Voetbal – Jean-Philippe Toussaint

Wie kent ze niet, Lionel Messi en Cristiano Ronaldo of Kevin De Bruyne en Dries Mertens? Wie bewondert niet hun onvolprezen traptechniek of hun duivelse dribbelkunsten? En tegelijk: wie verfoeit deze overbetaalde voetbalidolen niet? Wie verafschuwt niet de overdreven aandacht die ze wekelijks opslorpen? Wie voelt geen afkeer voor dit door racisme, fraude en hufterige manieren verrotte milieu? Of wie heeft niet gegrinnikt bij de flauwe mop over die twintig mannen, die als bezetenen achter een bal aanhollen om die – op het moment dat ze hem te pakken hebben – weer weg te trappen? Over deze onverzoenlijke tegenstrijdigheden gaat het boekje van Jean-Philippe Toussaint, dat in het Frans als titel het Engelse woord Football gebruikt. En France, on joue au foot, n’est-ce pas?

De auteur waagt zich naar eigen zeggen aan een onmogelijk boek dat bij niemand in de smaak zal vallen: niet bij intellectuelen, die geen belangstelling hebben voor voetbal, en niet bij voetballiefhebbers, die het te intellectueel zullen vinden. Zelf is hij één van die rare vogels die hun bezigheden als full-time intellectueel combineren met voetbalpassie. Hij kan het niet laten: als de Wereldbeker in Japan georganiseerd wordt, plant hij als schrijver een lezingentour door dat land om zo voetbalavonden af te wisselen met voordrachtavonden.

Van jongs af is hij in de ban van het spel: van de uitgelaten, soms grimmige sfeer in de stadions, van de kleurrijke, soms kitscherige shirts, van de groene grasmat onder de krachtige schijnwerpers, van het chauvinisme. Zijn boek bevat hilarische scènes: hoe hij in zijn eentje in een Japanse hotelkamer staat te springen en te schreeuwen als zijn favoriete elftal scoort, hoe hij op het eiland Corsica hemel en aarde beweegt om via een slecht afgesteld transistorradiootje een wedstrijd te kunnen volgen, hoe er een vreemde connectie ontstaat tussen mensen die elkaar niet kennen maar voor hetzelfde team supporteren. Maar ook melancholische gedachten: over het verstrijken van de tijd, over een negentig minuten durende spanning als afweer tegen de dood, over de curieuze gave van de verbeelding.

Wie zei ook alweer dat voetbal de belangrijkste bijzaak ter wereld is?

 

Jean-Philippe Toussaint, Voetbal. Vleugels, 2016, 68p.

STRIJKIJZER

De eerste Franse woorden die ik kende, waren traction avant. Ze verwijzen naar de specifieke motortransmissie van de Citroën die mijn ouders in mijn geboortejaar 1954 kochten. Er school een nauwelijks verhulde trots in die woorden: wij beschikten over de auto van de toekomst, geen achterwielaandrijving, met een vlakke bodem, en veilig om te rijden, vooral in de bochten.

Alleen produceerde Citroën in 1955 een model dat onze auto diskwalificeerde als hopeloos verouderd. Dit nieuwe model, DS, werd door ontwerpers uitgeroepen tot ‘de mooiste auto aller tijden’: het gleed door de straten, zweefde over de wegen van het land – een godin gelijk.

Onze auto met de op de motorkap gemonteerde koplampen en de deuren die van voor naar achter opengingen, was plots vooroorlogs. DS, met de initialen van onze familienaam, was een vermomde wraakgodin, een nemesis. Nee, de volksmond had gelijk: DS stond voor strijkijzer.

MARTHE

Vorige week is Marthe begraven, de buurvrouw uit mijn geboortestraat en de moeder van jeugdvrienden. We hadden elkaar al jaren niet meer gezien, maar ik had altijd de wens uitgedrukt om aanwezig te zijn op de begrafenis van de vrouw die ik als mijn tweede moeder beschouw.

Tijdens het eetmaal na het bezoek aan het kerkhof halen we herinneringen op: aan de warme gastvrijheid van hun moeder, aan de droge, laconieke humor van hun vader. En aan ons gezamenlijk spel: de zandbak in hun tuin, de metershoge zilverspar in de onze, de beek verderop in het veld, onbeduidend maar met een sluis, de zompige vijver vol kikkerdril, de gewezen steenbakkerij, het kleine bosje achter het kasteel. Zij maakten de omgeving uit waarin we met de zegen van onze ouders opgroeiden en onze verbeelding vrij spel gaven. Het was allemaal erg lang geleden, meer dan een halve eeuw, en toch was het alsof we klaar stonden om het opnieuw te beleven. De gevoelens van onafscheidelijke verbondenheid waren intact gebleven.

Zo veel is intussen gebeurd, maar die oudste impressies staan onuitwisbaar in ons gemoed gedrukt. Wij, mensen, zijn een palimpsest, een altijd opnieuw beschreven vel. De oorspronkelijke letters, die in het perkament van ons geheugen geschreven staan, blijven leesbaar, welke tekst er later ook aan toegevoegd wordt. Ze opnieuw lezen is een aparte ervaring: nooit komt lezen dichter bij leven.

 

AAN HET VENSTER

Le peintre de la fenêtre: zo werd Henri De Braekeleer genoemd. Zijn werk wordt nu geëxposeerd in Namen.

Je kijkt op de rug van een man die door het openstaande venster naar buiten kijkt. Hij bevindt zich in een kamer, maar is volledig gekleed, met overjas en hoed. Hij kijkt een smalle straat in, langs een witte bakstenen muur. In de ruit van het openstaande venster zie je een hoofd, maar dat hoofd is niet de weerspiegeling van zijn hoofd. De figuur in de ruit houdt het hoofd anders en draagt een andere hoed. Is het een vrouw? Is het de vrouw op wie de man in de kamer wacht, naar wie hij uitkijkt? Of het is een vrouw aan wie hij denkt? Die hem verlaten heeft, die misschien overleden is?

Je kijkt op de rug van een vrouw die door het openstaande venster naar buiten kijkt. Zij zit op een stoel in een kamer, een oorbel in de rechteroor, het haar keurig opgestoken en in een netje samengehouden. Haar linkerhand ligt op de vensterbank, haar rechter in haar schoot, maar het stille leven dat zij kijkend uitstraalt, lijkt uit die handen verdwenen. Zij kijkt naar buiten, naar een plein met winkels, één iemand kijkt in een etalage, maar verder is het plein leeg, verlaten.

Je kijkt naar een man en een vrouw die kijken. Maar er schuilt geen verlangen in hun kijken, het is geen uitkijken. Het is wachten, geen verwachten. Je kijkt naar een witte muur en een leeg plein en je ziet hoe uitzichtloos traag de tijd verstrijkt.

STOMPZINNIG

Geeft het ons te denken? Dat we geen gesprek meer voeren?

In Syrië spreken de wapens, zoals dat met een bedenkelijke metafoor heet, want als alleen de wapens spreken, verstommen de wetten – inter arma enim silent leges; als alleen de wapens spreken, zwijgen het overleg en de bedachtzaamheid; als alleen de wapens spreken, heerst de zinloosheid van dodelijk geweld.

Dat we niet meer kunnen bemiddelen? Dat elk gesprek eindigt in een dovemansgesprek? Het Britse Lagerhuis is een aanfluiting van wat een parlement geacht wordt te zijn. Het House of Commons heeft niets gemeenschappelijks, enkel verdeeldheid: er is geen communicatie. ‘Unlock’ brengt niets teweeg, alles zit muurvast.

Dat we niet meer onderhandelen? In Spanje wordt vrijheid gelijkgesteld met afscheiding en gerechtigheid met repressie. Verschil wordt niet overbrugd, een mening verandert in een fanatieke slogan.

Geeft het ons te denken? Dat de taal die volgens sommigen het menselijke bij uitstek is, verloedert tot botte uitroepen?

JONG GELEERD

Wie was ik als zevenjarige? Met die vraag word ik geconfronteerd na het bekijken van 63 up, de documentaire reeks van Michael Apted, waarin mannen en vrouwen om de zeven jaar uitgenodigd worden voor een gesprek over het leven. Die mannen en vrouwen zijn mijn generatiegenoten, ik werd zeven in 1961. Wat zou ik toen gezegd hebben? Of welke uitspraak van toen zou ik nu herhalen, bevestigen, herkennen?

Op mijn zevende zat ik in het tweede leerjaar, bij meester Gerard, ik ben zijn familienaam vergeten, een zachte dikke reus die zich op zonnige dagen liet verleiden om met ons, de jongens van zijn klas, mee te spelen. In zijn vrije tijd imkerde hij en in de klas kon hij eindeloos over de bijen vertellen, niet om ons te introduceren in de theorie van de voortplanting – dat was voor veel later, in de humaniora! – maar over hoe ze honing maken, over werkbijen en darren en de mysterieuze koningin. Hij bracht bloemen mee naar de klas, want hij vond het niet gepast dat we bloemen leerden kennen via tekeningen in een boek. We mochten ze aanraken en eraan ruiken. We zagen hoe de fel gekleurde meeldraden van de lelie streepjes zetten op onze vingers en we genoten van de geur van het meiklokje.

Misschien had hij alles geleerd van de bijen? Zijn lessen heb ik tot mij genomen als ambrozijn. Want hoewel je in je jeugd vooral vooruitkijkt, van het tweede leerjaar naar het derde, van de lagere school naar de middelbare, herinner ik mij als de dag van gisteren hoe hij in de klas zijn imkerkap opzette en wij als zoemende bijen rond hem dansten. Kennis begint met liefde.

VLAAMSE CANON

De afgelopen dagen heeft de zorg voor de Vlaamse canon mij ook bezig gehouden. Ik heb iets op papier gezet. Hier volgt een eerste versie. Een probeersel. Een reeks namen in alfabetische volgorde – voor de duidelijkheid.

 

Abraham, Alexander, Almodovar, Amundsen, Antigone, Apollo, Arendt, Aristoteles, Armstrong, Athene, Augustus, Auschwitz,

Bach, Barcelona, Beckett, Beethoven, Bergman, Berlijn, Brancusi, Brel, Brontë,

Caesar, Cervantes, Chaplin, Churchill, Cicero, Columbus, Cook, Copernicus, Cordoba, Crick, Curie,

Damascus, Darwin, Debussy, Delphi, Descartes, Dionysus, Dostojevski, Dresden,

Eichmann, Einstein, Eisenhower, Eisenstein, Erasmus, Euclides,

Faulkner, Faust, Flaubert, Franciscus, Freud,

Gagarin, Galilei, Gandhi, Gaudi, Gauguin, Gettysburg, Giacometti, Giotto, Gödel, Goethe, Goya, Granada, Guernica,

Hadrianus, Hamlet, Hawking, Haydn, Heidegger, Heisenberg, Hiroshima, Hitler, Homerus,

Ibsen, Isaac,

Jefferson, Jeruzalem, Jezus, Johannes, Judas,

Kafka, Kant, Kepler, Klee, Kurosawa,

Lanzmann, Le Corbusier, Leonardo, Levinas, Lincoln, Linnaeus, Lucas, Lumumba, Luther,

Madrid, Magelhaen, Mandela, Manet, Mann, Mao, Marcus, Marquez, Marx, Mattheus, Mekka, Michelangelo, Mohammed, Molière, Monet, Monteverdi, Mozart, Mozes, Multatuli,

Napoleon, Nero, Newton, Nietzsche, Normandië,

Oedipus, Oslo, Ovidius,

Parijs, Pascal, Pasolini, Pasteur, Paulus, Pericles, Petrarca, Petrus, Picasso, Planck, Plato, Praag, Proust, Pythagoras,

Raphael, Ravel, Rembrandt, Rilke, Rimbaud, Robespierre, Rome, Roosevelt, Rotterdam, Russell,

Saladin, Sartre, Seneca, Shakespeare, Smith, Socrates, Sophocles, Sparta, Stalin, Stanley, Stockholm,

Tacitus, Tarkovski, Toledo, Tolstoj, Troje,

Van Gogh, Velasquez, Venetië, Venus, Verdun, Vergilius, Vermeer,

Wagner, Watson, Wittgenstein,

Zadkine, Zeus, Zola

 

LEZEN

Ze was geïntrigeerd door mijn liefde voor lezen. ‘En lees je vooral filosofie of ook fictie?’ Toen corrigeerde ze haar vraag, omdat ze begon te vermoeden dat het lezen zelf – los van wat ik lees – mij zo in de ban houdt. ‘Wat trekt je zo aan in het lezen?’

‘Het beste antwoord daarop,’ zei ik, ‘heb ik gelezen, wat had je gedacht?, in een gedicht van Ida Gerhardt. Ik ken het niet van buiten, maar de titel is “Onvervreemdbaar”. Niemand kan mij beroven van wat ik lees, vandaar… En Gerhardt zegt ook dat het in eenzaamheid gebeurt, maar dat je al lezend wel mensen van alle eeuwen ontmoet.’

Ik bleef het antwoord schuldig, maar hier is het – in al zijn sterkte.

 

Onvervreemdbaar

 

Dit wordt ons niet ontnomen: lezen,

en ademloos het blad omslaan,

ver van de dagelijksheid vandaan.

Die lezen mogen eenzaam wezen.

 

Zij waren het van kind af aan.

 

Hen wenkt een wereld waar de groten,

de tijdelozen, voortbestaan.

Tot wie wij kleinen mogen gaan;

de enigen die ons nooit verstoten.

 

Meester Breugel,

Het is haast niet te geloven dat u 450 jaar geleden van ons heengegaan bent. Uw doeken lijken in het afgelopen decennium geschilderd.

De val van Icarus of hoe de wereld geen acht slaat op een catastrofale gebeurtenis –

Dulle Griet of hoe alles verwoestende en niets ontziende terreur van geen ophouden weet –

De parabel der blinden of hoe we eendrachtig de sloot in sukkelen, onze ondergang tegemoet.

Er is ook wel wat veranderd. U leefde in wat de kleine ijstijd is gaan heten. Nu maken we een klimaatopwarming mee. We kijken met een mengeling van verwondering en nostalgie naar uw prachtige winterlandschappen en ijsschaatstaferelen. En ja, De kinderspelen, ik moet u zeggen: kinderen spelen zo niet meer, en zeker niet buiten, ze zitten binnen en vergapen zich aan wat het best kan worden omschreven als een lichtbuis.

Sommigen hebben van u een vrolijke kwast gemaakt, bijna een lolbroek. Excuus daarvoor. Ze zien uw verontwaardigde treurnis niet. Maar u weet dat mensen het moeilijk hebben om iets naar behoren te beoordelen en zich graag gedachteloos vermaken. Velen hebben schijt aan de wereld, zoals u meer dan eens hebt uitgebeeld.

Tot slot: het kerkje in Pede staat er nog altijd.

 

Met hoogachting

GEHOOR

Reclame in welke vorm dan ook interesseert mij nauwelijks. Ze is mij doorgaans te sloganesk, te voorspelbaar, te middelmatig. Nu zag ik op straat een affiche voor Awel, een organisatie die zich voorneemt om naar kinderen en jongeren met een verhaal, een vraag, een probleem te luisteren. Awel zoekt vrijwilligers om precies dàt te doen: met jongeren praten of chatten. Op de affiche staat een prachtige zin: ‘De beste schuilplek voor jongeren die geborgenheid zoeken, is een luisterend oor.’ En een aandoenlijk beeld: de binnenkant van een oorschelp dient als schommelstoel voor een kind.

Een schuilplek is een plek waar je beschutting zoekt en krijgt – tegen gevaar of tegen onraad – en een plek waar je ongezien aanwezig kunt zijn. Niet alleen kinderen of jongeren, maar ook volwassenen voelen zich maar geborgen, als ze gehoord worden en gehoor vinden. Als ze hun verhaal kwijt kunnen en hun verwoorde ervaringen erkend worden. Wonderlijk genoeg kan dat gehoor ook door een onbekende geboden worden. De intimiteit van een oor volstaat.