De samenkomst – Anne Enright

‘Het is een heftige bezigheid, de doden begraven.’ Zo besluit Veronica, het ik-personage van Anne Enright, haar verhaal over de familiebijeenkomst die ze naar aanleiding van de begrafenis van haar broer Liam geacht werd te organiseren. Die broer was altijd een buitenbeentje geweest in het kinderrijke gezin Hegarty, hield van medelijden noch van zelfbeklag, vond het leven een lachertje, maar pleegt voor zijn vijftigste zelfmoord. Wat is er gebeurd? Nu in een recent verleden, in de weken en maanden voor hij zich het leven benam? En vroeger? Hoe ver moeten we teruggaan? Tot in zijn kindertijd? Wat hebben we over het hoofd gezien? Met deze vragen worstelt Veronica, en ze wordt gedwongen te erkennen dat de drie generaties Hegarty, met wie zij is omgegaan, enkel in naam een familie vormen.

Veronica’s onderzoek naar wat er in het verleden gebeurd is, levert weinig feiten op, maar gooit wel haar leven overhoop. Ze ontdekt hoe ongelegen een zelfmoord komt, ook bij haar eigen man en kinderen. In een taal vol rauwe humor weigert ze zich te verontschuldigen omdat ‘haar broer de hele donderdagmiddag onder gestorven had’.

De erkenning dat ze uit een disfunctioneel gezin komt, drukt ze uit in sterke, pakkende woorden: ‘ik heb altijd in aanhalingstekens geleefd’. Ze nam vele posities in binnen de familie: ze was kleindochter en dochter en zuster, maar in feite betekende dat niet veel, in feite had ze geen betekenisvolle relatie met haar grootmoeder of haar moeder of haar broers en zussen. Dit resulteert in vreemde familiale betrekkingen: ze hangt vast aan haar familie, ze is er op een bepaalde manier ook aan gehecht, maar ze mag haar familieverwanten niet echt – haar afwezige moeder, haar hautaine zusje, haar prekerige broer… En tegelijk beseft ze dat die deel uitmaken van haar verleden – een verleden dat ze niet als een souvenir meedraagt, maar dat ze bewoont.

In een taal die bijwijlen door merg en been snijdt, ontleedt Veronica genadeloos haar eigen zielenroerselen en haar eigen machteloze reactie op de zelfmoord van haar broer. De lezer blijft met een ongemakkelijk gevoel achter, enkel met het besef dat de dingen volledig de mist kunnen ingaan.

 

 

Anne Enright, De samenkomst. De Bezige Bij, 2007, 287p. (The gathering. Jonathan Cape, 2007.)

 

GASTVRIJ

Voor het zesde jaar op rij ben ik naar Saint-Etienne-des-Sorts gereisd, een dorpje in Zuid-Frankrijk, in het departement Gard, waar ik gedurende een week een cursus geef over een filosofisch onderwerp. Na zes jaar ken ik blindelings de weg die zich, omzoomd door platanen, door de eindeloze velden met wijnranken slingert naar het dorp, dat tegen de Rhône aan geschurkt ligt. Vlak voor de steenweg versmalt tot een nauwe doorgang tussen oude huizen en een kerk, moet ik aan de rotonde een kleine straat in waar een indrukwekkende ceder mij opwacht. Aan de overkant ligt mijn bestemming: het Centre Erasme, een voormalige wijnboerderij, nu ingericht als een oord van bezinning en gesprek. Het is thuiskomen – in de ommuurde binnenplaats, waar de gastvrouw en –heer, allebei dertigers, mij met een glas rode wijn welkom heten.

Een gastvrije ontvangst wordt niet alleen door mensen geschonken, maar ook door het huis waarin ze wonen. In de hartelijke welkomstwoorden klinken de omgeving door, de vertrouwde dingen, de in zandsteen opgetrokken woning, de oleanders met witte en roze bloemen, de vijgenboom, de kruidtuin met lavendel en rozemarijn. In onze gastvrijheid zijn wij, mensen, aangewezen op de dingen die ons omringen met de rust van hun stille aanwezigheid.

ONSCHULD

In de reeks zomerfilms werd deze week The Age of Innocence van Martin Scorsese uitgezonden. Een film met een merkwaardig einde…

Dertig jaar lang leeft Newland Archer in een kwellende tweespalt. Hij is getrouwd met May Welland, de vrouw die de beau monde van New York voor hem gekozen heeft, maar hij houdt van Ellen Olenska, een vrouw die dezelfde maatschappelijke elite weliswaar in haar exquise midden duldt, maar die er voortdurend op subtiele en tegelijk hardvochtige manier aan herinnerd wordt dat ze een faux pas begaan heeft door haar man te verlaten. Dertig jaar lang betreurt hij die keuze en dertig jaar lang heeft hij het gevoel dat hij zijn wettige echtgenote bedriegt, hoewel de hartstochtelijke erotiek met zijn geliefde nooit in bed eindigt. Hij vervreemdt van zijn vrouw, omdat ze in haar naïviteit nooit iets lijkt te vermoeden en nooit lijkt te twijfelen aan de sociale regels die haar wereld ordenen. Hij dicht haar een gebrek aan verbeelding en inlevingsvermogen toe. Tot ze sterft… en hij verneemt (van zijn oudste zoon) dat ze al die tijd wel weet gehad heeft van zijn platonische verhouding.

De film eindigt, maar een groot psychologisch probleem blijft onopgelost. Hoe moet Newland Archer verder? Hij kan niet anders dan de mening over zijn vrouw herzien: ze blijkt niet zo naïef. Maar kan hij dankbaarheid voelen, omdat ze zijn verdoken affaire door de vingers gezien heeft? Of voelt hij zich eens te meer opgelicht omdat zij nooit erkend heeft dat hij ondanks alles bij haar gebleven is? Opgelicht ook, omdat ze er wel voor zorgt dat hij na haar dood op de hoogte gebracht wordt en zij dus het laatste woord heeft? Wat belichaamt May Welland: een levenslange liefde of de ultieme wraak?

AFSCHEIDSWOORDEN

We schenken er nauwelijks aandacht aan, maar afscheidsgroeten hebben iets aandoenlijks. Zelden spreken we zo intens onze zorg voor elkaar uit, al is de uitdrukking vaak verbasterd.

‘Bye’ of ‘Bye-bye’ lag enkele jaren geleden in de mond van velen. Het is de afkorting van ‘Goodbye’, waaruit het oorspronkelijke ‘God be with you’ bijna verdwenen is. Zoals in het Nederlandse ‘Ajuus’ of ‘Ade’ de Franse wens ‘Adieu’ nauwelijks overleeft.

‘Vale’ zeiden de Romeinen, of ‘Salve’. De imperatief gaf uiting aan een wens en een verzuchting, zoals in ‘Stel het wel’. Het Engelse ‘Take care’ zegt eigenlijk hetzelfde: ‘Pas goed op jezelf’.

In de zachte aanmaning ‘Pas goed op jezelf’ steekt zo veel gevoel: ik vertrouw erop dat je op jezelf let, ik weet dat je dat kunt, doe het voor mij want ik wil je heelhuids terugzien, wees voorzichtig want ik zie je graag.

‘Het ga je goed’ verwoordt een zuivere wens die bovendien te kennen geeft dat we in de zorg voor onszelf wat geluk nodig hebben. God wordt niet meer genoemd, maar ‘het ga je goed’ beseft dat we ‘het’ niet helemaal in handen hebben. ‘Het’ moet (meer dan) een beetje meezitten.

 

 

MAKE LOVE

Om hun veertigjarig huwelijk te vieren hebben ze generatiegenoten uitgenodigd, studiemakkers die elkaar in de loop der jaren niet uit het oog verloren zijn. Ze studeerden in de jaren zeventig, in de nagalm van mei ’68, dwepend met the summer of love, experimenterend met roesmiddelen en een nieuwe seksuele moraal, make love. Allemaal hebben ze gewicht bijgekregen, en grijze haren, en minder soepele ledematen. Ze dansen – Nick Cave Into my Arms, Bruce Springsteen Dancing in the Dark.

Sommigen hebben intussen kleinkinderen en beklemtonen de immense vreugde van het grootouderschap. En dat die vreugde vaak een compensatie vormt voor de wat meer gespannen verhouding met de kinderen. Die blijft vreemd genoeg vaak moeilijk. ‘Wat kun je doen’, zucht ze, lichtelijk tipsy na het glas te veel, ‘in liefde steekt zo veel verdriet.’

Niets heeft ons daarop voorbereid.

DE LIGUSTER

De lange dagen, het gouden avondlicht, de hitte op stille namiddagen, de bloeiende hortensia’s, de zachte kleur van lindebloesems, de speelse vlucht van zwaluwen – allemaal samen vormen ze de zomer. Maar het meest associeer ik de zomer met de scherpe, indringende geur van de liguster.

Die geur roept verre herinneringen op – aan julimaanden die ik met mijn ouders elk jaar opnieuw doorbracht aan de Belgische kust. De duinen waren er afgezet met metershoge ligusterstruiken die in mijn fantasie omgetoverd werden tot een onmetelijke doolhof. Uren ging ik er dwalen, gewapend met de zilverbuks van Winnetou, het fiere opperhoofd van de Apachen. Ik liep er rond alsof ik paard reed, de handen aan de teugels; soms steeg ik af om de vijand te besluipen, een lichtzinnig bleekgezicht dat zijn aanwezigheid verraden had door een vuur aan te leggen.

In juni gebeurt het elk jaar opnieuw: beroesd door de ligustergeur, weersta ik ternauwernood aan het verlangen om de ondergaande zon tegemoet te rijden…

(Maar onze ligusterhaag wordt niet gesnoeid.)

 

 

WAAR GEWOON NIETS GEBEURT

Wij zijn op weg naar Salares, een van de witte dorpjes die zich in de plooien van het Andalusische berglandschap schuil houden. We zien het van ver liggen, maar telkens weer verdwijnt het achter een uitstekende bergwand, en pas na ettelijke haarspeldbochten geraken we er. We moeten de auto achterlaten, ofwel op een piepkleine parking die boven het dorp gelegen is, ofwel op een ietwat breder plein met winkeltjes dat zich aan de voet van het dorp bevindt. Of je nu de neerwaartse route neemt dan wel de opwaartse, overal zijn knullig in elkaar geflanste wegwijzers naar de bar van Theo aangebracht met de uitdrukkelijke vermelding dat je er ook kunt eten: ‘Bar El Theo para comer’. Of je nu de opwaartse route neemt dan wel de neerwaartse, overal zie je aan de witte muren van de huizen kleine kapelletjes met daarin één van de veertien staties van de kruisweg. De weg naar de bar van Theo valt gedeeltelijk samen met de via dolorosa en we vragen ons af of Theo zou weten dat zijn naam Grieks is voor God. We passeren Simon van Cyrene, die de man van Nazareth helpt bij het dragen van zijn kruis, en Veronica, die met een zweetdoek zijn bebloed gezicht bet. Aan een met een zeil overdekte plek vinden we de bar. We bestellen een biertje, waarvan de naam eens te meer het profane met het sacrale mengt: ‘San Miguel’. En overschouwen wat er gebeurt: twee kanaries zingen de ziel uit hun gele lijf, drie versleten honden zoeken elkaars gezelschap in de schaduw, mussen pauzeren op een elektriciteitsdraad buiten het bereik van een schrale kat, vier mannen spelen woordeloos kaart. In het zinderende licht van de zuiderse namiddagzon verspreidt zich de volheid van het niets, oneigentijds en onwerelds. Elke dag opnieuw wordt daar in Salares de simpele ledigheid gevierd.

De rechter en zijn beul – Friedrich Dürrenmatt

Hun populariteit stijgt gestaag. We zijn verslingerd aan de crimi’s met hun gedreven, om niet te zeggen: gekwelde politie-inspecteurs: Morse, Wallander, Vera, Jimmy Perez in Shetland, Sarah Lund in The Killing. Het zijn de protagonisten uit klassieke misdaadverhalen: er is een moord gepleegd, er wordt onderzoek gedaan, en op het eind weten we wie de dader is. Soms is er ook wat reflectie over het verschil tussen goed en kwaad, of over (het ontbreken van) maatschappelijke gerechtigheid.

In De rechter en zijn beul breekt Friedrich Dürrenmatt met dit (ietwat voorspelbare) schema. Niet dat er geen misdaad wordt gepleegd, maar het onderzoek verloopt op een bizarre manier. De politierechercheur gedraagt zich als een rechter en wil bovenal een jarenlange rekening vereffenen met een beroepscrimineel die er altijd opnieuw in geslaagd is aan gerechtelijke vervolging te ontsnappen. Zijn assistent zet hij in als terechtsteller van dienst, hoewel die meer op zijn kerfstok heeft dan je op het eerste gezicht zou vermoeden. De posities van onderzoeker, wetsambtenaar, rechter, misdadiger en strafuitvoerder gaan dus aan het schuiven, en hoewel de moordenaar gevat wordt, is het onmogelijk om te antwoorden op de vraag of gerechtigheid geschied is.

Tegelijk is dit een echte thriller en de ontknoping slaat je met verstomming. Dürrenmatt weet op het eind alle losse draadjes op een aannemelijke manier met elkaar te verbinden. Je neemt als lezer je vilten detectivehoed af voor zoveel vernuft. Of hoe de deconstructie van de whodunit als genre een heel spannende misdaadroman oplevert.

 

 

 

Friedrich Dürrenmatt, De rechter en zijn beul. Athenaeum-Polak & Van Gennep, 2017, 134p.

KOESTERBOMEN

In Leuven staan, naar verluidt, twintigduizend bomen. Sommige ervan zijn publiekslievelingen. De best gekende siert de binnenkoer van het Atrechtcollege in de Naamsestraat. Het is een Japanse honingboom, maar in de stad wordt hij de boom van het groot verdriet genoemd. De naam verwijst naar het studentenleven in de eerste helft van de twintigste eeuw. Het Atrechtcollege was toen een tehuis voor meisjesstudenten: de strenge tucht die er heerste, verplichtte hen om ’s avonds om zeven uur binnen te zijn; onder de boom heeft zich dus menige scène afgespeeld van haastig afscheid en een laatste gestolen kus.

Zelf heb ik ook mijn favoriete bomen. Een ervan wacht mij op aan de vijvers van de Parkabdij: het is een hoge, oude canadapopulier met een grijze gegroefde schors die in mei witwollige katjes voortbrengt en dan omgeven lijkt door een donzig tapijt. ‘Wit als watte’ in de woorden van Guido Gezelle, die ook fantastische nieuwe woorden vond, deels in de eigen streektaal, voor het kleurengewriemel in het gebladerte van de ‘bonte abeelen’:

Wakker als een wekkerspel, wikkelwakkelwaait het snel.

‘Koesterbomen’ heten ze in Leuven. Ik twijfel: is dat de meest geschikte naam voor deze tijdloze wachters?

 

FOX NEWS

Er is alleen goed nieuws te melden.

Om te beginnen: de berichtgeving kan niet beter. Het marktaandeel van de verkiezingsshows is nooit groter geweest.

Er zijn in Vlaanderen geen problemen met xenofobie. Die zou er trouwens niet zijn, als de vreemdelingen hier zouden wegblijven.

We zijn het erover eens dat er niets mis is met bevoorrechting, als het om onze mensen gaat.

We houden wel van het opgestoken vingertje en de betuttelende toon, als die zegt dat we België moeten afschaffen. Eigenlijk is dat niet meer dan realistisch.

Tenslotte: het milieu in Vlaanderen en het klimaat zijn dik in orde.

 

Enfin, tout va très bien, madame la marquise

(Pourtant, il faut, il faut que l’on vous dise…)