STAAN

‘Waar ik voor sta, is waar ik op sta…’ las ik gisteren op een spandoek van de klimaatbetogers in Leuven. De boodschap was, als vanzelfsprekend, in het Engels geformuleerd: ‘What I stand for, is what I stand on’. De aarde is niet alleen de bodem onder onze voeten, ze is ook datgene wat ons mentaal recht houdt. Al onze biologische noden hebben een psychische uitloper: zuivere lucht laat ons op adem komen, de fysieke zwaartekracht houdt ons met beide voeten op de grond, water verfrist ons, een heldere hemel klaart ons op, de wind laat ons uitwaaien, waar we op staan, is wat we belangrijk vinden en niet gemakkelijk opgeven… De aarde heeft ons niet alleen biologisch gevormd, ze schenkt ons niet alleen het leven, maar de volheid van wie wij zijn.

 

GEDICHTENDAG 2019

Verzet begint niet met grote woorden

maar met kleine daden

 

zoals storm met zacht geritsel in de tuin

of de kat die de kolder in z’n kop krijgt

 

zoals brede rivieren

met een kleine bron

verscholen in het woud

 

zoals een vuurzee

met dezelfde lucifer

die de sigaret aansteekt

 

zoals liefde met een blik

een aanraking iets dat je opvalt in een stem

 

jezelf een vraag stellen

daarmee begint verzet

 

en dan die vraag aan een ander stellen

 

 

 

 

Remco Campert, Betere tijden. De Bezige Bij, 1970.

GEBROSSEL

Sommigen willen per se het jongerenprotest tegen het uitblijven van een toekomstgerichte milieupolitiek onderuit halen en bespottelijk maken. Ze spijbelen. Nu de studenten zich bij de scholieren willen aansluiten, openen zich nieuwe perspectieven: ze brossen, want studenten spijbelen niet. En ‘brossen’ heeft een bijkomend voordeel, het is een handig rijmwoord: ze brossen voor de bossen. Het is wachten op ‘hossen’ zoals in het populaire lied van de jeugdbewegingen. ‘Brossen voor de bossen’: alsof het hier het zoveelste album van Suske en Wiske betreft. Als men de terechte verontwaardiging en authentieke zorg van de jongeren maar niet ernstig hoeft te nemen. En het niet over het eigen, jarenlange ‘gebrossel’ hoeft te hebben.

 

NEFAS

Vlak voor de Tweede Wereldoorlog stuurde Bertolt Brecht de volgende bedenking de wereld in: ‘Wat zijn dat voor tijden waarin een gesprek over bomen bijna een misdrijf is omdat het een zwijgen over zoveel wandaden inhoudt?’ Hij zinspeelde op de verkrachting van de Duitse taal door het nationaalsocialisme. Een beukenbos was niet langer een onschuldig onderwerp, want in dat woord lag Buchenwald verscholen, het concentratiekamp vlakbij Weimar, de stad van Schiller en Goethe. In de brandhaard van Buchenwald werden niet alleen tienduizenden mensen omgebracht, maar werden ook de Duitse taal en dichtkunst in het hart getroffen.

Het aantal niet te voeren gesprekken is intussen enkel toegenomen. Wat zijn dat voor tijden waarin een gesprek over bomen, het weer en de lucht, over de Middellandse Zee, over voetbal… bijna een misdrijf is omdat het zoveel wandaden verzwijgt? Wat zijn dat voor tijden?

 

DOEN ALSOF

Een kort zinnetje uit het toneelstuk Gesprek met de regen van auteur Stijn Devillé blijft door mijn hoofd spoken: ‘Doen alsof… is ook doen.’ Een man en een vrouw verliezen hun kind, een tienermeisje. Ze beslissen onze contreien te verlaten en hun leven verder te zetten in Singapore, waar de vrouw in een multinational een hoge functie krijgt aangeboden. Ze hebben het moeilijk, ze rouwen elk op hun eigen manier, zij door hard te werken, hij door wandelingen in de regen te maken. In een wat bitse woordenwisseling werpt zij hem voor de voeten: ‘Je doet maar alsof.’ Hij riposteert: ‘Doen alsof… is ook doen.’

In een extreme situatie, als een kind sterft of een geliefde, ben je volledig het noorden kwijt. Je hebt het gevoel dat alles verloren is. Toch wil je niet bij de pakken blijven zitten en helemaal in indolentie wegzakken. Je weet niet wat gedaan, maar je beslist wel om iets te doen. Je bent compleet in de war, maar je neemt een beslissing, je doet alsof je weet wat je wil. Je bent het spoor bijster, maar je slaat een bepaalde richting in, je doet alsof je weet wat je met je leven wil aanvangen. En zo… door te doen alsof, door iets te doen, kom je stilaan op je pootjes terecht en vind je jezelf terug. Doen alsof draagt niet langer het masker van hypocrisie en bedrog. Nu wordt het een zoektocht naar wat echt van belang is.

KERST 2018

 

 

Niet iets

 

Ik weet het zeker, misschien is wat ons

de ene dag niet en de andere plots wel doet bestaan,

 

misschien is wat ons uit stof opwaait

tot wat we bij voldoende zichtbaarheid elkaar noemen,

 

misschien is wat licht geen tijd geeft,

tijd geen ruimte en ons geen kans zonder droom,

 

misschien is alles wat ons een leven lang optilt

boven de put die deze bol is

 

niet iets om zomaar te geloven.

 

 

 

 

 

Stijn Vranken

(opgetekend in Watou)

 

MOORDSTROOKJE

Het woord van het jaar 2018 is “moordstrookje” – een akelig geschikt woord voor een brutale werkelijkheid: de honderden kilometers fietspaden in Vlaanderen die alleen door een stippellijn afgescheiden zijn van de autoweg. Het diminutief “-je” maakt het woord niet vriendelijker, maar zet de cynische wreedheid van de realiteit extra in de verf. De vier “o’s”, die anders wel eens verwondering of verrukking suggereren, drukken nu enkel ontzetting uit.

Je kan het woord zonder diminutief ook achterstevoren lezen: koortsdroom. Laat de realiteit van de moordstrook zo kortstondig zijn als een koortsdroom.

MENSENRECHTEN

Zeventig jaar geleden, op 10 december 1948, werd de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens door de Verenigde Naties goedgekeurd. Die internationaal erkende mensenrechten hebben inderdaad geleid tot een beperking van de soevereiniteit der nationale staten. Alleen moeten we daar niet om treuren. Soevereiniteit is een vreselijk principe: soevereiniteit is het recht om de noodtoestand af te kondigen, het recht om de grondwet af te schaffen, het recht om zich buiten het recht te plaatsen, en vanuit die buiten-wettelijke en buiten-rechtelijke positie uitzonderlijke beslissingen te nemen en bevelen uit te vaardigen. Soevereiniteit kent enkel het recht van de sterkste. Omdat soevereiniteit door niets gebonden is en geen regel of afspraak respecteert, zijn in de naam van soevereiniteit de meest afschuwelijke misdaden gepleegd, misdaden die – niet toevallig – gedefinieerd worden als ‘misdaden tegen de mensheid’. Daarom is het een goede zaak dat de internationale wetgeving die op de mensenrechten steunt, nu door een migratiepact wordt aangevuld en dat ons land ook dat pact heeft ondertekend.

Wandelen – Henry David Thoreau

Thoreau (1817-1862) voorzag gedeeltelijk in zijn levensonderhoud door als landmeter te werken. Hij hield echter niet van dat beroep, omdat hij van oordeel was dat de beschaving de natuur zo veel mogelijk vrij moest laten. Hij had het niet zo begrepen op omheiningen, voortuintjes, gebaande wegen en plat getreden paden. De vrije natuur, en dan vooral de weidse bossen in New England nodigden hem elke dag uit om urenlang te wandelen. Dat landschap is ‘niemands eigendom’, aldus Thoreau, maar hij vreest de dag ‘dat het wordt heringericht als natuurpark, dat het aantal hekken toeneemt, dat er toegangspoorten of andere ingenieuze manieren worden bedacht om mensen tot de openbare weg te dwingen, en dat wandelen over Gods land eigenlijk betekent dat je de grond betreedt van een of andere landeigenaar’.

De natuur wordt getemd, en deze domesticatie brengt Thoreau in verband met een cultuur van groeiend conformisme, toenemende disciplinering en eendimensionaliteit. Wandelen door de vrije natuur bevrijdt je zinnen: zowel je zintuigen als je verstand. Maar het heeft geen zin om bij die wandeling je professionele of financiële beslommeringen mee te nemen. Je moet die thuis laten en in de bossen je aandacht richten op de bomen en de bloemen, op de vogels en het wild. ‘Wat heb ik in de bossen te zoeken als ik aan iets buiten de bossen denk?’, schrijft hij. Wie bij het struinen door de wildernis de bewegwijzerde paden verlaat, zal ook zijn gedachten vernieuwen en zich bevrijden van clichés en gedicteerde vooroordelen. Aldus wordt wandelen bij Thoreau toch een metafoor voor nadenken: niet tobben over dagelijkse besognes, maar in gedachten de wereld verkennen en het eigen gemoed ontdekken.

Zoals de haan met zijn gekraai elke ochtend een nieuwe zon ziet opgaan, zo ervaart de wandelaar elke dag de zich vernieuwende natuur. Dat levert prachtige zinnen op: ‘Ik wandelde in een weide waar een beek ontsprong, toen de zon ten slotte, vlak voor hij onderging, na een koude, grijze dag, een wolkeloze laag aan de horizon bereikte, en het allerzachtste, helderste schemerlicht op het droge gras viel, op de stammen van de bomen aan de tegenovergelegen horizon en op de bladeren van de struikeiken op de helling, terwijl onze lange schaduwen zich naar het oosten over het gras uitstrekten.’

Henry David Thoreau, Wandelen. Historische Uitgeverij, 2018, 96p.

LEGO

Jaren nadat ik de blokken definitief op zolder had opgeborgen, kwam ik te weten dat Lego niet alleen een Deens product is, maar dat ook het woord uit de Deense taal stamt: ‘leg’ is het Deens voor ‘spelen’, ‘speelgoed’ is in het Deens ‘legetøj’. In mijn ontembaar enthousiasme voor de klassieke Oudheid dacht ik dat het woord ’lego’ een Griekse oorsprong had: ’lego’ betekent in het Grieks ’ik verzamel’. En verzamelen deed ik, witte en rode blokjes, honderden, witte voor de muren en rode voor de daken, tweetjes en viertjes en zesjes en achtjes en ook enkele langere met wel twintig noppen. Mijn vader maakte een gereedschapskist waarin ik ze ordelijk en systematisch kon bewaren: de witte viertjes bij elkaar en de rode achtjes, enzovoort. Die kist was mijn legodoos, mijn verzameldoos waarin ik mijn gedurfde plannen, stoute dromen en gefantaseerde projecten bewaarde. Alleen mijn buurjongen kende ze: een piramide met een geheime gang en geheime grafkamer, een vikingsnek of het Gravensteen. Niets van die bouwwoede werd ooit voltooid, maar de droom hield stand… en is nu werkelijkheid geworden in de uit een kwart miljoen blokjes bestaande Lego-constructie van de Onze-Lieve-Vrouwkathedraal van Antwerpen. Lækker!