Tsjip / De leeuwentemmer — Willem Elsschot

De plot van deze twee novelles vormt één geheel en kan gemakkelijk worden samengevat: Adele, de dochter van Frans Laarmans – die we als alter ego van Willem Elsschot ook kennen uit Kaas bijvoorbeeld – is verliefd op en wil trouwen met een uit Polen afkomstige medestudent, Bennek Maniewski. Hun huwelijk heeft wat voeten in de aarde, al was het maar omdat Bennek katholiek opgevoed is en Adele niet, maar krijgt uiteindelijk toch de zegen van beide ouderparen. Het stel gaat in Polen wonen en binnen het jaar wordt een zoon geboren: Jan. De verschillen in opvoeding en achtergrond blijven het koppel parten spelen en enkele jaren later loopt het huwelijk op de klippen. Het getouwtrek om de (klein)zoon kan beginnen.

De kracht van deze verhalen, door Elsschot zelf omschreven als ‘een eenvoudige familiekroniek’, ligt in de stijl, in de unieke combinatie van nuchtere zakelijkheid en nagenoeg niet te beheersen emotionaliteit. Die komt ook in het nawoord van Elsschot tot uiting: ‘Mijn dochter is getrouwd en heeft ons verlaten. Nog steeds zie ik mijn vrouw zoals zij naast mij stond toen Adele heenging om de man te volgen. Haar alledaagse gezicht vertrok tot een masker dat lilde als onder de striemen van een zweep.’ De sterke beeldspraak van het verdriet dat een gezicht striemt, is aangrijpend, maar even onheilspellend is het (haast onopvallende) gebruik van het lidwoord ‘de’ in ‘om de man te volgen’ – Adele ging heen niet om ‘haar’ man te volgen, maar ‘de’ man, alsof toen al vaststond dat hij voor altijd een vreemde zou blijven.

De hele tijd hanteert de verteller, in casu de ik-figuur Frans Laarmans, een ironische toon, niet om zijn afstandelijkheid te onderstrepen, maar om zijn enorme betrokkenheid en hulpeloosheid te verstoppen. Als hij voor het eerst zijn kleinzoon ziet, zegt hij: ‘Hij heeft oogjes en een neus als een doodgewoon kind, maar ik weet wel beter.’ Kan de blijheid van een grootouder bij de geboorte van een kleinkind subtieler weergegeven worden?

Prachtig (en zo herkenbaar) is het gesprek tussen grootvader en kleinkind in de tuin: over de leeuw die zo groot is als de wereld en de Duitsers verslindt, over het gevecht tussen de straatwals en de treinlocomotief, en over het monster zonnesteek dat poten blijkt te hebben maar door Tsjip, de leeuwentemmer moeiteloos verslagen wordt.

En tijdens die alledaagse pret denkt Frans Laarmans aan wat hij zijn kleinzoon wil bijbrengen: ‘te juichen noch te rouwen op bevel van machthebbers en niet te bukken voor geweld’.

Een boek voor kinderen tussen 7 en 77.

 

 

 

 

Willem Elsschot, Tsjip / De leeuwentemmer. Polis, 2018, 297p. (Eerste uitgave: 1939.)

 

 

 

 

 

 

Rimbaud de zoon — Pierre Michon

Vroegrijp en hondsbrutaal, schrijver van bevlogen brieven en ondoorgrondelijke orakelspreuken, alchemist van het woord, auteur van betoverende en enigmatische verzen, communard, zutist, zwerver, ontdekkingsreiziger, wereldbestormer – Arthur Rimbaud was het allemaal en nog veel meer. Zijn leven is vanaf zijn geboorte in 1854 goed gedocumenteerd: zijn kindertijd in Charleville, waar hij op school de ene prijs na de andere wegkaapt, zijn onverzadigbare leeshonger die de illusie wekt als zou hij op zijn zestiende al de poëziegeschiedenis van Homerus tot Baudelaire hebben doorgenomen, zijn uitdagend optreden in de artistieke bohème van Parijs, waar zijn raadselachtige gedichten ontploffen als literaire tijdbommen, de getuigenissen van Paul Verlaine en anderen die hem omschrijven als ‘stinkend naar genie’.

Kort na zijn vroegtijdige dood in 1891 begint de mythografie: door zijn jeugdvriend Ernest Delahaye, die Arthurs onophoudelijke stroom van verzinsels als zoetekoek slikte, door zijn leraar Georges Izambard, die niet opgewassen bleek tegen de branie van zijn hoogbegaafde leerling, door zijn zus Isabelle, die Arthurs seksuele esbattementen, zijn drugsverleden en zijn breuk met het katholicisme wou uitvegen.

Maar wie was Arthur Rimbaud? Wie was dat rotjoch, dat twaalf keer van huis wegliep en dus elf keer terugkeerde naar de boerderij in de Franse Ardennen, in Roche, door hem ‘Wolfshol’ genoemd’, waar zijn kenau van een moeder, die hij de troetelnaam ‘Schaduwmond’ gaf, hardhandig de plak zwaaide? Volgens Pierre Michon is hij bovenal ‘zoon’, de zoon van Frédéric Rimbaud, kapitein in het Franse leger, die, nadat hij vier kinderen verwekt had bij zijn eeuwig kijvende vrouw, definitief de hielen lichtte en zich bij zijn regiment in Dijon voegde, en de zoon van Vitalie Cuif, een onheilsschepsel, dat afwisselend gebeden en verwensingen uitbraakte. Misschien waren zijn verzen niets anders dan een poging om de klaroen van verre garnizoenen te koppelen aan de rozenkrans van weesgegroetjes en vervloekingen. Michon tast de geschiedenis af, leest de brieven, luistert naar de verhalen over die rauwe cynicus die continu de pest in had, bekijkt de overgeleverde foto’s, waarop Arthur zijn helblauwe ogen toeknijpt tot een vuile, strakke blik die als een dreigend geheven vuist de omgeving te lijf gaat. Hij beschrijft in een barokke taal die tegelijk huivert en bewondert, hoe de dichtkunst een jongen van nauwelijks vijftien in de greep krijgt, als een monster opvreet en weer uitspuwt. Wat rest, is een oeuvre – van een onrustbarende en onvatbare schoonheid.

 

 

Pierre Michon, Rimbaud de zoon. Amsterdam, G.A. van Oorschot, 1998, 103p.

Het raadsel Spinoza — Irvin D. Yalom

Alfred Rosenberg, verwoed antisemiet en rabiaat nazi-ideoloog, is zijn leven lang geobsedeerd door Spinoza, de uit Portugal afkomstige, in Amsterdam wonende, zeventiende-eeuwse filosoof van Joodse origine. Die obsessie begint in zijn jeugd, op het moment dat hij verneemt dat de Duitse genieën uit het verleden, Goethe, Hegel en Nietzsche, diepgaand door Spinoza zijn beïnvloed. Hij raakt helemaal in de war, als hij te weten komt dat Spinoza tot het zo door hem gehate Joodse ras behoorde. Zijn verwarring wordt verbijstering, als hij ontdekt dat de Joodse gemeenschap van Amsterdam in 1656 de banvloek over Spinoza heeft uitgesproken. Is Spinoza een Jood of niet?

De roman is onderverdeeld in 33 hoofdstukken, die zich beurtelings in het zeventiende-eeuwse Nederland en in het twintigste-eeuwse Estland en Duitsland afspelen. Het eerste verhaal begint in Estland, waar Rosenberg opgroeit, en gaat verder in München, waar een stelletje intellectuele minkukels erin slaagt om met een partij die zowel nationaal als socialistisch is, politieke zeges te behalen. Het tweede voltrekt zich in Amsterdam, waar Spinoza geëxcommuniceerd wordt omwille van zijn moderne opvattingen over God, de Joodse eredienst en de Heilige Schrift.

Yalom hanteert een opmerkelijke verteltechniek. Het grootste deel van zijn roman bestaat uit gesprekken: enerzijds tussen Rosenberg en een jeugdvriend, die geïnteresseerd is in de opkomende psychoanalyse en de mogelijkheden van de talking cure uitprobeert; anderzijds gesprekken waarin Spinoza zijn theorieën over God, het menselijk intellect, de hartstochten en de democratie uiteenzet. Zo brengt de roman een hulde aan de kracht van zelfreflectie: hoe het denken de overwinning behaalt op bijgeloof en onwetendheid en hoe het onvermogen om te denken de mens opsluit in vooroordelen omtrent ras en bloed; hoe gedachteloze mensen elkaar in een ijzeren greep van achterdocht houden en hoe het denken aan mensen de kracht geeft om de eenzaamheid te omhelzen.

 

 

Irvin D. Yalom, Het raadsel Spinoza. Amsterdam, Balans, 2012, 430p.

Kroniek van een aangekondigde dood — Gabriel García Márquez

In een onbeduidend dorp eindigt na drie dagen uitbundig vieren een bruiloftsfeest. Terwijl de gasten hun roes uitslapen en bij de hoeren hun driften smoren, levert de bruidegom zijn verse vrouw terug af bij haar moeder: het wicht blijkt geen maagd meer te zijn. Onder druk gezet door haar compleet geschandaliseerde moeder verklapt de bruid de naam van de man die haar zou hebben onteerd: Santiago Nasar. Haar tweelingbroers slijpen hun slagersmessen en vertellen aan al wie het horen wil, dat ze de betichte gaan vermoorden. Het lijkt wel alsof ze hun moordzuchtige plannen rondbazuinen, omdat ze stiekem hopen te worden gestopt. Maar niemand slaat acht op hun woorden die als dronkemansgebral klinken, niemand hecht geloof aan de beschuldiging, niemand neemt de tijd of vindt het de moeite om Santiago Nasar te waarschuwen. Dus wordt op het dorpsplein, waar een menigte nieuwsgierigen samengetroept is, de eerwraak voltrokken, bijna tegen de zin van de moordenaars in.

De titel en de eerste bladzijde van de roman verklappen alles. Spanning omtrent de afloop is er niet. Toch sla je het boek niet dicht en blijf je lezen. Je wordt onweerstaanbaar meegezogen door dit verhaal dat met grote precisie uiteenzet hoe rampspoed zich onstuitbaar voltrekt. De traditionele romancier vertelt het leven van al dan niet verzonnen personages vanuit psychologisch standpunt. Hij dicht die personages karaktertrekken toe, motieven en beweegredenen, meningen en vooroordelen, morele deugden en ondeugden om hun gedrags- en handelwijze te verklaren. Gabriel García Márquez gaat helemaal anders te werk. Zijn verhalen hebben iets mythisch: mensen zijn nagenoeg weerloos overgeleverd aan wat hen overkomt. Het initiatief dat ze nemen, maakt luttel verschil; dingen gebeuren aan hen. Als er zich al onverwachte wendingen voordoen, dan blijven die totaal onbegrijpelijk.

Niemand kan als García Márquez de eenzaamheid waarin mensen verkeren, beschrijven. Mensen spreken niet, omdat ze niet geloven dat de ander genoeg liefde heeft om het geheim dat ze op het punt staan openbaar te maken, in stilte te bewaren. Of ze spreken zonder schaamte, maar verhullen in hun spreken het echte dat hun hart verzengt. Zo blijven ze de gevangene van zichzelf en slagen ze er niet in om zich van de ketens van de tijd te bevrijden. Ze lijken op willoze vlinders, vast gespietst aan de wand, wier vonnis altijd al geschreven heeft gestaan.

 

 

Gabriel García Márquez, Kroniek van een aangekondigde dood. Meulenhoff, 1981, 120p.

In krabbengang — Günter Grass

De ergste zeeramp uit de geschiedenis voltrok zich niet aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog in de Amerikaanse wateren, maar tijdens de laatste winter van Wereldoorlog II in de Baltische Zee. Op 30 januari 1945, precies twaalf jaar na de benoeming van Adolf Hitler tot Rijkskanselier, werd het Duitse hospitaalschip, de Wilhelm Gustloff, door een Russische onderzeeër tot zinken gebracht. Aan boord bevonden zich meer dan tienduizend mensen: het merendeel bestond uit vrouwen, kinderen, zuigelingen en ouderen, op de vlucht voor het Rode Leger in zijn opmars naar nazi-Duitsland. Daar, juist buiten de haven van Gotenhafen bij Danzig, vond de grootste scheepsramp uit de geschiedenis plaats: zes keer zo dodelijk als het ongeluk met de Titanic. De hallucinante scènes zijn vergelijkbaar: een sneeuwstorm had het dek van het schip herschapen in een ijsbaan, honderden mensen gleden bij een temperatuur van -18° in de met ijsschotsen bezaaide zee, reddingssloepen bleken onbruikbaar omdat ze in de davits vastgevroren hingen. Wie in het water terechtkwam, bevroor bijna ogenblikkelijk; wie erin slaagde een reddingssloep te water te laten, schrok er niet voor terug om de zwemmers die zich aan de boten vastklampten, onder te duwen. Onmenselijke taferelen, opzettelijk vergeten door de geschiedenis, omdat de slachtoffers nazi’s waren.

Het begint allemaal op 4 februari 1936: met vier schoten maakt David Frankfurter een einde aan het leven van de hoge nazifunctionaris Wilhelm Gustloff. De dader is een Joodse student in de medicijnen, die met zijn bloedig optreden hoopt verzet op te roepen. De nazipartij maakt van Gustloff een martelaar en noemt een schip naar hem. Aanvankelijk, in de tweede helft van de jaren dertig, wordt het schip gebruikt voor plezierige uitstapjes naar Noorwegen en langere vakantiereizen tot in Madeira. Tijdens de oorlog wordt het tot lazaret omgebouwd, tot het meedogenloos getorpedeerd wordt door een duikboot uit de Sovjet-Russische marine.

De herinnering aan dit afgrijselijke voorval is gewekt door Günter Grass. Hij legt het verhaal in de mond van een vijftigjarige journalist die tijdens de rampzalige winternacht op het vermaledijde schip geboren werd. Zijn moeder, overlevende van de ramp, heeft hem dit verhaal tientallen keren verteld. Nu, vijftig jaar later, ontdekt hij dat er een vervolg aan vast zit, een vervolg dat hem persoonlijk aangaat, maar dat ook boekdelen spreekt over de politieke ontwikkelingen in het herenigde Duitsland van de jaren negentig. De gebeurtenissen worden niet chronologisch beschreven, maar zoals de gang van krabben, die zijwaarts stappend doen alsof ze achteruitlopen maar tamelijk snel vooruitkomen. Im Krebsgang luidt de titel in het Duits, waarbij we niet mogen vergeten dat ‘Krebs’ niet alleen krab betekent, maar ook kanker.

Grass vertelt niet het verhaal van het moordzuchtige Duitsland, maar wel van het kapot gebombardeerde land, wiens vrouwen verkracht, wiens kinderen de kop ingeslagen werden door de soldaten uit het bevrijdingsleger die zich wilden wreken op de Gestapo-beesten. Lange tijd is over dat leed gezwegen, omdat het besef van Duitse schuld alles overheerste. Grass vreest dat de vermeden thema’s van Duits lijden aan de extreemrechtse partijen zijn overgelaten en dat die nalatigheid de opkomst van het neonazisme heeft in de hand gewerkt. In zijn roman merkt het hoofdpersonage op: ‘De geschiedenis is een verstopte plee. We spoelen en spoelen en de stront komt desondanks omhoog.’

 

 

 

Günter Grass, In krabbengang. Amsterdam, Meulenhoff, 2006, 208p.

 

 

OUDEJAARSAVOND

Oudejaarsavond, de overgang van oud naar nieuw, vier ik met vrienden. Er is lekker eten, er is geestrijke drank. Maar wat het feest speciaal maakt, is het thema dat we na gezamenlijk overleg vastleggen. Vorig jaar was het thema: ‘Wir schaffen das’; dit jaar ‘Heroes’ van David Bowie. Ieder wordt geacht dat thema naar best vermogen gestalte te geven: met een gedicht, een lied, een verhaal, een verkleedpartij; de toehoorders, de rest van het gezelschap, moeten op basis van de enscenering en de vertelling proberen te achterhalen wie ‘the hero’ is.

De keuze was opmerkelijk. Sabine ging op zoek naar Gabrielle Petit, een Belgische werkvrouw die tijdens de Eerste Wereldoorlog voor het Engelse leger spioneerde, uiteindelijk verraden werd en voor het vuurpeloton gezet. Kris verdiepte zich in Sophie Scholl, de Duitse studente filosofie, die toetrad tot de verzetsgroep Die weisse Rose, na het verspreiden van anti-nazipamfletten gearresteerd werd en onthoofd. Jan vond door het lezen van Alleen in Berlijn van Hans Fallada inspiratie in het echtpaar Otto en Elise Hampel, eveneens verzetsstrijders en slachtoffers van de naziterreur. Philippe bracht Rosa Parks, de Afro-Amerikaanse burgerrechtenactiviste die in 1955 weigerde om haar zitplaats in een bus af te staan en plaats te maken voor een blanke, zoals de wet in Alabama toen voorschreef.

Vier mensen voerden, onafhankelijk van elkaar, een politiek dissident op, iemand uit het volk die in opstand kwam, voor burgerlijke ongehoorzaamheid koos, in het volle bewustzijn dat zij haar leven op het spel zette. Zij… De zusters van Antigone blijven geloven in de mogelijkheid om een verschil te maken. Zij leven voort als de bakens die onze verbeelding en ons engagement oriënteren. Letterlijk: voor-beelden…

JULIETA

Al jaren ben ik een fan van de films van Pedro Almodovar. Todo sobre mi madre en La piel que habito behoren tot mijn lievelingsfilms. Nu ben ik naar Julieta gaan kijken. Julieta is de naam van het hoofdpersonage, een vrouw van middelbare leeftijd, een moeder die na de dood van haar man haar dochter Antia uit haar leven ziet verdwijnen, niet omdat die dochter sterft maar omdat ze elk contact verbreekt.

Julieta is lerares klassieke talen, ze geeft les over de zeeheld Odysseus, ze vertelt graag de antieke mythen na en interesseert zich voor de Griekse tragedie. Op een bepaald moment leest ze het boek La tragedia griega. Dit kleine detail zegt iets over de film als geheel.

Zoals in een Griekse tragedie zijn de relaties tussen mensen in de film Julieta verwarrend en nooit eenduidig. Handelingen zijn onvoorspelbaar en deinen uit in onvoorziene en ongewilde richtingen. Het leven verandert in een puinhoop, niet omdat mensen van slechte wil zijn, maar omdat ze het leven niet beheersen en nagenoeg weerloos de ongewilde gevolgen van hun handelingen moeten ondergaan. En het moeilijkst van al is: de schuld niet bij de anderen leggen, je verdriet, je schaamte, je wrok overwinnen, en bereid zijn om op je stappen terug te keren.

Vele films van Almodovar bevatten hilarische scènes, deze niet. Julieta is van een intense treurnis en verheven schoonheid.

DE GEDÄCHTNISKIRCHE

Aan de voet van de Gedächtniskirche voltrok zich de gruwel. Aan de voet van de kerk die niet zozeer de kruisdood en de verrijzenis van Gods zoon eert, maar bovenal het mateloze verdriet en de onmenselijke pijn van de oorlog herdenkt en als bouwval de sporen draagt van onvergetelijk kwaad. Aan de voet van de kerk die niet naar de hemel wijst, maar de hel gedenkt en getuigt dat in een door God verlaten wereld de mensen de naastenliefde is opgedragen. Aan de voet van de kerk die al jarenlang, onafgebroken prevelend, mea maxima culpa bidt.

Geen engel waakt nog over Berlijn. De laatste heeft zijn ogen afgewend. Zijn blik werpt op de dingen niet langer een licht om ze tot leven te wekken. Gevangen in het onvermogen om te beschermen heeft hij zijn vleugels afgelegd en is op het plein aan de voet van de kerk te pletter gestort. Aan de voet van het meest indrukwekkende anti-oorlogsmonument ter wereld is brutaal en dodelijk geweld gepleegd.

Niets is nog heilig…

KERSTNACHT

Kerstnacht – het woord is als een lafenis,

een koele sneeuw, glanzend onder het zachte

stralen der sterren – op de landen is

het weerloos stil, een ongerept verwachten.

 

Kerstnacht – het eenzaam zwerven der gedachten

rondom het oud verhaal, het nimmer uit te spreken

verlangen naar het helder zingen in de nacht en

het opgaan van de ster, een lichtend teken.

 

Kerstnacht – het sneeuwt op uw geschonden aarde,

dun en verstuivend dekt een huivering

van ijle val, een lichte zuivering

het vragen, dat wij ongestild bewaarden.

 

 

 

Uit: Ida Gerhardt, Verzamelde gedichten. Athenaeum/Polak & Van Gennep, 2001, p. 33.

SINTERKLAAS

Onlangs zat ik aan tafel in een gemengd gezelschap met ouderen van tachtig en jongeren van twintig. Het gesprek ging over Sinterklaas. De grappigste herinneringen werden opgehaald. Iemand vertelde dat de eerste sinaasappel die ze ooit gegeten heeft, een geschenk van Sinterklaas was. Een ander dat hun moeder de geschenken van Sinterklaas in de Leuvense stoof verstopte. Een derde vertelde dat hij zich als kind afvroeg hoe Sinterklaas met zijn paard op hun dak raakte aangezien ze in een alleenstaand huis woonden: overbrugde de Sint de afstand tussen de twee huizen in de lucht of liet hij zijn paard naar de grond springen om vervolgens opnieuw het dak te beklimmen? En Piet, ging die bij het springen in de lucht ook op de rug van het paard zitten of…? Een vierde vertelde dat ze als kleuter enkele dagen voor het Sinterklaasfeest cadeautjes aantrof in de kelder en onmiddellijk de uitleg slikte van haar ouders die zeiden dat de Sint op de nacht van 5 naar 6 december zo veel werk heeft dat hij bij de brave kinderen, die sowieso een geschenk krijgen, op voorhand langs gaat.

Het gemengd gezelschap was veranderd in een groep vrolijke kleuters. Alom hilariteit, pret in de ogen, een gedeeld gevoel van kinderlijke blijheid. In schril contrast met de beladen discussie die nu woedt rond Zwarte Piet. Zijn wij allemaal verdoken racisten geweest of sympathisanten van het kolonialisme? Is Zwarte Piet de slaaf van Sinterklaas? Is het Sinterklaasfeest een feest dat de kinderen op een slinkse manier opvoedt tot racisten en bovendien de koloniale onderdrukking van zwart Afrika goedpraat? Of zijn wij in de discussie de kinderlijke onbevangenheid verloren die we in het ophalen van herinneringen terugvinden? Zijn we vergeten dat het een kinderfeest is dat kinderen verrukt omdat ze van een onbekende oude man met een sneeuwwitte baard die met zijn schalkse gezel uit Spanje komt, geschenken krijgen? Wie met de door magie betoverde ogen van een vierjarige kijkt, wordt die geïndoctrineerd, krijgt die met de cadeautjes het (koloniale) racisme ingelepeld?

Laat mij duidelijk zijn: racisme is het laagste wat er bestaat. De toenemende gevoeligheid voor racisme juich ik met heel mijn wezen toe. Het pleidooi voor de vervanging van Zwarte Piet door Roetpiet lijkt een eerbaar compromis. Maar wie in het Sinterklaasfeest (enkel) het restant ziet van koloniale onderdrukking, heeft misschien politiek correcte lenzen in, maar zijn perspectief doet geen recht aan de magisch-bekoorlijke wereld die zich voor de kinderblik openbaart.