AHED TAMIMI

Oh tumbos, oh nympheion!

Oh grafkamer, oh bruidsvertrek!

 

Deze treurige woorden fluistert Antigone na haar doodvonnis. Antigone bezorgde haar broer Polyneices een laatste rustplaats, omdat ze van oordeel was dat hij daar recht op had, ook al had hij tijdens zijn leven oorlog gevoerd tegen zijn geboortestad Thebe. Ze overtreedt met die actie het uitdrukkelijk bevel van Creon, die als een tiran over Thebe heerst. Ze wordt betrapt en ter dood veroordeeld. Haar verdediging luidt dat ze de wetten van de stad onrechtvaardig vindt en aan een andere wet gehoorzaamt. Ze beseft dat het graf haar bruidsbed wordt, de dood haar bruidegom.

Traditioneel wordt Antigone voorgesteld als een jong meisje – een beetje zoals het kleine tienermeisje met de blonde krullen, Ahed Tamimi, de Palestijnse verzetsstrijdster. Haar opstand wordt gedreven door een machtige droom: aan de universiteit rechten studeren en Palestina op een rechtvaardige manier bevrijden uit de klauwen van Israël.

Terwijl ik ze op tv de verzamelde pers zie toespreken, word ik door haar vastberadenheid getroffen. Maar de gedachte aan de noodlottige woorden van Antigone laat mij niet meer los.

Tsjip / De leeuwentemmer — Willem Elsschot

De plot van deze twee novelles vormt één geheel en kan gemakkelijk worden samengevat: Adele, de dochter van Frans Laarmans – die we als alter ego van Willem Elsschot ook kennen uit Kaas bijvoorbeeld – is verliefd op en wil trouwen met een uit Polen afkomstige medestudent, Bennek Maniewski. Hun huwelijk heeft wat voeten in de aarde, al was het maar omdat Bennek katholiek opgevoed is en Adele niet, maar krijgt uiteindelijk toch de zegen van beide ouderparen. Het stel gaat in Polen wonen en binnen het jaar wordt een zoon geboren: Jan. De verschillen in opvoeding en achtergrond blijven het koppel parten spelen en enkele jaren later loopt het huwelijk op de klippen. Het getouwtrek om de (klein)zoon kan beginnen.

De kracht van deze verhalen, door Elsschot zelf omschreven als ‘een eenvoudige familiekroniek’, ligt in de stijl, in de unieke combinatie van nuchtere zakelijkheid en nagenoeg niet te beheersen emotionaliteit. Die komt ook in het nawoord van Elsschot tot uiting: ‘Mijn dochter is getrouwd en heeft ons verlaten. Nog steeds zie ik mijn vrouw zoals zij naast mij stond toen Adele heenging om de man te volgen. Haar alledaagse gezicht vertrok tot een masker dat lilde als onder de striemen van een zweep.’ De sterke beeldspraak van het verdriet dat een gezicht striemt, is aangrijpend, maar even onheilspellend is het (haast onopvallende) gebruik van het lidwoord ‘de’ in ‘om de man te volgen’ – Adele ging heen niet om ‘haar’ man te volgen, maar ‘de’ man, alsof toen al vaststond dat hij voor altijd een vreemde zou blijven.

De hele tijd hanteert de verteller, in casu de ik-figuur Frans Laarmans, een ironische toon, niet om zijn afstandelijkheid te onderstrepen, maar om zijn enorme betrokkenheid en hulpeloosheid te verstoppen. Als hij voor het eerst zijn kleinzoon ziet, zegt hij: ‘Hij heeft oogjes en een neus als een doodgewoon kind, maar ik weet wel beter.’ Kan de blijheid van een grootouder bij de geboorte van een kleinkind subtieler weergegeven worden?

Prachtig (en zo herkenbaar) is het gesprek tussen grootvader en kleinkind in de tuin: over de leeuw die zo groot is als de wereld en de Duitsers verslindt, over het gevecht tussen de straatwals en de treinlocomotief, en over het monster zonnesteek dat poten blijkt te hebben maar door Tsjip, de leeuwentemmer moeiteloos verslagen wordt.

En tijdens die alledaagse pret denkt Frans Laarmans aan wat hij zijn kleinzoon wil bijbrengen: ‘te juichen noch te rouwen op bevel van machthebbers en niet te bukken voor geweld’.

Een boek voor kinderen tussen 7 en 77.

 

 

 

 

Willem Elsschot, Tsjip / De leeuwentemmer. Polis, 2018, 297p. (Eerste uitgave: 1939.)

 

 

 

 

 

 

DE MIPMOB

Hun talent om te metamorfoseren komt tot uiting in de verscheidenheid aan woorden in overigens verwante talen: motyl, fjäril, fluture, borboleta, sommerfugl, petalouda, mariposa, Schmetterling, farfalla, papillon, butterfly, flinter…

Volgens dialectologen zijn er in het Nederlands niet minder dan 168 varianten: vliebouter, flikketeer, botersnep, pemel, pallapper, mipmob…

Zes zaten er op een sterk vertakte lavendelstruik. Ik herkende er drie: een rode vos, een koolwitje, en een citroenvlinder. En ik was opnieuw een tienjarige in de tuin van mijn geboortehuis, waar ik ze moeiteloos kon pakken terwijl ze uitrustten op de hortensia’s en de margrieten. Jaren waren ze nagenoeg verdwenen, deze frêleste onder de schepselen, maar ze komen terug. Volgens mij, omdat ze begrepen hebben dat uit de schat aan woorden die wij gebruiken om ze te benoemen, onze liefde spreekt.

 

SAMENHORIG

Onlangs maakte ik deel uit van een gezelschap waarin luidop een tekst werd voorgelezen – met name een essay van Peter Sloterdijk. De Duitse schrijver-filosoof keert er terug naar Giovanni Boccaccio’s raamvertelling Decamerone, opgetekend in de heuvels van Toscane rond 1350, toen in het nabijgelegen Firenze een pestepidemie woedde. De honderd verhalen die Boccaccio bundelt, illustreren volgens Sloterdijk de revitaliserende werking die uitgaat van het novellare: de novellen vernieuwen, luiden de renaissance in, de noodzakelijke hergeboorte in tijden dat de Zwarte Dood niets of niemand ontziend uithaalt.

Maar meer nog dan door de inhoud was het gezelschap gepakt door de activiteit van het voorlezen zelf. Met een zachte, welluidende stem las een man de tekst voor in een rustig tempo dat de ingewikkelde, maar prachtig gestructureerde zinnen van Sloterdijk en de schitterende vertaling naar het Nederlands door Mark Wildschut hun volle rijkdom gaf. Een uur was het gezelschap in de ban van een voorlezer, een uur was de aandacht volledig gericht op fraai voorgelezen woorden, gedurende een uur hing in de kamer een betoverende stilte, niet onderbroken door geschuifel van voeten of door gekuch – een magische sfeer die volledig ten dienste stond van het luisteren.

Eeuwen lang kwamen mensen samen om naar een geschreven tekst te luisteren. De eerste van wie wij weten dat hij zich in eenzaamheid terugtrok en in stilzwijgen enkel met de ogen las, was Ambrosius, de leermeester van kerkvader Augustinus. In zijn Confessiones of Belijdenissen, geschreven op het eind van de vierde eeuw, brengt die daar verslag van uit. Sindsdien gaan mensen in een hoekje zitten met een boekje, “in angulo cum libro”, zoals de middeleeuwse mysticus Thomas a Kempis het uitdrukte.

De oorspronkelijke betekenis van lezen is verzamelen: je kunt aren lezen of kruiden. Augustinus heeft een traditie in gang gezet die lezen bijna gelijkschakelt met asociaal gedrag. In uitzonderlijke momenten worden we nog eens herinnerd aan een andere traditie waarbij mensen bijeenkomen om te luisteren naar een lezing. Mensen worden door het luisteren naar een voorgelezen tekst verzameld in een sfeer van samenhorigheid.

PELLE, VET DU VAD

In Vimmerby, een onopvallende gemeente in de Zweedse regio Småland, staat Näs, het geboortehuis van Astrid Lindgren. Velen hebben zich verkneukeld in de kwameisjesstreken van Pippi Langkous, maar niet iedereen heeft zich gerealiseerd dat die vertellingen gedragen worden door een visie op de mens: ze houden een (impliciet) pleidooi voor de vrijheid van het spelen en voor het kind in elk van ons. Toen Astrid op hoge leeftijd in een boom klom, verklaarde ze op de haar eigen anarchistische manier: “Nergens in de Mozaïsche wet staat vermeld dat het voor hoogbejaarden verboden is om in een boom te klimmen.”

 

Geen naaldboom, geen loofboom is nog veilig voor mijn oude knoken…

VAN DE PRINS GEEN KWAAD

In eigen land is Laurent weliswaar de gebeten hond, maar aan de overkant van het kanaal is Harry de reddende Engelsman. Altijd al een toffe peer geweest, die Harry, behalve misschien die keer toen hij in nazi-uniform een feest kwam opvrolijken. De VRT-nieuwsdienst, op wie je altijd kunt rekenen, heeft dit goed begrepen. Er zijn nog zekerheden in het leven. Prompt werden zingende autochtonen opgevoerd, van wie het tenenkrommende enthousiasme recht evenredig was met het onvermogen om toon te houden, een koppel jonge Vlamingen die er niets op tegen hadden om een dagje te wachten, en Canadezen die het ’s nachts toch wel koud vonden – echt waar, er zijn Canadezen die het ’s nachts koud hebben. Wat een zegen, die Harry, wat een verlossing, na al dat gedoe over die gefrustreerde Palestijnen en, ja zeg, een verdwaalde kogel.

 

DE STAAT ISRAEL

Zeventig jaar geleden, begin mei 1948, enkele dagen voor de oprichting van de staat Israël, schreef Hannah Arendt:

Zelfs al zouden de Joden de oorlog winnen, dan nog zou het uitlopen op de vernietiging van de unieke mogelijkheden en de unieke prestaties van het zionisme in Palestina. Het land dat zou ontstaan, zou er heel anders uitzien dan de droom van de Joden overal ter wereld, van zionisten en niet-zionisten. De ‘zegevierende’ Joden zouden gaan leven in een land dat omringd wordt door een geheel vijandige Arabische bevolking, in isolement binnen grenzen die voortdurend bedreigd worden, zo zeer in beslag genomen door fysieke zelfverdediging dat alle andere belangen en activiteiten erin zouden verdrinken. De opbloei van een Joodse cultuur zou ophouden een zaak van het hele volk te zijn; sociale experimenten zouden moeten worden afgedankt als onpraktische luxe; politiek denken zou zich concentreren op militaire strategie, economische ontwikkeling zou enkel en alleen worden bepaald door oorlogsbehoeften. Aldus is het evident dat op dit ogenblik en onder de huidige omstandigheden een Joodse staat alleen kan worden opgericht ten koste van het Joodse vaderland.

 

 

Je zou denken dat deze woorden vorige week werden neergeschreven. Hannah Arendt, zelf van Joodse afkomst, was dus voorstander van een Joods vaderland, maar niet van een Joodse staat. Voor haar was de oprichting van de eenzijdig Joodse staat Israël een kolossale vergissing.

 

 

(H. Arendt, Het zionisme bij nader inzien. Amsterdam, Mets & Schilt, 2005, p. 113.)

LE MIRACLE GREC

De vraag komt altijd opnieuw terug: waarom zou je vandaag nog Grieks leren? En het antwoord op die vraag blijft moeilijk. Of het valt een beetje mager uit.

“Het Grieks is een mooie, zinnelijke taal.” Dat is zo: het Grieks is erg klankrijk, maar is het Italiaans dat ook niet?

“De Griekse grammatica is moeilijk en stimuleert dus het redeneervermogen.” Opnieuw juist, maar geldt hetzelfde niet voor het Duits met zijn naamvallen of het Frans en Spaans met hun werkwoordsvormen, met hun subjunctief en hun passé simple, die trouwens op de (Griekse) aorist lijkt?

“Met de Griekse taal in je hoofd herken je veel hedendaagse woorden, de etymologie. Dat theorie en theater bijvoorbeeld allebei afgeleid zijn van een werkwoord dat zo iets als ‘zien’ of ‘schouwen’ betekent.” Akkoord, maar is dat een voldoende reden?

“Het is een overweldigende cultuur – die beelden, die vazen, die tempels, die amfitheaters…” Zonder enige twijfel, en misschien zie je meer en beter als je Grieks kent.

Kennis van het Grieks is onontbeerlijk om de Griekse wereld te ontdekken. Hoe de Grieken een nieuw politiek stelsel hebben uitgevonden dat ze zelf niet democratie noemden, maar isonomia, gelijkheid voor de wet. En de filosofie, dat eindeloze geduld om de moeilijkste en meest onbeantwoordbare vragen te stellen: schoonheid – wat is dat eigenlijk? En rechtvaardigheid? En een goed leven? En wij, wij mensen, wie zijn wij eigenlijk? En de tragedie, die met schroom, maar zonder vrees de duisternis van het menselijk hart verkent…

Als je toetreedt tot de Griekse taal, leer je op een heel andere manier denken. De filosofie van Plato, de verzen van Pindarus, de tragedies van Sophocles leer je niet kennen door ze in vertaling te lezen. Die vertalingen hebben de tekst vaak gemoderniseerd en geactualiseerd. Paradoxalerwijze openen ze de antieke tekst niet, maar sluiten hem definitief af, en blokkeren zo de toegang tot de oorspronkelijke Griekse ervaring. Je moet de andere weg afleggen, terug naar het Grieks van de vijfde of de vierde eeuw voor onze jaarrekening. “Übersetzen” zegt het Duits, “overzetten”, maar dan van het Nederlands naar het Grieks, de oever van het Nederlands achterlaten en de overzetboot nemen naar het Griekse land. Dan leer je wat het betekent om anders te denken, te spreken, te ervaren, om anders in de wereld te staan. Dan leer je.

MEI 68

 

We zijn vijftig jaar na mei 68, vijftig jaar na de protestacties in Parijs. Sommigen stellen dat er toen niets gebeurd is, omdat er weinig bloed gevloeid is. Zij aanzien het geweld als de vroedvrouw van de geschiedenis. Parijs was toen een enorme spreekkamer, waar eindeloos veel gezegd werd, gebabbeld, gepalaverd, gediscussieerd. Nagenoeg iedereen nam het woord, was in de ban van woorden. Een maand lang was het woord aan de macht, hadden woorden het voor het zeggen. En die woorden hebben veel losgemaakt en geleid tot onze veranderde kijk op standen en klassen, op familie en huwelijk, op de relatie tussen mannen en vrouwen, op seks, op religie en autoriteit, op opvoeding en identiteit.

De meest inspirerende uitspraak vind ik nog altijd: “Soyez réalistes, demandez l’impossible”. Alleen wat onmogelijk lijkt, wat niet in een programma past, niet kan worden gepland en aan de controle van het maken ontsnapt, kan echt de wereld vernieuwen. Geloof in wat onmogelijk lijkt, waarborgt een toekomst, een ommekeer; het haalbare, het mogelijke, het maakbare bestendigen enkel het heden.

 

 

 

ZUIVER

De chassidim zijn de zuiveren. Na het incident met Aron Berger luidde de vraag of het geoorloofd is om een vrouw niet de hand te schudden. Maar misschien geeft dat incident iets anders te denken: dat zuiverheid geen plaats heeft in de politiek. Daarmee is niet gezegd dat politiek gedoemd is om smerig en corrupt te zijn. Wel dat het in de politiek gaat om het eervolle compromis, om de proportionele verdeling en om de billijke betrekkelijkheid. Wie ernaar streeft zuiver van ziel te zijn, kan enkel het gevoel krijgen in de politiek zijn ziel te verliezen. Maar wie aan de zuiverheid van zijn ziel vasthoudt, zal nooit een betere wereld stichten.