HERFST

Van welk seizoen hou je het meest, hoor je wel eens vragen. Van de zomer in volle bloei of van de winterse leegte, van de beginnende lente of de trage deemstering in de herfst? Het antwoord hierop is moeilijk, en wordt bepaald door wisselende stemmingen. Zelf hou ik van het bedachtzame geweld van de lente die zich aan de slaap van de winter ontworstelt. En meer nog van de herfst, die zich vergeefs tegen het verdwijnen van de zomer verzet.

Hoe het leven in de bomen glansrijk uitdooft, hoe de vogels een laatste keer de hoge luchten opzoeken, hoe de septemberrozen en de asters zich na een malse regen nog eens openen. Het onophoudelijk vallen der blaren, de plotse intrede van de kou, het gedwongen afscheid van het licht: ze kondigen weemoedig de verloren strijd van de herfst tegen de eentonige starheid van de winter aan.

 

 

AVV

Nationalisme zou kunnen bestaan uit een fierheid over de eigen regio, de eigen taal en cultuur, de eigen geschiedenis. Vlaams nationalisme heeft daar niets mee te maken: het is ranzig en boertig, smerig en geniepig. Het wordt niet gedreven door fierheid over of zorg voor het eigene, maar door een op niets gebaseerde, domme giftigheid ten aanzien van wat ‘niet van hier is’ en daarom als vreemd wordt aangevoeld. Het spuwt en snauwt, het boert en mekkert over vroeger en nu, wij en zij. Het kraamt onzin uit en om zich een air aan te meten leunt het aan bij een zelfverklaarde leider die met zijn rataplan van nationalisme en socialisme niets bereikt heeft tenzij de uitroeiing van miljoenen en de verwoesting van het eigen land.

 

ALS DE DOOD KOMT

Sommige gedichten lijken op gebeden. We spreken er een onbekende “jij” aan, we richten ons tot we-weten-niet-wie. In de kleine ruimte van die gedichten laten we de gedachte toe dat we niet alles onder controle hebben, dat we niet volledig zelfredzaam zijn, dat we wel eens in nood verkeren. En een vraag hebben, een verzoek, een bede.

In postuum uitgegeven verzen schrijft Leonard Cohen:

 

I pray for courage

At the end

To see death coming

As a friend

 

Hij bidt. Hij vraagt om de kracht en de moed die hem in staat zullen stellen om vredig afscheid te nemen en rustig te sterven. Vaak zien we de dood als een vijand, als iets wat niet tot het leven hoort, van buitenaf komt en ons overrompelt. We vergeten dat de dood niets anders is dan het leven dat zichzelf zoekt.

Leonard Cohen bidt: geef mij de moed om de dood te verwelkomen als een vriend. En om hem te omhelzen zoals je een vriend omhelst – met een milde lach in de ogen en een stille groet op de lippen, stil als de nauwelijks hoorbare “d” in het rijm van “end” en “friend”.

DE MARKT

Zondagochtend is er markt in Heverlee. A en ik gaan er wel eens heen, niet alleen om inkopen te doen, maar ook om gewoon rond te neuzen en van de sfeer te genieten. De populariteit van het gebeuren blijft mij verbazen. De markt is immers een oud restant van de vroegste samenlevingsvormen; de eerste steden uit de menselijke geschiedenis waren handelscentra, zijn geboren uit een markt. Maar nog altijd worden wij, postmodernen uit de eenentwintigste eeuw, die vertrouwd zijn met grootwarenhuizen, winkelgalerijen, sjieke boetieks en e-commerce, bekoord door de wirwar van tentjes en kramen: de rijdende kip staat er naast uitgestalde leren riempjes voor polshorloges, en verder de beste babbeluten uit Veurne, romige kwark van Haspengouwse koeien, onderbroeken, winterharde bosviooltjes, paardenvlees en baklava… Want de allochtonen hebben eveneens de weg gevonden naar de lokale souk. Misschien ligt daar het geheim van het aanhoudende succes. De markt laat het nieuwe toe. Je vindt er nu ook gehoofddoekte vrouwen die hummus aanprijzen, en tegelijk hippe food trucks: een felroze omgebouwde Citroën bestelwagen waar je quiche kunt kopen, of een melkwitte oude caravan met een terras waar je kunt aperitieven, spritz en toastjes met tapenade. Zo getuigt de markt van een oeroud verlangen: mensen willen in hun dagelijkse noden voorzien, maar houden er intussen ook van elkaar op een plek met animo te ontmoeten.

 

AVONDLIED

We vertelden elkaar dat we bij de jeugdbeweging geweest waren. Er was er één van elk: scouts, VKSJ, Chiro en KSA. We zaten, niet voor het eerst die week, naar een sublieme zonsondergang te kijken: hoe het licht in een gloed van kleuren verdween achter de Sierra de Tejeda in Andalusië.

En plots begonnen we te zingen: “Oh, Heer, d’avond is neergekomen.” We lachten even, alsof we een kortstondige schaamte voelden, maar we zetten onze zang voort, zoekend naar de woorden die moeizaam terugkwamen. Want we beseften dat dit lied ver het besmeurde katholicisme overstijgt en een ode brengt aan de schoonheid van de schepping.

Iemand zei: mijn vader vroeg destijds om dit lied op zijn begrafenis te spelen – “geef ons, Heer, zegen en rust en vree”. Het was een mooi einde. We knikten om te beamen.

 

GEWOON

Nu en dan kan ik het niet laten en koop ik een fles Piedboeuf, donker tafelbier met iets meer dan 1% alcohol. Als kind mocht ik dat drinken als we frieten aten: friet met een spiegelei – wij zeiden “een paardenoog” – en een glas bruin bier (in een tuimelglas van Duralex). Het bier smaakte mij nog meer toen ik leerde dat Piedboeuf het Franse woord is voor Ossenpoot. Ah, de eetgewoonten die ik thuis heb aangenomen! Een boterham met platte kaas en bruine suiker, een boterham gesopt in het warme vet van gebakken spek, een blok kaas met een tomaat, een kop koffie met een koekje Petit Beurre, rodekool met zwarte pensen, prinsessenbonen met botersaus en aardappelen in de schil (“pellepatatten”). Maar vooral dat eten op gezette tijden een groot genot is. Gewoonten zijn we gaan wantrouwen, ze zouden te gewoon zijn of zelfs verstikkend. Maar misschien moeten we opnieuw ontdekken dat gewoonten in zovele talen iets met wonen te maken hebben: habits. Gewoontes laten ons thuis komen.

GENTLEMAN

Toen ik hem vertelde dat hij mij deed denken aan George Gentley, lachte hij – de hem typerende lach, niet uitbundig, iets meer dan een glimlach, maar welgemeend en hartelijk. Zoals George Gentley. Hij is groot van gestalte en houdt zich perfect recht, zoals de politie-inspecteur, met wit, dunnend haar, en een immer ernstige, maar vriendelijke blik. Ik hou wel van die vergelijking, antwoordt hij, Gentley is toegewijd, leeft volgens de juiste principes, ik kan zijn manier van optreden enkel goedkeuren. Zelf was hij in zijn beroep gehecht aan gelijkaardige principes, grondigheid en precisie en bereidheid om samen te werken, en kende hij het belang van decorum. Weet je wat mij ook aanstaat, vervolgt hij, Gentley is altijd keurig gekleed. Ik kan ze niet hebben, de Mark Zuckerbergs met hun t-shirts, ze komen op tv en ze hebben nog net geen korte broek aan. Hoe kun je verwachten dat mensen naar je luisteren als je slordig gekleed bent? Slordigheid wekt toch geen respect op? Hij drukte mij stevig de hand en ging heen met de waardige pas van de gentleman.

 

AARDEWERK

Ze heten heel gewoon Jan of Louis en Leen of Hilde, maar noemen zichzelf Aardewerkers. Ze komen samen in de beboste heuvels bij La Roche om er na te denken en te discussiëren. Ze lezen Wat er op het spel staat van Philipp Blom, want ze vinden het stuitend dat Earth Overshoot Day elk jaar vroeger valt. Ze bespreken de politieke theorie van Hannah Arendt en hebben het over niet-repressieve macht, burgerlijke ongehoorzaamheid en de wet als belofte. Ze luisteren naar getuigenissen over mensen zonder papieren en zoeken naar vormen van verzet tegen de officiële migratiepolitiek. Ze houden stiltewandelingen en reiken elkaar de hand over de generaties heen. Ze zijn met meer dan je denkt, tieners en senioren, mannen en vrouwen, kleinkinderen en grootouders. Ze zijn als het mosterdzaadje: ooit worden ze – met onze steun – een boom zo groot als de aarde.

AHED TAMIMI

Oh tumbos, oh nympheion!

Oh grafkamer, oh bruidsvertrek!

 

Deze treurige woorden fluistert Antigone na haar doodvonnis. Antigone bezorgde haar broer Polyneices een laatste rustplaats, omdat ze van oordeel was dat hij daar recht op had, ook al had hij tijdens zijn leven oorlog gevoerd tegen zijn geboortestad Thebe. Ze overtreedt met die actie het uitdrukkelijk bevel van Creon, die als een tiran over Thebe heerst. Ze wordt betrapt en ter dood veroordeeld. Haar verdediging luidt dat ze de wetten van de stad onrechtvaardig vindt en aan een andere wet gehoorzaamt. Ze beseft dat het graf haar bruidsbed wordt, de dood haar bruidegom.

Traditioneel wordt Antigone voorgesteld als een jong meisje – een beetje zoals het kleine tienermeisje met de blonde krullen, Ahed Tamimi, de Palestijnse verzetsstrijdster. Haar opstand wordt gedreven door een machtige droom: aan de universiteit rechten studeren en Palestina op een rechtvaardige manier bevrijden uit de klauwen van Israël.

Terwijl ik ze op tv de verzamelde pers zie toespreken, word ik door haar vastberadenheid getroffen. Maar de gedachte aan de noodlottige woorden van Antigone laat mij niet meer los.

Tsjip / De leeuwentemmer — Willem Elsschot

De plot van deze twee novelles vormt één geheel en kan gemakkelijk worden samengevat: Adele, de dochter van Frans Laarmans – die we als alter ego van Willem Elsschot ook kennen uit Kaas bijvoorbeeld – is verliefd op en wil trouwen met een uit Polen afkomstige medestudent, Bennek Maniewski. Hun huwelijk heeft wat voeten in de aarde, al was het maar omdat Bennek katholiek opgevoed is en Adele niet, maar krijgt uiteindelijk toch de zegen van beide ouderparen. Het stel gaat in Polen wonen en binnen het jaar wordt een zoon geboren: Jan. De verschillen in opvoeding en achtergrond blijven het koppel parten spelen en enkele jaren later loopt het huwelijk op de klippen. Het getouwtrek om de (klein)zoon kan beginnen.

De kracht van deze verhalen, door Elsschot zelf omschreven als ‘een eenvoudige familiekroniek’, ligt in de stijl, in de unieke combinatie van nuchtere zakelijkheid en nagenoeg niet te beheersen emotionaliteit. Die komt ook in het nawoord van Elsschot tot uiting: ‘Mijn dochter is getrouwd en heeft ons verlaten. Nog steeds zie ik mijn vrouw zoals zij naast mij stond toen Adele heenging om de man te volgen. Haar alledaagse gezicht vertrok tot een masker dat lilde als onder de striemen van een zweep.’ De sterke beeldspraak van het verdriet dat een gezicht striemt, is aangrijpend, maar even onheilspellend is het (haast onopvallende) gebruik van het lidwoord ‘de’ in ‘om de man te volgen’ – Adele ging heen niet om ‘haar’ man te volgen, maar ‘de’ man, alsof toen al vaststond dat hij voor altijd een vreemde zou blijven.

De hele tijd hanteert de verteller, in casu de ik-figuur Frans Laarmans, een ironische toon, niet om zijn afstandelijkheid te onderstrepen, maar om zijn enorme betrokkenheid en hulpeloosheid te verstoppen. Als hij voor het eerst zijn kleinzoon ziet, zegt hij: ‘Hij heeft oogjes en een neus als een doodgewoon kind, maar ik weet wel beter.’ Kan de blijheid van een grootouder bij de geboorte van een kleinkind subtieler weergegeven worden?

Prachtig (en zo herkenbaar) is het gesprek tussen grootvader en kleinkind in de tuin: over de leeuw die zo groot is als de wereld en de Duitsers verslindt, over het gevecht tussen de straatwals en de treinlocomotief, en over het monster zonnesteek dat poten blijkt te hebben maar door Tsjip, de leeuwentemmer moeiteloos verslagen wordt.

En tijdens die alledaagse pret denkt Frans Laarmans aan wat hij zijn kleinzoon wil bijbrengen: ‘te juichen noch te rouwen op bevel van machthebbers en niet te bukken voor geweld’.

Een boek voor kinderen tussen 7 en 77.

 

 

 

 

Willem Elsschot, Tsjip / De leeuwentemmer. Polis, 2018, 297p. (Eerste uitgave: 1939.)