MENSENRECHTEN

Zeventig jaar geleden, op 10 december 1948, werd de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens door de Verenigde Naties goedgekeurd. Die internationaal erkende mensenrechten hebben inderdaad geleid tot een beperking van de soevereiniteit der nationale staten. Alleen moeten we daar niet om treuren. Soevereiniteit is een vreselijk principe: soevereiniteit is het recht om de noodtoestand af te kondigen, het recht om de grondwet af te schaffen, het recht om zich buiten het recht te plaatsen, en vanuit die buiten-wettelijke en buiten-rechtelijke positie uitzonderlijke beslissingen te nemen en bevelen uit te vaardigen. Soevereiniteit kent enkel het recht van de sterkste. Omdat soevereiniteit door niets gebonden is en geen regel of afspraak respecteert, zijn in de naam van soevereiniteit de meest afschuwelijke misdaden gepleegd, misdaden die – niet toevallig – gedefinieerd worden als ‘misdaden tegen de mensheid’. Daarom is het een goede zaak dat de internationale wetgeving die op de mensenrechten steunt, nu door een migratiepact wordt aangevuld en dat ons land ook dat pact heeft ondertekend.

Wandelen – Henry David Thoreau

Thoreau (1817-1862) voorzag gedeeltelijk in zijn levensonderhoud door als landmeter te werken. Hij hield echter niet van dat beroep, omdat hij van oordeel was dat de beschaving de natuur zo veel mogelijk vrij moest laten. Hij had het niet zo begrepen op omheiningen, voortuintjes, gebaande wegen en plat getreden paden. De vrije natuur, en dan vooral de weidse bossen in New England nodigden hem elke dag uit om urenlang te wandelen. Dat landschap is ‘niemands eigendom’, aldus Thoreau, maar hij vreest de dag ‘dat het wordt heringericht als natuurpark, dat het aantal hekken toeneemt, dat er toegangspoorten of andere ingenieuze manieren worden bedacht om mensen tot de openbare weg te dwingen, en dat wandelen over Gods land eigenlijk betekent dat je de grond betreedt van een of andere landeigenaar’.

De natuur wordt getemd, en deze domesticatie brengt Thoreau in verband met een cultuur van groeiend conformisme, toenemende disciplinering en eendimensionaliteit. Wandelen door de vrije natuur bevrijdt je zinnen: zowel je zintuigen als je verstand. Maar het heeft geen zin om bij die wandeling je professionele of financiële beslommeringen mee te nemen. Je moet die thuis laten en in de bossen je aandacht richten op de bomen en de bloemen, op de vogels en het wild. ‘Wat heb ik in de bossen te zoeken als ik aan iets buiten de bossen denk?’, schrijft hij. Wie bij het struinen door de wildernis de bewegwijzerde paden verlaat, zal ook zijn gedachten vernieuwen en zich bevrijden van clichés en gedicteerde vooroordelen. Aldus wordt wandelen bij Thoreau toch een metafoor voor nadenken: niet tobben over dagelijkse besognes, maar in gedachten de wereld verkennen en het eigen gemoed ontdekken.

Zoals de haan met zijn gekraai elke ochtend een nieuwe zon ziet opgaan, zo ervaart de wandelaar elke dag de zich vernieuwende natuur. Dat levert prachtige zinnen op: ‘Ik wandelde in een weide waar een beek ontsprong, toen de zon ten slotte, vlak voor hij onderging, na een koude, grijze dag, een wolkeloze laag aan de horizon bereikte, en het allerzachtste, helderste schemerlicht op het droge gras viel, op de stammen van de bomen aan de tegenovergelegen horizon en op de bladeren van de struikeiken op de helling, terwijl onze lange schaduwen zich naar het oosten over het gras uitstrekten.’

Henry David Thoreau, Wandelen. Historische Uitgeverij, 2018, 96p.

LEGO

Jaren nadat ik de blokken definitief op zolder had opgeborgen, kwam ik te weten dat Lego niet alleen een Deens product is, maar dat ook het woord uit de Deense taal stamt: ‘leg’ is het Deens voor ‘spelen’, ‘speelgoed’ is in het Deens ‘legetøj’. In mijn ontembaar enthousiasme voor de klassieke Oudheid dacht ik dat het woord ’lego’ een Griekse oorsprong had: ’lego’ betekent in het Grieks ’ik verzamel’. En verzamelen deed ik, witte en rode blokjes, honderden, witte voor de muren en rode voor de daken, tweetjes en viertjes en zesjes en achtjes en ook enkele langere met wel twintig noppen. Mijn vader maakte een gereedschapskist waarin ik ze ordelijk en systematisch kon bewaren: de witte viertjes bij elkaar en de rode achtjes, enzovoort. Die kist was mijn legodoos, mijn verzameldoos waarin ik mijn gedurfde plannen, stoute dromen en gefantaseerde projecten bewaarde. Alleen mijn buurjongen kende ze: een piramide met een geheime gang en geheime grafkamer, een vikingsnek of het Gravensteen. Niets van die bouwwoede werd ooit voltooid, maar de droom hield stand… en is nu werkelijkheid geworden in de uit een kwart miljoen blokjes bestaande Lego-constructie van de Onze-Lieve-Vrouwkathedraal van Antwerpen. Lækker!

GEEN WEER

De Germaanse en Scandinavische talen gebruiken een woord dat verwant is met het Nederlandse ‘we(d)er’: weather, Wetter, vädder… Het woord zou oorspronkelijk tot dezelfde betekeniscluster horen als ‘waaien’ en dus op de beweging van de lucht duiden. De Romaanse talen (met uitzondering van het Portugees, dat clima zegt) gebruiken voor ‘we(d)er’ hetzelfde woord als voor ‘tijd’: temps, tiempo… Het Grieks doet iets gelijkaardigs, maar wel op een heel bijzondere manier: ‘we(d)er’ is in het Grieks kairos.

Het Grieks verbindt het weer met de geschikte tijd om iets te doen, het welgekomen ogenblik, het gepaste moment. Het is weer om te zaaien of om te oogsten, om de was buiten te hangen of om de ramen een extra likje verf te geven, het is wandelweer of terrasjesweer… Terwijl een horloge de monotone voortgang van de uren aanwijst, geeft het weer betekenis aan de tijd: het weer verandert chronos in kairos. Daarom zeggen we in het Nederlands: ‘het is geen weer’. We zeggen dit merkwaardig genoeg als er hevig en onstuimig weer is: stormachtige wind, zware regen, hagelstenen… Maar het is geen weer om iets te doen, het is weer om binnen te blijven en te wachten tot er ander weer komt. Het is geen weer om een hond door te jagen: hondenweer volgens de onpeilbare logica van de weerkunde.

ZIMNA WOJNA

In tegenstelling tot wat de titel suggereert, is Cold War geen historisch-politiek drama over de zogenaamde Koude Oorlog, die vanaf de tweede helft van de jaren veertig de wereld in de ban hield en tekende voor een gewapende vrede tussen het kapitalistische Westen en het communistische Oostblok. Het is integendeel een film over de moeilijke en tot mislukken gedoemde liefdesrelatie tussen Wiktor, een Poolse componist, en Zula, een Poolse zangeres. De Engelse term overschrijft niet alleen de Poolse titel, Zimna Wojna, maar miskent eveneens de Poolse achtergrond van het verhaal dat bijeengehouden wordt door de vele gezongen Poolse volksliederen. Alsof de film zelf zich blootstelt aan de diepe verlorenheid die de Poolse personages overvalt als ze naar het Westen vluchten.

Uit het grote aantal beklijvende scènes neem ik er twee. De eerste speelt zich af in Polen na een optreden door het koor, dat gedirigeerd wordt door het mannelijk hoofdpersonage Wiktor. De directie van het koor wordt uitgenodigd op het bureau van een apparatsjik die hen feliciteert met de vondst en de bewerking van authentieke Poolse volksliederen en hen er tegelijk op wijst dat het programma nog meer zou overtuigen als het een gezongen volkshymne aan Stalin zou bevatten. De ijskoude vanzelfsprekendheid waarmee de apparatsjik aanneemt dat zijn compleet uit de lucht gegrepen eis zal worden ingewilligd, slaat je met angstige verstomming en brengt perfect de verstikkende terreur van het stalinistisch regime in beeld. De tweede scène doet zich voor in een Parijs muziekcafé in de jaren vijftig. Plots wordt in het café Rock around the Clock gespeeld, de intussen klassiek geworden popsong van Bill Haley, maar nooit heb je de bevrijdende roes en betoverende vrolijkheid van dit rocklied gehoord als in deze zwart-wit beelden waarin het vrouwelijk hoofdpersonage Zula zich laat meeslepen tot een verleidelijke swing.

Deze aangrijpende film vertelt hoe een repressief regime niet alleen het politieke bestel, maar ook het intieme leven van mensen verwoest. Ontheemd in de wereld vinden Wiktor en Zula nergens geborgenheid, zelfs niet bij elkaar, zelfs niet in hun gedeelde liefde voor muziek. Die ontheemding breekt bij hen elk verweer en berooft hen van de veerkracht om het leven aan te kunnen.

OM ZEEP

Pilatus heeft het voor mij verknoeid: hij meende zijn handen in onschuld te kunnen wassen en heeft zo de simpele handeling van het handen wassen met een ondraaglijke pretentie vervuild. Ik was graag en veel mijn handen, maar huiver bij de gedachte dat ik zo mijn betrokkenheid bij feitelijke gebeurtenissen zou afspoelen. Ik heb graag gewassen handen, maar koester nooit de waan dat die nu proper zouden zijn, zuiver, rein, vrij van schuld.

Ik verlang naar het letterlijke in al zijn eenvoud, en het symbolische dat vaak overladen is en zwaar, probeer ik weg te schrobben. Handen wassen, het stralende water pakken, de ronde gladde klont tussen je vingers voelen, de geurige zeep in je handpalm laten schuimen – ’s morgens en ’s avonds en bij het begin van een belangrijk werk. Dat kleine genoegen wordt mij geschonken door zeep met de naam Philosophia. Tja…

HERFST

Van welk seizoen hou je het meest, hoor je wel eens vragen. Van de zomer in volle bloei of van de winterse leegte, van de beginnende lente of de trage deemstering in de herfst? Het antwoord hierop is moeilijk, en wordt bepaald door wisselende stemmingen. Zelf hou ik van het bedachtzame geweld van de lente die zich aan de slaap van de winter ontworstelt. En meer nog van de herfst, die zich vergeefs tegen het verdwijnen van de zomer verzet.

Hoe het leven in de bomen glansrijk uitdooft, hoe de vogels een laatste keer de hoge luchten opzoeken, hoe de septemberrozen en de asters zich na een malse regen nog eens openen. Het onophoudelijk vallen der blaren, de plotse intrede van de kou, het gedwongen afscheid van het licht: ze kondigen weemoedig de verloren strijd van de herfst tegen de eentonige starheid van de winter aan.

 

 

AVV

Nationalisme zou kunnen bestaan uit een fierheid over de eigen regio, de eigen taal en cultuur, de eigen geschiedenis. Vlaams nationalisme heeft daar niets mee te maken: het is ranzig en boertig, smerig en geniepig. Het wordt niet gedreven door fierheid over of zorg voor het eigene, maar door een op niets gebaseerde, domme giftigheid ten aanzien van wat ‘niet van hier is’ en daarom als vreemd wordt aangevoeld. Het spuwt en snauwt, het boert en mekkert over vroeger en nu, wij en zij. Het kraamt onzin uit en om zich een air aan te meten leunt het aan bij een zelfverklaarde leider die met zijn rataplan van nationalisme en socialisme niets bereikt heeft tenzij de uitroeiing van miljoenen en de verwoesting van het eigen land.

 

ALS DE DOOD KOMT

Sommige gedichten lijken op gebeden. We spreken er een onbekende “jij” aan, we richten ons tot we-weten-niet-wie. In de kleine ruimte van die gedichten laten we de gedachte toe dat we niet alles onder controle hebben, dat we niet volledig zelfredzaam zijn, dat we wel eens in nood verkeren. En een vraag hebben, een verzoek, een bede.

In postuum uitgegeven verzen schrijft Leonard Cohen:

 

I pray for courage

At the end

To see death coming

As a friend

 

Hij bidt. Hij vraagt om de kracht en de moed die hem in staat zullen stellen om vredig afscheid te nemen en rustig te sterven. Vaak zien we de dood als een vijand, als iets wat niet tot het leven hoort, van buitenaf komt en ons overrompelt. We vergeten dat de dood niets anders is dan het leven dat zichzelf zoekt.

Leonard Cohen bidt: geef mij de moed om de dood te verwelkomen als een vriend. En om hem te omhelzen zoals je een vriend omhelst – met een milde lach in de ogen en een stille groet op de lippen, stil als de nauwelijks hoorbare “d” in het rijm van “end” en “friend”.

DE MARKT

Zondagochtend is er markt in Heverlee. A en ik gaan er wel eens heen, niet alleen om inkopen te doen, maar ook om gewoon rond te neuzen en van de sfeer te genieten. De populariteit van het gebeuren blijft mij verbazen. De markt is immers een oud restant van de vroegste samenlevingsvormen; de eerste steden uit de menselijke geschiedenis waren handelscentra, zijn geboren uit een markt. Maar nog altijd worden wij, postmodernen uit de eenentwintigste eeuw, die vertrouwd zijn met grootwarenhuizen, winkelgalerijen, sjieke boetieks en e-commerce, bekoord door de wirwar van tentjes en kramen: de rijdende kip staat er naast uitgestalde leren riempjes voor polshorloges, en verder de beste babbeluten uit Veurne, romige kwark van Haspengouwse koeien, onderbroeken, winterharde bosviooltjes, paardenvlees en baklava… Want de allochtonen hebben eveneens de weg gevonden naar de lokale souk. Misschien ligt daar het geheim van het aanhoudende succes. De markt laat het nieuwe toe. Je vindt er nu ook gehoofddoekte vrouwen die hummus aanprijzen, en tegelijk hippe food trucks: een felroze omgebouwde Citroën bestelwagen waar je quiche kunt kopen, of een melkwitte oude caravan met een terras waar je kunt aperitieven, spritz en toastjes met tapenade. Zo getuigt de markt van een oeroud verlangen: mensen willen in hun dagelijkse noden voorzien, maar houden er intussen ook van elkaar op een plek met animo te ontmoeten.