DE KERSTRUÏNE

Weinig evenementen vind ik zo irritant als de kerstmarkten die sinds enkele jaren in de maand december de pleinen en parken van steden inpalmen. Ik verfoei die schijnbaar niet te verzadigen drang tot commercialisering en die grenzeloze hang naar opgeklopte joligheid. Het geloof in de geboorte van een goddelijke redder hebben we als een achterhaalde leugen verworpen, maar we verwelkomen een dikbuikige goedzak. We vieren vrede op aarde door schnaps te drinken, oliebollen te eten en debiele cadeaus uit te wisselen. Hoe afkerig men ook staat tegenover (het verleden van) de kerk, ik begrijp niet dat men potentieel zinvolle rituelen zo laat uithollen. Traditioneel konden feesten ook momenten van verstilling zijn: Allerzielen bijvoorbeeld of Kerstmis. Maar Allerzielen is verdrongen door Halloween, de zielen verjaagd door zombies, en de heiligheid van de stille nacht heeft plaats gemaakt voor de veiligheid van een rendier met rode neus. Met de herdertjes die lagen bij nachte en de sterre die bleef stille staan, is kitsch altijd een onderdeel geweest van het kerstgebeuren, maar ik heb het gevoel dat die vroeger ingebed lag in een overkoepelend verhaal. Nu lijkt die kitsch alles te overwoekeren en elke betekenis te ruïneren.

 

28 NOVEMBER

Op 28 november zou hij 106 geworden zijn. Maar hoewel hij al 47 jaar dood is, hef ik op zijn verjaardag het glas met zijn lievelingsdrank: cognac. En zo hebben we een gesprek: over de koers, de Ronde van voor de oorlog met de gebroeders Maes, over de rivaliteit tussen Gino Bartali, de vrome, en Fausto Coppi, de man van de wereld met zijn Donna Bianca, of die tussen Fred De Bruyne en Rik Van Looy, en over de diefstal van ‘De rechtvaardige rechters’, het paneel van Het Lam Gods, en de mysterieuze betrokkenheid van Arsène Goedertier, de koster uit Wetteren, en over de oorlog, hoe het Belgische leger absoluut niet uitgerust was om de Duitse Blitzkrieg te weerstaan, hoe ze bij de artillerie, waarvan hij deel uitmaakte, nauwelijks obussen hadden en hoe hij krijgsgevangen genomen werd aan de Leie in Deinze, of over de repressie, hoe jammer hij het vond dat Albert Servaes na de oorlog België moest ontvluchten, want hij hield wel van zijn schilderijen, zoals ‘Communicanten op weg naar de mis’ met het lieflijke kerkje van Afsnee, waarvan een kopie in onze living hing. En hij zegt mij eens te meer ‘Doe wel en zie niet om’. Ik vertel hem wat er na zijn dood gebeurd is: over mijn studies, over mijn huwelijksleven, over mijn kinderen – en om het verhaal af te maken: over Tom Boonen en dat Het Lam Gods nu al jaren gerestaureerd wordt. Nooit houdt het op, want vader is een comparatief zoals nader.

MET DISCRETIE

In deze maand november, die in het teken staat van de dodenherdenking, trof ik bij de Argentijnse dichter Roberto Juarroz een prachtig vers aan.

 

De ingehouden handelwijze van de dood brengt ons van streek.

Omdat wij de een na de ander doodgaan,

alsof elk deeltje van een lichtflits,

elk blad aan een boom

of elke baksteen van een huis

op eigen houtje uiteenvalt,

vergeten wij dat alles stervende is.

Even ingehouden zijn

het donker dat voortkruipt,

de droogte die toeneemt,

de ruïnes die de weg omzomen

en de langzaam uitdijende kerkhoven

 

Nos confunde la actitud discreta de la muerte.

Al ir muriendo uno a uno,

como si cada particular de un rayo de luz,

cada hoja de árbol

o cada ladrillo de una casa

se fuera desintregrando por su cuenta,

olvidamos que todo está muriendo.

Similar contención

ocurre con la sombre que avanza,

la sequía que crece,

las ruinas que flanquean los caminos

y los cementerios que aumentan lentamente

 

 

(Elfde verticale poëzie. Uitgeverij P, 2001.)

NOVEMBER

De milde zon van de nazomer schuift grenzen tussen het groen. Het licht neemt af, maar kleurt de bomen met het palet van een fauvist: de linde geel, de esdoorn rood, de wilde wingerd paars, de eiken ros. Straks laten de blaren los, tuimelen het lange gras in en dansen, onder regie van de wind, hun laatste pirouettes. De bloemen doven: broze herfstrozen verliezen hun kroon, bleke chrysanten waken bij het graf. Nog één keer ruikt de aarde en ademt de moede geur van humus en nat hout. Dan wordt alles stil. Alleen de kreet van de kraaien blijft. Zij strijken als zwarte banieren over het verlaten veld.

 

STENEN UIT AVEYRON

Vorige vrijdag bezocht ik de tentoonstelling Intuition in het Palazzo Fortuny in Venetië. In de eerste zaal die ik binnenga, staan stenen opgesteld. Op een pancarte lees ik dat die stenen ongeveer 4500 jaar oud zijn en afkomstig uit Aveyron. Meer niet. Wat waren ze? Grenspalen? Zerken met de ruw uitgehouwen afbeelding van de dode? Waren het gedenktekens die de herinnering bewaren aan een belangrijke gebeurtenis? Werden ze opgericht ter ere van een god? De stenen geven hun geheim niet prijs. Ze staan er, als het ware losgemaakt uit elke context, en hun krachtige stilte spreekt mij aan.

Nu thuisgekomen, blijven de stenen uit Aveyron mijn ziel beroeren met vragen over het wonder van de menselijke geschiedenis. Dat is het werk van kunstwerken: hun betekenis ontgaat mij, ze zijn een vraag geworden. Alleen door er te zijn, krijgen ze mij in hun ban.

BEUKEN

Geworteld in de grond, reiken ze steevast naar de hemel. Als geen ander schepsel vieren ze de seizoenen, van de ampere lente naar het winterse einde, maar de herfst met de mengeling van zacht zonlicht en diepe kleuren is hun hoogtij. Heel oud worden ze, terwijl ze prachtig rechtop staan – daar in het Chartreuzebos, de aardse kathedraal van beuken die, statig en stil, in hun jaarringen de vlucht van de tijd bewaren.

 

DE KASTAAR

Het café staat in de schaduw van een reusachtige treurwilg die een eigen betekenis geeft aan het woord ‘herbergzaam’. Het ligt waar cafés horen te liggen: op de grens, aan de buitenkant, want wie langs komt, wil wel eens over de schreef gaan. Het draagt de naam van een stevig manspersoon die zich niet aan de regels houdt, maar een goede inborst heeft: De kastaar. Binnen tussen de vele afbeeldingen van varkens die de kroeglopers aan het verleden van een Vlaamse beenhouwerij herinneren, zijn de bruine tafels druk bezet. Het gegeerd gerstenat vloeit ter ondersteuning van andere activiteiten: de krant lezen, palaveren, een partijtje schaak spelen.

Op vrijdagavond valt er vaak een groep luidruchtige kaarters binnen – oude knarren die in kleurenwhist elkaar aftroeven en van miserie een kunst maken, kastaars die een speelmaat de huid vol schelden omdat die niet gezien heeft dat schoppen acht al gevallen is en schoppen zeven dus ‘slag is’. Tussen pot en pint bakkeleien ze, als echte kameraden, over alles wat er wel en niet toe doet: over boerkes en ribbels bijvoorbeeld en dat die te prefereren zijn boven kelkglazen. Het hoeft toch niet gezegd dat die laatste teveel aan iets anders doen denken? Heilig is De kastaar niet, maar een ziel heeft dit staminee wel.

 

Een andere zee – Claudio Magris

Het leven van homo sapiens gaat onder vraagtekens gebukt. In één van die vraagtekens zit de vraag ‘hoe te leven?’ verscholen. Aan die vraag ontspringen de antieke en de moderne wijsbegeerte, de geschriften van het hindoeïsme en het jodendom, en de meditaties van Boeddha. Al deze bespiegelingen stoten op dezelfde valstrik: de vraag naar het echte leven verspert het echte leven.

Deze onuitroeibare weer vormt de onmogelijke plaats waar de personages uit Een andere zee trachten te wonen. Claudio Magris baseert zijn roman op waar gebeurde feiten uit het leven van twee graecofielen en filosofen, Carlo Michelstaedter en Enrico Mreule, die in het begin van de twintigste eeuw opgroeiden in de Italiaanse uithoek van de Dubbelmonarchie Oostenrijk-Hongarije. Ze vormen een studiegroep waarin de klassieke Griekse en Indische teksten gelezen worden, maar ook moderne auteurs als Hendrik Ibsen en Arthur Schopenhauer. Carlo behaalt een doctoraat in de filosofie, Enrico besluit om als gaucho door Patagonië te gaan zwerven. Beiden zoeken naar het volle leven, naar een leven in de rust van het Zijn.

Wat staat deze getalenteerde jongeren in de weg? Is het de ondergang van de Dubbelmonarchie, die na de Eerste Wereldoorlog in talloze naties uiteenvalt, of de wrede terreur van het nazisme die in de shoah culmineert, of de meedogenloze strijd binnen de communistische beweging tussen Stalin-gezinden en Tito-gezinden? Waar vinden ze de rust en de kalmte van de zee waarin niets een teken achterlaat?

De roman van Magris ademt een melancholisch verlies dat zich uit in prachtige natuurbeschrijvingen van het licht aan zee en in verrassende bespiegelingen over ‘de nietigheid van de dingen, die steeds de neiging vertonen al tot het verleden te behoren’. De eerste zin zet onmiddellijk de toon: ‘De schoolbanken waren zo ordelijk en eender als de bladen van de kalender aan de muur, die elke dag met een zacht geritsel onder de hand van de amanuensis verdwenen, en als de grijze wanden, van een grijs waarvan je niet wist of het een kleur was of het verbleekte restant van een onbestemde, teloorgegane kleur.’ In Een andere zee mengt de acribie van de classicus zich met de nostalgie van de balling.

 

Claudio Magris, Een andere zee. Amsterdam, Bert Bakker, 1992, 88p.

ZIN

Sommige woorden geven eindeloos te denken. Bijvoorbeeld het woord ‘zin’. ‘Heb je zin?’ ‘Wat is de zin van die handeling, van het leven?’ ‘Vorm een zin.’ ‘Verzet je zinnen!’ ‘Die heeft geen zin voor humor, voor orde.’ ‘Zin’ omvat het meest concrete en het meest abstracte, gaat van het zinnelijke en zintuiglijke over in het geestelijke en bovennatuurlijke.

Het zinnelijke is wat onze zintuigen aandoet en streelt, het verschaft lust en trek, en maakt zo de zin uit van iets dat we ondernemen. We kunnen er onze zinnen op zetten en het als zinvol ervaren. Het zinvolle heeft betekenis en rijgt woorden aaneen tot een zin. Woorden blijven zinloos of zinledig, als ze geen bestaansgrond vinden in het zintuiglijke.

Misschien geeft ‘zin’ ons dat te denken: dat het meest spirituele een verankering in het zintuiglijke nodig heeft. Dat zou meteen betekenen dat het zinvolle gebonden is aan een lokale verankering en niet kan worden veralgemeend. Of andersom: dat de veralgemening van zin gepaard gaat met een ontworteling.

 

 

DE FARIZEEËR

De heerszuchtige toont waar hij ook opduikt, dezelfde tronie: een masker van schaamteloze arrogantie en wrede onverschilligheid. En overal wordt hij omringd door meelopers, onderkruipers en ja-knikkers.

‘Laat ons bidden’, zei de president. Hij bleef zitten, kruiste zijn handen en gaf het sein aan de hogepriester. Die bad: ‘Heer God, wij danken u voor deze president. Hij is een geschenk voor ons land en zal het weer groot maken.’

Ik weet niet of het gebed een plaats heeft in de politiek. Wel weet ik zeker dat het gebed niet bestaat uit een zelfverheerlijking, maar vraagt om de deemoedige erkenning van de eigen kwetsbaarheid.

Amerika is in handen van iemand die zich voor president uitgeeft. Alles waar hij met zijn vingers aanzit, verandert in smeerlapperij.