MARTHE

Vorige week is Marthe begraven, de buurvrouw uit mijn geboortestraat en de moeder van jeugdvrienden. We hadden elkaar al jaren niet meer gezien, maar ik had altijd de wens uitgedrukt om aanwezig te zijn op de begrafenis van de vrouw die ik als mijn tweede moeder beschouw.

Tijdens het eetmaal na het bezoek aan het kerkhof halen we herinneringen op: aan de warme gastvrijheid van hun moeder, aan de droge, laconieke humor van hun vader. En aan ons gezamenlijk spel: de zandbak in hun tuin, de metershoge zilverspar in de onze, de beek verderop in het veld, onbeduidend maar met een sluis, de zompige vijver vol kikkerdril, de gewezen steenbakkerij, het kleine bosje achter het kasteel. Zij maakten de omgeving uit waarin we met de zegen van onze ouders opgroeiden en onze verbeelding vrij spel gaven. Het was allemaal erg lang geleden, meer dan een halve eeuw, en toch was het alsof we klaar stonden om het opnieuw te beleven. De gevoelens van onafscheidelijke verbondenheid waren intact gebleven.

Zo veel is intussen gebeurd, maar die oudste impressies staan onuitwisbaar in ons gemoed gedrukt. Wij, mensen, zijn een palimpsest, een altijd opnieuw beschreven vel. De oorspronkelijke letters, die in het perkament van ons geheugen geschreven staan, blijven leesbaar, welke tekst er later ook aan toegevoegd wordt. Ze opnieuw lezen is een aparte ervaring: nooit komt lezen dichter bij leven.

 

AAN HET VENSTER

Le peintre de la fenêtre: zo werd Henri De Braekeleer genoemd. Zijn werk wordt nu geëxposeerd in Namen.

Je kijkt op de rug van een man die door het openstaande venster naar buiten kijkt. Hij bevindt zich in een kamer, maar is volledig gekleed, met overjas en hoed. Hij kijkt een smalle straat in, langs een witte bakstenen muur. In de ruit van het openstaande venster zie je een hoofd, maar dat hoofd is niet de weerspiegeling van zijn hoofd. De figuur in de ruit houdt het hoofd anders en draagt een andere hoed. Is het een vrouw? Is het de vrouw op wie de man in de kamer wacht, naar wie hij uitkijkt? Of het is een vrouw aan wie hij denkt? Die hem verlaten heeft, die misschien overleden is?

Je kijkt op de rug van een vrouw die door het openstaande venster naar buiten kijkt. Zij zit op een stoel in een kamer, een oorbel in de rechteroor, het haar keurig opgestoken en in een netje samengehouden. Haar linkerhand ligt op de vensterbank, haar rechter in haar schoot, maar het stille leven dat zij kijkend uitstraalt, lijkt uit die handen verdwenen. Zij kijkt naar buiten, naar een plein met winkels, één iemand kijkt in een etalage, maar verder is het plein leeg, verlaten.

Je kijkt naar een man en een vrouw die kijken. Maar er schuilt geen verlangen in hun kijken, het is geen uitkijken. Het is wachten, geen verwachten. Je kijkt naar een witte muur en een leeg plein en je ziet hoe uitzichtloos traag de tijd verstrijkt.

STOMPZINNIG

Geeft het ons te denken? Dat we geen gesprek meer voeren?

In Syrië spreken de wapens, zoals dat met een bedenkelijke metafoor heet, want als alleen de wapens spreken, verstommen de wetten – inter arma enim silent leges; als alleen de wapens spreken, zwijgen het overleg en de bedachtzaamheid; als alleen de wapens spreken, heerst de zinloosheid van dodelijk geweld.

Dat we niet meer kunnen bemiddelen? Dat elk gesprek eindigt in een dovemansgesprek? Het Britse Lagerhuis is een aanfluiting van wat een parlement geacht wordt te zijn. Het House of Commons heeft niets gemeenschappelijks, enkel verdeeldheid: er is geen communicatie. ‘Unlock’ brengt niets teweeg, alles zit muurvast.

Dat we niet meer onderhandelen? In Spanje wordt vrijheid gelijkgesteld met afscheiding en gerechtigheid met repressie. Verschil wordt niet overbrugd, een mening verandert in een fanatieke slogan.

Geeft het ons te denken? Dat de taal die volgens sommigen het menselijke bij uitstek is, verloedert tot botte uitroepen?

JONG GELEERD

Wie was ik als zevenjarige? Met die vraag word ik geconfronteerd na het bekijken van 63 up, de documentaire reeks van Michael Apted, waarin mannen en vrouwen om de zeven jaar uitgenodigd worden voor een gesprek over het leven. Die mannen en vrouwen zijn mijn generatiegenoten, ik werd zeven in 1961. Wat zou ik toen gezegd hebben? Of welke uitspraak van toen zou ik nu herhalen, bevestigen, herkennen?

Op mijn zevende zat ik in het tweede leerjaar, bij meester Gerard, ik ben zijn familienaam vergeten, een zachte dikke reus die zich op zonnige dagen liet verleiden om met ons, de jongens van zijn klas, mee te spelen. In zijn vrije tijd imkerde hij en in de klas kon hij eindeloos over de bijen vertellen, niet om ons te introduceren in de theorie van de voortplanting – dat was voor veel later, in de humaniora! – maar over hoe ze honing maken, over werkbijen en darren en de mysterieuze koningin. Hij bracht bloemen mee naar de klas, want hij vond het niet gepast dat we bloemen leerden kennen via tekeningen in een boek. We mochten ze aanraken en eraan ruiken. We zagen hoe de fel gekleurde meeldraden van de lelie streepjes zetten op onze vingers en we genoten van de geur van het meiklokje.

Misschien had hij alles geleerd van de bijen? Zijn lessen heb ik tot mij genomen als ambrozijn. Want hoewel je in je jeugd vooral vooruitkijkt, van het tweede leerjaar naar het derde, van de lagere school naar de middelbare, herinner ik mij als de dag van gisteren hoe hij in de klas zijn imkerkap opzette en wij als zoemende bijen rond hem dansten. Kennis begint met liefde.

VLAAMSE CANON

De afgelopen dagen heeft de zorg voor de Vlaamse canon mij ook bezig gehouden. Ik heb iets op papier gezet. Hier volgt een eerste versie. Een probeersel. Een reeks namen in alfabetische volgorde – voor de duidelijkheid.

 

Abraham, Alexander, Almodovar, Amundsen, Antigone, Apollo, Arendt, Aristoteles, Armstrong, Athene, Augustus, Auschwitz,

Bach, Barcelona, Beckett, Beethoven, Bergman, Berlijn, Brancusi, Brel, Brontë,

Caesar, Cervantes, Chaplin, Churchill, Cicero, Columbus, Cook, Copernicus, Cordoba, Crick, Curie,

Damascus, Darwin, Debussy, Delphi, Descartes, Dionysus, Dostojevski, Dresden,

Eichmann, Einstein, Eisenhower, Eisenstein, Erasmus, Euclides,

Faulkner, Faust, Flaubert, Franciscus, Freud,

Gagarin, Galilei, Gandhi, Gaudi, Gauguin, Gettysburg, Giacometti, Giotto, Gödel, Goethe, Goya, Granada, Guernica,

Hadrianus, Hamlet, Hawking, Haydn, Heidegger, Heisenberg, Hiroshima, Hitler, Homerus,

Ibsen, Isaac,

Jefferson, Jeruzalem, Jezus, Johannes, Judas,

Kafka, Kant, Kepler, Klee, Kurosawa,

Lanzmann, Le Corbusier, Leonardo, Levinas, Lincoln, Linnaeus, Lucas, Lumumba, Luther,

Madrid, Magelhaen, Mandela, Manet, Mann, Mao, Marcus, Marquez, Marx, Mattheus, Mekka, Michelangelo, Mohammed, Molière, Monet, Monteverdi, Mozart, Mozes, Multatuli,

Napoleon, Nero, Newton, Nietzsche, Normandië,

Oedipus, Oslo, Ovidius,

Parijs, Pascal, Pasolini, Pasteur, Paulus, Pericles, Petrarca, Petrus, Picasso, Planck, Plato, Praag, Proust, Pythagoras,

Raphael, Ravel, Rembrandt, Rilke, Rimbaud, Robespierre, Rome, Roosevelt, Rotterdam, Russell,

Saladin, Sartre, Seneca, Shakespeare, Smith, Socrates, Sophocles, Sparta, Stalin, Stanley, Stockholm,

Tacitus, Tarkovski, Toledo, Tolstoj, Troje,

Van Gogh, Velasquez, Venetië, Venus, Verdun, Vergilius, Vermeer,

Wagner, Watson, Wittgenstein,

Zadkine, Zeus, Zola

 

LEZEN

Ze was geïntrigeerd door mijn liefde voor lezen. ‘En lees je vooral filosofie of ook fictie?’ Toen corrigeerde ze haar vraag, omdat ze begon te vermoeden dat het lezen zelf – los van wat ik lees – mij zo in de ban houdt. ‘Wat trekt je zo aan in het lezen?’

‘Het beste antwoord daarop,’ zei ik, ‘heb ik gelezen, wat had je gedacht?, in een gedicht van Ida Gerhardt. Ik ken het niet van buiten, maar de titel is “Onvervreemdbaar”. Niemand kan mij beroven van wat ik lees, vandaar… En Gerhardt zegt ook dat het in eenzaamheid gebeurt, maar dat je al lezend wel mensen van alle eeuwen ontmoet.’

Ik bleef het antwoord schuldig, maar hier is het – in al zijn sterkte.

 

Onvervreemdbaar

 

Dit wordt ons niet ontnomen: lezen,

en ademloos het blad omslaan,

ver van de dagelijksheid vandaan.

Die lezen mogen eenzaam wezen.

 

Zij waren het van kind af aan.

 

Hen wenkt een wereld waar de groten,

de tijdelozen, voortbestaan.

Tot wie wij kleinen mogen gaan;

de enigen die ons nooit verstoten.

 

Meester Breugel,

Het is haast niet te geloven dat u 450 jaar geleden van ons heengegaan bent. Uw doeken lijken in het afgelopen decennium geschilderd.

De val van Icarus of hoe de wereld geen acht slaat op een catastrofale gebeurtenis –

Dulle Griet of hoe alles verwoestende en niets ontziende terreur van geen ophouden weet –

De parabel der blinden of hoe we eendrachtig de sloot in sukkelen, onze ondergang tegemoet.

Er is ook wel wat veranderd. U leefde in wat de kleine ijstijd is gaan heten. Nu maken we een klimaatopwarming mee. We kijken met een mengeling van verwondering en nostalgie naar uw prachtige winterlandschappen en ijsschaatstaferelen. En ja, De kinderspelen, ik moet u zeggen: kinderen spelen zo niet meer, en zeker niet buiten, ze zitten binnen en vergapen zich aan wat het best kan worden omschreven als een lichtbuis.

Sommigen hebben van u een vrolijke kwast gemaakt, bijna een lolbroek. Excuus daarvoor. Ze zien uw verontwaardigde treurnis niet. Maar u weet dat mensen het moeilijk hebben om iets naar behoren te beoordelen en zich graag gedachteloos vermaken. Velen hebben schijt aan de wereld, zoals u meer dan eens hebt uitgebeeld.

Tot slot: het kerkje in Pede staat er nog altijd.

 

Met hoogachting

GEHOOR

Reclame in welke vorm dan ook interesseert mij nauwelijks. Ze is mij doorgaans te sloganesk, te voorspelbaar, te middelmatig. Nu zag ik op straat een affiche voor Awel, een organisatie die zich voorneemt om naar kinderen en jongeren met een verhaal, een vraag, een probleem te luisteren. Awel zoekt vrijwilligers om precies dàt te doen: met jongeren praten of chatten. Op de affiche staat een prachtige zin: ‘De beste schuilplek voor jongeren die geborgenheid zoeken, is een luisterend oor.’ En een aandoenlijk beeld: de binnenkant van een oorschelp dient als schommelstoel voor een kind.

Een schuilplek is een plek waar je beschutting zoekt en krijgt – tegen gevaar of tegen onraad – en een plek waar je ongezien aanwezig kunt zijn. Niet alleen kinderen of jongeren, maar ook volwassenen voelen zich maar geborgen, als ze gehoord worden en gehoor vinden. Als ze hun verhaal kwijt kunnen en hun verwoorde ervaringen erkend worden. Wonderlijk genoeg kan dat gehoor ook door een onbekende geboden worden. De intimiteit van een oor volstaat.

De samenkomst – Anne Enright

‘Het is een heftige bezigheid, de doden begraven.’ Zo besluit Veronica, het ik-personage van Anne Enright, haar verhaal over de familiebijeenkomst die ze naar aanleiding van de begrafenis van haar broer Liam geacht werd te organiseren. Die broer was altijd een buitenbeentje geweest in het kinderrijke gezin Hegarty, hield van medelijden noch van zelfbeklag, vond het leven een lachertje, maar pleegt voor zijn vijftigste zelfmoord. Wat is er gebeurd? Nu in een recent verleden, in de weken en maanden voor hij zich het leven benam? En vroeger? Hoe ver moeten we teruggaan? Tot in zijn kindertijd? Wat hebben we over het hoofd gezien? Met deze vragen worstelt Veronica, en ze wordt gedwongen te erkennen dat de drie generaties Hegarty, met wie zij is omgegaan, enkel in naam een familie vormen.

Veronica’s onderzoek naar wat er in het verleden gebeurd is, levert weinig feiten op, maar gooit wel haar leven overhoop. Ze ontdekt hoe ongelegen een zelfmoord komt, ook bij haar eigen man en kinderen. In een taal vol rauwe humor weigert ze zich te verontschuldigen omdat ‘haar broer de hele donderdagmiddag onder gestorven had’.

De erkenning dat ze uit een disfunctioneel gezin komt, drukt ze uit in sterke, pakkende woorden: ‘ik heb altijd in aanhalingstekens geleefd’. Ze nam vele posities in binnen de familie: ze was kleindochter en dochter en zuster, maar in feite betekende dat niet veel, in feite had ze geen betekenisvolle relatie met haar grootmoeder of haar moeder of haar broers en zussen. Dit resulteert in vreemde familiale betrekkingen: ze hangt vast aan haar familie, ze is er op een bepaalde manier ook aan gehecht, maar ze mag haar familieverwanten niet echt – haar afwezige moeder, haar hautaine zusje, haar prekerige broer… En tegelijk beseft ze dat die deel uitmaken van haar verleden – een verleden dat ze niet als een souvenir meedraagt, maar dat ze bewoont.

In een taal die bijwijlen door merg en been snijdt, ontleedt Veronica genadeloos haar eigen zielenroerselen en haar eigen machteloze reactie op de zelfmoord van haar broer. De lezer blijft met een ongemakkelijk gevoel achter, enkel met het besef dat de dingen volledig de mist kunnen ingaan.

 

 

Anne Enright, De samenkomst. De Bezige Bij, 2007, 287p. (The gathering. Jonathan Cape, 2007.)

 

GASTVRIJ

Voor het zesde jaar op rij ben ik naar Saint-Etienne-des-Sorts gereisd, een dorpje in Zuid-Frankrijk, in het departement Gard, waar ik gedurende een week een cursus geef over een filosofisch onderwerp. Na zes jaar ken ik blindelings de weg die zich, omzoomd door platanen, door de eindeloze velden met wijnranken slingert naar het dorp, dat tegen de Rhône aan geschurkt ligt. Vlak voor de steenweg versmalt tot een nauwe doorgang tussen oude huizen en een kerk, moet ik aan de rotonde een kleine straat in waar een indrukwekkende ceder mij opwacht. Aan de overkant ligt mijn bestemming: het Centre Erasme, een voormalige wijnboerderij, nu ingericht als een oord van bezinning en gesprek. Het is thuiskomen – in de ommuurde binnenplaats, waar de gastvrouw en –heer, allebei dertigers, mij met een glas rode wijn welkom heten.

Een gastvrije ontvangst wordt niet alleen door mensen geschonken, maar ook door het huis waarin ze wonen. In de hartelijke welkomstwoorden klinken de omgeving door, de vertrouwde dingen, de in zandsteen opgetrokken woning, de oleanders met witte en roze bloemen, de vijgenboom, de kruidtuin met lavendel en rozemarijn. In onze gastvrijheid zijn wij, mensen, aangewezen op de dingen die ons omringen met de rust van hun stille aanwezigheid.