, levert de bruidegom zijn verse vrouw terug af bij haar moeder: het wicht blijkt geen maagd meer te zijn. Onder druk gezet door haar compleet geschandaliseerde moeder geeft de bruid de naam van de man die haar zou hebben onteerd, prijs: Santiago Nasar. Haar tweelingbroers slijpen hun slagersmessen en vertellen aan al wie het horen wil, dat ze de betichte gaan vermoorden. Het lijkt wel alsof ze hun moordzuchtige plannen rondbazuinen, omdat ze stiekem hopen te worden gestopt. Maar niemand slaat acht op hun woorden die als dronkemansgebral klinken, niemand hecht geloof aan de beschuldiging, niemand neemt de tijd of vindt het de moeite om Santiago Nasar te waarschuwen. Dus wordt op het dorpsplein, waar een menigte nieuwsgierigen samengetroept is, de eerwraak voltrokken, bijna tegen de zin van de moordenaars in.

De titel en de eerste bladzijde van de roman verklappen alles. Spanning omtrent de afloop is er niet. Toch sla je het boek niet dicht en blijf je lezen. Je wordt onweerstaanbaar meegezogen door dit verhaal dat met grote precisie uiteenzet hoe rampspoed zich onstuitbaar voltrekt. De traditionele romancier vertelt het leven van al dan niet verzonnen personages vanuit psychologisch standpunt. Hij dicht die personages karaktertrekken toe, motieven en beweegredenen, meningen en vooroordelen, morele deugden en ondeugden om hun gedrags- en handelwijze te verklaren. Gabriel García Márquez gaat helemaal anders te werk. Zijn verhalen hebben iets mythisch: mensen zijn nagenoeg weerloos overgeleverd aan wat hen overkomt. Het initiatief dat ze nemen, maakt luttel verschil; dingen gebeuren aan hen. Als er zich al onverwachte wendingen voordoen, dan blijven die totaal onbegrijpelijk.

Niemand kan als García Márquez de eenzaamheid waarin mensen verkeren, beschrijven. Mensen spreken niet, omdat ze niet geloven dat de ander genoeg liefde heeft om het geheim dat ze op het punt staan openbaar te maken, in stilte te bewaren. Of ze spreken zonder schaamte, maar verhullen in hun spreken het echte dat hun hart verzengt. Zo blijven ze de gevangene van zichzelf en slagen ze er niet in om zich van de ketens van de tijd te bevrijden. Ze lijken op willoze vlinders, vast gespietst aan de wand, wier vonnis altijd al geschreven heeft gestaan.

 

 

Gabriel García Márquez, Kroniek van een aangekondigde dood. Meulenhoff, 1981, 120p.

MAANZIEK

Vele eeuwen geleden werd haar neergang ingezet. Ze moest haar plaats als oppergod afstaan aan de zon. Het licht had gezegevierd, het hoofd, de rede. Het zaad van de vader had het gehaald op de maanstonden. Selene, Thoth, Varuna, Cailleach, Luna werd bedankt voor bewezen diensten. Haar laatste minnaar, Endymion, bleef verweesd achter.

Maar haar heropstanding is ingezet. Het bedrijf Moon Express heeft een business plan voor de maan. Het wil maanstof in juwelen verwerken. Toch wordt dit niet zomaar een commerciële onderneming. Er is een hoger doel: de exploitatie van de ruimte. Om ervoor te zorgen dat alles volgens de procedures van onze superieure beschaving verloopt, is er een Ruimteverdrag. Aan werkelijk alles hebben ze bij Moon Express gedacht.

 

DE KUNSTROUTE

De jaarlijks georganiseerde Kunstroute brengt je niet alleen in contact met kunstenaars uit het Leuvense, maar voert je bovendien naar uitgelezen locaties. Op tentoonstellingen leer je kunstwerken kennen, los van de context waaruit ze afkomstig zijn, in een nagenoeg abstracte ruimte. Op de Kunstroute ontdek je de landschappen waar de kunstwerken geboren zijn, het licht dat ze geïnspireerd heeft, de grond waaruit ze getrokken zijn. In de ateliers ruik je de verf en de terpentijn, het blote hout, de mengeling van vet en was, en je ziet de propere borstels, de gespannen canvas, het lege papier, de stille sokkels. Met een kop koffie of een appelsapje in de hand sla je een praatje met de kunstenaars: over de lichtinval op hun doeken, de gebruikte kleuren, de boomschors. Langzaam besef je hun haast eindeloze toewijding en hun niet aflatende twijfel. Maar ook dat hun onvoorwaardelijke liefde voor het materiaal ons, westerlingen, de weg kan wijzen naar een wereld die het stoffelijke van de aarde niet opgebruikt, maar het zijn eigen glans geeft.

 

ROT

Laten we ophouden over Trump of over Wilders.

“Onze manier van leven is zonder enige twijfel superieur aan alle andere in de wereld.”

Aldus Gwendolyn Rutten, voorzit(s)ter van de VLD.

Ik kan me niet voorstellen wie je bent als je zoiets uit je bek gewrongen krijgt. En binnen de VLD, de partij die vroeger al eens bekvechtend over de straatstenen rolde, bleef het nu ijzingwekkend stil.

Enkelen hebben geprobeerd om deze uitspraak te weerleggen. Alsof ze op een of andere manier verifieerbaar of falsifieerbaar zou zijn. Maar deze uitspraak constateert niet, ze proclameert. En als zodanig is ze weerzinwekkend.

 

DNA

Ex N-VA’er Hendrik Vuye zegt in De Morgen: ‘In het DNA van de top van N-VA zit de neiging vervat alles terug te brengen tot een wij-zijverhaal.’ Deze uitspraak is zowel onjuist als gevaarlijk. Er is niet zoiets als ‘het DNA van de N-VA-top’. Jan Jambon heeft DNA, en Theo Francken, en Bart De Wever, maar de N-VA-top niet. De Katholieke Kerk evenmin, noch Real Madrid, het Nationaal Orkest van België of de modale Belg – simpelweg omdat dit geen biologische lichamen zijn. Genetisch gesproken is de uitspraak dus onjuist.

En de vergelijking is gevaarlijk. Wie stelt dat het wij-zijverhaal in het DNA van de N-VA-top zit, suggereert meteen dat de N-VA-top daartoe voorbestemd is en dat daar weinig of niets aan te doen is. Het DNA is een biologische erfenis waar we niet over beschikken. Maar het wij-zijverhaal heeft niets te maken met een erfelijke belasting en alles met een politieke of ideologische keuze. Wie het wij-zijverhaal wil bestrijden, moet precies dit laatste beklemtonen.

De vergelijking wekt de indruk het rechtse discours te bekritiseren, maar past in feite perfect binnen dat rechtse discours. Ideologisch rechts stelt vaak politieke keuzes voor alsof het natuurlijke ontwikkelingen zijn, zoals het vaak mensen herleidt tot hun raciale of genetische achtergrond. Het meest extreme voorbeeld hiervan is uiteraard Hitler, die – naar eigen zeggen – de Joden alleen maar wou uitroeien, omdat de natuur toch al beslist had dat ze tot een levensonvatbaar ras behoorden. In Vlaanderen reduceert het Vlaams Belang de activiteiten van iemand die uit Marokko afkomstig is, tot zijn ‘Marokkaan-zijn’. En De Wever zegt dat België zal verdampen. Misschien komt er een eind aan de natiestaat België, maar dat zal de uitkomst zijn van een politieke beslissing, en niet van een natuurlijk proces. België zal niet verdampen, om de eenvoudige reden dat België geen plas water is.

DENDROFILIE

In Leuven kan ik deze dagen niet langs de Naamsevest passeren. Veel kan ik verdragen, maar het zicht van een boom geveld, neen. Ik voel mij verloren als Idefix, het minuscule hondje van Obelix, dat begint te janken telkens een boom neergaat. En er is geen Panoramix, die het euvel in één tel met een toverzaadje uit de wereld helpt.

Mij rest slechts het vers van Maria Vasalis, die in het Vondelpark een boom zag worden weggesleept en zich herinnerde hoe het dode lichaam van Hector, de prins van Troje, door Achilles, de wrokkige held, de stoffige zandvlakte in werd gesleurd:

Er is een boom geveld met lange groene lokken.

Ik heb de kar gezien, die hem heeft weggetrokken.

O, als een jonge man, als Hector aan de zegewagen…

DE VIOOL

Wij, mensen, zijn in staat om een medemens lief te hebben of een dier of een ding. De meest sublieme liefde voor een ding vind je misschien wel bij een muzikant. Hoe die zich toeleggen op het spelen van een instrument, hoe ze zich wegcijferen om dat zo zuiver en welluidend mogelijk te laten klinken en hoe ze in die overgave tevoorschijn komen als begenadigd. Ze geven zichzelf aan het instrument, omarmen het, maken het tot een verlengstuk van hun eigen lichaam en ontvangen zo, in een soort van goddelijke ruil, de genade van de muziek. ‘Le violon frémit comme un coeur qu’on afflige’, aldus Charles Baudelaire in Les fleurs du mal, ‘De viool rilt als een hart dat wordt bedroefd’. Hoe de vertaling ook luidt: waarlijk viool spelen is het hart en de ziel van de viool vinden, is de droefheid van de viool kennen, is de viool behandelen alsof ze een mens was. Zoiets schoot door mijn hoofd, toen ik vorige week vol bewondering luisterde naar Viktoria Mullova, die een sublieme uitvoering bracht van het vioolconcerto van Johannes Brahms. ‘De viool trilt als een hart in nood.’