ROUWEN OM EEN GEBOUW

Een Vlaamse filosoof legt uit waarom de wereld niet naar de knoppen gaat. Hij doet dat in zijn gekende stijl door een pleidooi te houden voor wat hij de beproefde waarden van wetenschap en verlichting noemt. Ik weet niet of zijn argumentatie mij overtuigt en al helemaal niet of wetenschap en verlichting de wereld en de mensheid zullen redden.

Maar gisteren zag ik een bevreemdende en tegelijk hoopvolle scène op tv. Honderden mensen kwamen op de oevers van de Seine samen om naar de brand van de Notre Dame te kijken, niet omdat ze van het spektakel genoten, maar omdat ze door ontzetting vervuld werden bij het zien van het laaiende vuur dat in de eeuwenoude kathedraal verwoestend te keer ging. Mensen van over de hele wereld, Parijzenaars en toeristen, huilden als teken van afscheid. Of zongen om het onheil te bezweren: een stille, ingetogen eredienst voor een architecturaal kunstwerk dat deel uitmaakt van de mondiale samenleving. De katholieke ritus, die er eeuwenlang gehouden is, kent niet veel bijval meer, maar mensen van over de hele wereld brengen dagelijks hulde aan dit mausoleum van cultuur en religiositeit.

Rouwen om een gebouw wordt niet bij de waarden van de verlichting gerekend. Integendeel. Maar misschien schuilt in die tranen meer redding dan we vermoeden.

LEREN LEREN

Sommigen wijten de povere onderwijsresultaten in Vlaamse scholen aan gebrekkige leerprogramma’s, onbekwame leerkrachten en niet gemotiveerde leerlingen. Mij komt het vaak voor alsof het falende onderwijs veroorzaakt wordt door de algemene tekortkomingen van onze cultuur: onze haast, onze gebrekkige aandacht, onze hang naar gemakkelijk succes. Duidt het falende onderwijs er niet op dat het ontzettend moeilijk is om te leren in een versplinterde en chaotische wereld die bovenal geobsedeerd is door het nu, verhangen aan het nieuwe en verslaafd aan comfort?

Onze maatschappij lijkt wel uit te blinken in de beknotting van precies die beginselen die het onderwijs nodig heeft om te gedijen, zoals de adem en het geduld om zich echt iets eigen te maken. Waar vinden we nog de aandachtspanne om ons lange tijd in iets te verdiepen? Kunnen we onszelf, ons geheugen en ons gemoed nog openstellen om het aangeleerde te verinnerlijken of zijn we voorgoed aangewezen op de uitwendigheid van apps? We hebben het weliswaar over levenslang leren, maar we hebben het leren verengd tot het opsteken van een slimmigheidje of het trainen van een truukje.

Kun je leren denken, als je denken en weten gelijkschakelt? Kun je kennis verwerven, als je weten en meten gelijkschakelt? Kun je een gesprek voeren, als je in spreken enkel een manier ziet om de ander te overtroeven en te scoren? Kun je leren, als je alles wat niet onmiddellijk nut oplevert, afdankt? Of als je al het zogenaamd irrationele verwerpt? Kun je leren als je niet bereid bent om zowel de eigen streek als de eigen tijd te verlaten en buiten de eigen comfortzone te treden? Kun je leren, als je niet de moed opbrengt om de moeizame zoektocht naar waarheid en betekenis te beginnen?

‘Non scholae sed vitae discimus’, zei de Romeinse filosoof Seneca, ‘we leren niet om op school goede resultaten te behalen, we leren voor het leven’. Hij formuleerde deze uitspraak in brieven aan Lucillius, die precies het tegenovergestelde beweerde. Ze hebben allebei ongelijk. De moeilijkheid is dat leren zonder opvoeding in gebreke blijft, maar dat ook opvoeding zonder leren niet deugt.

 

ZATERDAG 30 MAART OM KWART OVER VIER

‘Een nieuwe lente, een nieuw geluid’ loog Herman Gorter iets meer dan honderd jaar geleden. Feitelijk doet de nieuwe lente niets meer dan in herhaling vallen. Zoals altijd, lokt ze planten en bloemen naar buiten en begiftigt ze mensen met de poetsdrang. Gisteren bijvoorbeeld in Matadi, de wijk waar ik woon. Buurvrouw A staat het pad door de voortuin naar haar voordeur te schrobben – buurman P spuit zijn mountainbike met een tuinslang schoon – buurman D zeemt de ruiten van zijn erker – buurvrouw K is op zoek naar een grasmaaier. Als de lente luidt, komen de mensen de straat op en veranderen in buren. Ik was er ook, liep een beetje te schilderen, te lenteren…

TANGO

Gisteren is Mirjam begraven, de vrouw van een collega-filosoof. De begrafenis bestond uit een katholieke dienst, gebouwd rond een klassieke eucharistieviering. Op het eind kwamen vrienden getuigen. Ze herinnerden zich Mirjam als een vrouw die graag tuiniert, die bloemen een schitterende bloei bezorgt, en de vruchten uit de fruittuin in smakelijke cakes verwerkt. Mirjam hield ook van dansen, ze maakte al jaren deel uit van een tangoclub die wekelijks bijeenkwam om de Argentijnse dans te beoefenen. De dansgroep haalde eveneens herinneringen op. De dansers stonden rond de kist geschaard en iemand vertelde over de laatste uitstap met Mirjam. En toen verspreidden ze zich in de middenbeuk van de kerk, en op de muziek die stilletjes was beginnen spelen – Piazzolla? – dansten zes koppels. De woorden waren op. Wat restte, was een tango – die de moeilijke zoektocht van mensen naar elkaar symboliseert, hoe mensen zich met elkaar verenigen en elkaar weer loslaten, hoe ze elkaar loslaten zonder elkaar te vergeten. Gekwetste lichamen omarmden voor het laatst een vrouw van wie ze afscheid namen, brachten een laatste melancholische hulde aan een gestorven vrouw. Het is een van de meest aangrijpende, authentieke momenten die ik in jaren heb meegemaakt.

 

EEN REGENBOOG

Het mooiste verschijnsel tijdens de maartse buien is de regenboog, zeker als die, zoals vandaag het geval was boven het Hageland, volledig is: een volledige boog die in de lucht een halve cirkel tekent en de zes of zeven kleuren toont. Op wandel door de heuvels waar de fruitbomen voorzichtig hun prille botten in het licht steken, was het verschijnen van de regenboog ook vandaag een moment van genade. Daar! Zie je hem? Zie je hoe hij hoog hij klimt? En dat hij zowel links als rechts de grond ingaat?

En ik denk aan Plato, die de filosofie liet ontstaan uit de verwondering en daarbij als voorbeeld verwees naar het wonder van de regenboog, Iris, de hemelbode die het gesprek tussen goden en mensen gaande hield. De regenboog brengt een verbinding tot stand tussen aarde en hemel, tussen water en licht, tussen prisma en spiegel. Met de glorie van zijn kleuren nodigt hij uit als een poort die open staat, als een triomfboog, un arc-en-ciel.

 

HOOGTE

Hoogte kan worden bepaald, zelfs de grootste hoogte kan worden gemeten. We hebben het over het hoogste gebouw ter wereld, de hoogste berg, de hoogste waterval. Hun hoogte is meetbaar en kan dan ook vergeleken worden: de Eifeltoren is hoger dan de Boerentoren.

Maar er bestaat een hoogte die zich aan het meten onttrekt: het absoluut hoge, het verhevene of het sublieme. Het Duits maakt een onderscheid tussen ‘erhoben’ en ‘erhaben’. ‘Erhoben’ is het opgetilde, wat in de hoogte geheven is; ‘erhaben’ is het verhevene, het sublieme, wat helemaal niet hoog of groot hoeft te zijn, wat misschien wel klein van afmetingen is, zoals een Middeleeuws miniatuurschilderij. Het verhevene blijft onmeetbaar en daarom uniek en onvergelijkelijk. Welke maat zou er zijn om sublieme kunstwerken als ‘Zicht op Delft’ van Johannes Vermeer en ‘De waterlelies’ van Claude Monet met elkaar te vergelijken?

De Allerhoogste: zo werd of wordt in het Jodendom naar God verwezen. Zijn naam mag niet worden uitgesproken. In de Hebreeuwse tekst staan vier letters: jod hee vav hee – het tetragram J H W H, in het Westen verklankt tot Jahweh. Hij is de Allerhoogste, de verhevene, de absolute hoogheid. Geen hoogte, maar hoogheid. Die we ook in het kleinste kunnen terugvinden, zoals een Duits gezegde suggereert: ‘Gott steckt im Detail’.

Dit alles lees ik in de volgende verzen van de Poolse dichteres Wislawa Szymborska:

Op geen enkele plaats is meer hemel

dan op enige andere.

De hemel drukt even absoluut

op een wolk als op een graf.

De mol kan zich even hemels voelen

als de uil die zijn vleugels wiegt.

Zelfs de hoogste bergen

zijn niet dichter bij de hemel

dan de diepste dalen.

Sido — Colette

De Franse schrijfster Colette staat opnieuw in de belangstelling, vooral dank zij de film Colette, waarin de rol van de vrouwelijke auteur vertolkt wordt door de immer raadselachtige Keira Knightley. Haar volledige naam was Gabrielle Colette. Ze huwde op jonge leeftijd en verhuisde naar Parijs, maar hoezeer ze ook genoot van het Parijse nachtleven met zijn decadente uitspattingen, op gezette tijden keerde ze terug naar het plattelandsleven in haar geboortedorp Saint-Sauveur-en-Puisaye. Ze is altijd blijven houden van de Bourgondische heuvels vol verdoken wegen waar ze met haar broers op avonturentocht ging en heeft zich nooit kunnen of willen losmaken van haar geboortehuis met haar vaders boeken en tijdschriften en haar moeders moes- en bloementuin. Herinneringen vormen de verhaalstof van Sido, een novelle genoemd naar de naam die haar vader gaf aan haar moeder, die eigenlijk Sidonie heette.

Uit deze enthousiaste en met vaart geschreven bladzijden waaien je de geuren en kleuren toe van een bloemenparadijs: het vingerhoedskruid, de lampionplant, de ooievaarsbek, de lobelia, de moerasspirea met wazige witte en roze pluimen gaven een tweede leven aan haar moeder, die het huishoudelijk werk plichtsgetrouw, maar node vervulde. Ook krijg je voeling met de diepe smart waaronder de vader, Jules-Joseph Colette, zijn leven lang gebukt ging. Tijdens een campagne van het Franse leger verloor hij een been. Hij werd gehuldigd, maar moest het leger verlaten. Pas na zijn dood kwam Colette tot het besef dat haar vader verbitterd was en dat verdriet jarenlang verstopt heeft achter flauwe moppen, schunnige anekdotes en ulevellenverzen. Ten slotte slaagt Colette er wonderwel in om terug in de ziel te kruipen van het meisje dat ze was: met de zo eigen zielenonrust van de tiener, ontredderd door de dingen die ze niet weet, geaffronteerd door de dingen die ze vervolgens te weten komt.

 

 

Colette, Sido. Vleugels, 2018, 77p. (Eerste Franse uitgave: 1930.)

MINDER

‘Para Libo’, voor Libo: zo luidt de korte dedicace op het eind van Roma, de film van Alfonso Cuarón. De regisseur draagt zijn deels autobiografische film op aan de meid uit zijn kinderjaren. We volgen het reilen en zeilen van een doktersgezin in de wijk Roma van Mexico-stad rond het jaar 1970. De meid, die in de film Cleo heet en van Mixteekse origine is, is de hele dag, van ’s morgens tot ’s avonds, in de weer: de binnenkoer schrobben, hondenpoep opkuisen, de kinderen wekken en aankleden, wassen, bedden opmaken, de vaat doen, thee zetten, de telefoon – die zo goed als nooit rinkelt omdat iemand hààr wil spreken – opnemen en de hoorn doorgeven na die schoongemaakt te hebben, enzovoort. Wordt ze mishandeld of getreiterd? Neen. De kinderen hebben haar graag, waarschijnlijk liever dan hun eigen moeder, en ook de vrouw des huizes heeft een minimaal besef van wat Cleo allemaal doet en hoe onmisbaar ze is. Als ze zwanger raakt en de vader verstek geeft, wordt ze niet ontslagen; integendeel, ze kopen haar een babybedje.

Maar onverdraaglijk is de vanzelfsprekendheid die haar bestempelt als de eeuwige ondergeschikte, de mindere zonder recht op een eigen leven en onverdraaglijk is de nooit bevraagde overtuiging dat ze het eigenlijk wel getroffen heeft met dat doktersgezin. Dat is wat de film toont en zo zet hij ons op weg naar een wereld die echt een einde maakt aan de ongelijkheid tussen klassen, rassen en seksen. Let’s have a dream…

STAAN

‘Waar ik voor sta, is waar ik op sta…’ las ik gisteren op een spandoek van de klimaatbetogers in Leuven. De boodschap was, als vanzelfsprekend, in het Engels geformuleerd: ‘What I stand for, is what I stand on’. De aarde is niet alleen de bodem onder onze voeten, ze is ook datgene wat ons mentaal recht houdt. Al onze biologische noden hebben een psychische uitloper: zuivere lucht laat ons op adem komen, de fysieke zwaartekracht houdt ons met beide voeten op de grond, water verfrist ons, een heldere hemel klaart ons op, de wind laat ons uitwaaien, waar we op staan, is wat we belangrijk vinden en niet gemakkelijk opgeven… De aarde heeft ons niet alleen biologisch gevormd, ze schenkt ons niet alleen het leven, maar de volheid van wie wij zijn.

 

GEDICHTENDAG 2019

Verzet begint niet met grote woorden

maar met kleine daden

 

zoals storm met zacht geritsel in de tuin

of de kat die de kolder in z’n kop krijgt

 

zoals brede rivieren

met een kleine bron

verscholen in het woud

 

zoals een vuurzee

met dezelfde lucifer

die de sigaret aansteekt

 

zoals liefde met een blik

een aanraking iets dat je opvalt in een stem

 

jezelf een vraag stellen

daarmee begint verzet

 

en dan die vraag aan een ander stellen

 

 

 

 

Remco Campert, Betere tijden. De Bezige Bij, 1970.