AVV

Nationalisme zou kunnen bestaan uit een fierheid over de eigen regio, de eigen taal en cultuur, de eigen geschiedenis. Vlaams nationalisme heeft daar niets mee te maken: het is ranzig en boertig, smerig en geniepig. Het wordt niet gedreven door fierheid over of zorg voor het eigene, maar door een op niets gebaseerde, domme giftigheid ten aanzien van wat ‘niet van hier is’ en daarom als vreemd wordt aangevoeld. Het spuwt en snauwt, het boert en mekkert over vroeger en nu, wij en zij. Het kraamt onzin uit en om zich een air aan te meten leunt het aan bij een zelfverklaarde leider die met zijn rataplan van nationalisme en socialisme niets bereikt heeft tenzij de uitroeiing van miljoenen en de verwoesting van het eigen land.

 

ALS DE DOOD KOMT

Sommige gedichten lijken op gebeden. We spreken er een onbekende “jij” aan, we richten ons tot we-weten-niet-wie. In de kleine ruimte van die gedichten laten we de gedachte toe dat we niet alles onder controle hebben, dat we niet volledig zelfredzaam zijn, dat we wel eens in nood verkeren. En een vraag hebben, een verzoek, een bede.

In postuum uitgegeven verzen schrijft Leonard Cohen:

 

I pray for courage

At the end

To see death coming

As a friend

 

Hij bidt. Hij vraagt om de kracht en de moed die hem in staat zullen stellen om vredig afscheid te nemen en rustig te sterven. Vaak zien we de dood als een vijand, als iets wat niet tot het leven hoort, van buitenaf komt en ons overrompelt. We vergeten dat de dood niets anders is dan het leven dat zichzelf zoekt.

Leonard Cohen bidt: geef mij de moed om de dood te verwelkomen als een vriend. En om hem te omhelzen zoals je een vriend omhelst – met een milde lach in de ogen en een stille groet op de lippen, stil als de nauwelijks hoorbare “d” in het rijm van “end” en “friend”.

DE MARKT

Zondagochtend is er markt in Heverlee. A en ik gaan er wel eens heen, niet alleen om inkopen te doen, maar ook om gewoon rond te neuzen en van de sfeer te genieten. De populariteit van het gebeuren blijft mij verbazen. De markt is immers een oud restant van de vroegste samenlevingsvormen; de eerste steden uit de menselijke geschiedenis waren handelscentra, zijn geboren uit een markt. Maar nog altijd worden wij, postmodernen uit de eenentwintigste eeuw, die vertrouwd zijn met grootwarenhuizen, winkelgalerijen, sjieke boetieks en e-commerce, bekoord door de wirwar van tentjes en kramen: de rijdende kip staat er naast uitgestalde leren riempjes voor polshorloges, en verder de beste babbeluten uit Veurne, romige kwark van Haspengouwse koeien, onderbroeken, winterharde bosviooltjes, paardenvlees en baklava… Want de allochtonen hebben eveneens de weg gevonden naar de lokale souk. Misschien ligt daar het geheim van het aanhoudende succes. De markt laat het nieuwe toe. Je vindt er nu ook gehoofddoekte vrouwen die hummus aanprijzen, en tegelijk hippe food trucks: een felroze omgebouwde Citroën bestelwagen waar je quiche kunt kopen, of een melkwitte oude caravan met een terras waar je kunt aperitieven, spritz en toastjes met tapenade. Zo getuigt de markt van een oeroud verlangen: mensen willen in hun dagelijkse noden voorzien, maar houden er intussen ook van elkaar op een plek met animo te ontmoeten.

 

AVONDLIED

We vertelden elkaar dat we bij de jeugdbeweging geweest waren. Er was er één van elk: scouts, VKSJ, Chiro en KSA. We zaten, niet voor het eerst die week, naar een sublieme zonsondergang te kijken: hoe het licht in een gloed van kleuren verdween achter de Sierra de Tejeda in Andalusië.

En plots begonnen we te zingen: “Oh, Heer, d’avond is neergekomen.” We lachten even, alsof we een kortstondige schaamte voelden, maar we zetten onze zang voort, zoekend naar de woorden die moeizaam terugkwamen. Want we beseften dat dit lied ver het besmeurde katholicisme overstijgt en een ode brengt aan de schoonheid van de schepping.

Iemand zei: mijn vader vroeg destijds om dit lied op zijn begrafenis te spelen – “geef ons, Heer, zegen en rust en vree”. Het was een mooi einde. We knikten om te beamen.

 

GEWOON

Nu en dan kan ik het niet laten en koop ik een fles Piedboeuf, donker tafelbier met iets meer dan 1% alcohol. Als kind mocht ik dat drinken als we frieten aten: friet met een spiegelei – wij zeiden “een paardenoog” – en een glas bruin bier (in een tuimelglas van Duralex). Het bier smaakte mij nog meer toen ik leerde dat Piedboeuf het Franse woord is voor Ossenpoot. Ah, de eetgewoonten die ik thuis heb aangenomen! Een boterham met platte kaas en bruine suiker, een boterham gesopt in het warme vet van gebakken spek, een blok kaas met een tomaat, een kop koffie met een koekje Petit Beurre, rodekool met zwarte pensen, prinsessenbonen met botersaus en aardappelen in de schil (“pellepatatten”). Maar vooral dat eten op gezette tijden een groot genot is. Gewoonten zijn we gaan wantrouwen, ze zouden te gewoon zijn of zelfs verstikkend. Maar misschien moeten we opnieuw ontdekken dat gewoonten in zovele talen iets met wonen te maken hebben: habits. Gewoontes laten ons thuis komen.

GENTLEMAN

Toen ik hem vertelde dat hij mij deed denken aan George Gentley, lachte hij – de hem typerende lach, niet uitbundig, iets meer dan een glimlach, maar welgemeend en hartelijk. Zoals George Gentley. Hij is groot van gestalte en houdt zich perfect recht, zoals de politie-inspecteur, met wit, dunnend haar, en een immer ernstige, maar vriendelijke blik. Ik hou wel van die vergelijking, antwoordt hij, Gentley is toegewijd, leeft volgens de juiste principes, ik kan zijn manier van optreden enkel goedkeuren. Zelf was hij in zijn beroep gehecht aan gelijkaardige principes, grondigheid en precisie en bereidheid om samen te werken, en kende hij het belang van decorum. Weet je wat mij ook aanstaat, vervolgt hij, Gentley is altijd keurig gekleed. Ik kan ze niet hebben, de Mark Zuckerbergs met hun t-shirts, ze komen op tv en ze hebben nog net geen korte broek aan. Hoe kun je verwachten dat mensen naar je luisteren als je slordig gekleed bent? Slordigheid wekt toch geen respect op? Hij drukte mij stevig de hand en ging heen met de waardige pas van de gentleman.

 

AARDEWERK

Ze heten heel gewoon Jan of Louis en Leen of Hilde, maar noemen zichzelf Aardewerkers. Ze komen samen in de beboste heuvels bij La Roche om er na te denken en te discussiëren. Ze lezen Wat er op het spel staat van Philipp Blom, want ze vinden het stuitend dat Earth Overshoot Day elk jaar vroeger valt. Ze bespreken de politieke theorie van Hannah Arendt en hebben het over niet-repressieve macht, burgerlijke ongehoorzaamheid en de wet als belofte. Ze luisteren naar getuigenissen over mensen zonder papieren en zoeken naar vormen van verzet tegen de officiële migratiepolitiek. Ze houden stiltewandelingen en reiken elkaar de hand over de generaties heen. Ze zijn met meer dan je denkt, tieners en senioren, mannen en vrouwen, kleinkinderen en grootouders. Ze zijn als het mosterdzaadje: ooit worden ze – met onze steun – een boom zo groot als de aarde.

AHED TAMIMI

Oh tumbos, oh nympheion!

Oh grafkamer, oh bruidsvertrek!

 

Deze treurige woorden fluistert Antigone na haar doodvonnis. Antigone bezorgde haar broer Polyneices een laatste rustplaats, omdat ze van oordeel was dat hij daar recht op had, ook al had hij tijdens zijn leven oorlog gevoerd tegen zijn geboortestad Thebe. Ze overtreedt met die actie het uitdrukkelijk bevel van Creon, die als een tiran over Thebe heerst. Ze wordt betrapt en ter dood veroordeeld. Haar verdediging luidt dat ze de wetten van de stad onrechtvaardig vindt en aan een andere wet gehoorzaamt. Ze beseft dat het graf haar bruidsbed wordt, de dood haar bruidegom.

Traditioneel wordt Antigone voorgesteld als een jong meisje – een beetje zoals het kleine tienermeisje met de blonde krullen, Ahed Tamimi, de Palestijnse verzetsstrijdster. Haar opstand wordt gedreven door een machtige droom: aan de universiteit rechten studeren en Palestina op een rechtvaardige manier bevrijden uit de klauwen van Israël.

Terwijl ik ze op tv de verzamelde pers zie toespreken, word ik door haar vastberadenheid getroffen. Maar de gedachte aan de noodlottige woorden van Antigone laat mij niet meer los.

DE MIPMOB

Hun talent om te metamorfoseren komt tot uiting in de verscheidenheid aan woorden in overigens verwante talen: motyl, fjäril, fluture, borboleta, sommerfugl, petalouda, mariposa, Schmetterling, farfalla, papillon, butterfly, flinter…

Volgens dialectologen zijn er in het Nederlands niet minder dan 168 varianten: vliebouter, flikketeer, botersnep, pemel, pallapper, mipmob…

Zes zaten er op een sterk vertakte lavendelstruik. Ik herkende er drie: een rode vos, een koolwitje, en een citroenvlinder. En ik was opnieuw een tienjarige in de tuin van mijn geboortehuis, waar ik ze moeiteloos kon pakken terwijl ze uitrustten op de hortensia’s en de margrieten. Jaren waren ze nagenoeg verdwenen, deze frêleste onder de schepselen, maar ze komen terug. Volgens mij, omdat ze begrepen hebben dat uit de schat aan woorden die wij gebruiken om ze te benoemen, onze liefde spreekt.

 

SAMENHORIG

Onlangs maakte ik deel uit van een gezelschap waarin luidop een tekst werd voorgelezen – met name een essay van Peter Sloterdijk. De Duitse schrijver-filosoof keert er terug naar Giovanni Boccaccio’s raamvertelling Decamerone, opgetekend in de heuvels van Toscane rond 1350, toen in het nabijgelegen Firenze een pestepidemie woedde. De honderd verhalen die Boccaccio bundelt, illustreren volgens Sloterdijk de revitaliserende werking die uitgaat van het novellare: de novellen vernieuwen, luiden de renaissance in, de noodzakelijke hergeboorte in tijden dat de Zwarte Dood niets of niemand ontziend uithaalt.

Maar meer nog dan door de inhoud was het gezelschap gepakt door de activiteit van het voorlezen zelf. Met een zachte, welluidende stem las een man de tekst voor in een rustig tempo dat de ingewikkelde, maar prachtig gestructureerde zinnen van Sloterdijk en de schitterende vertaling naar het Nederlands door Mark Wildschut hun volle rijkdom gaf. Een uur was het gezelschap in de ban van een voorlezer, een uur was de aandacht volledig gericht op fraai voorgelezen woorden, gedurende een uur hing in de kamer een betoverende stilte, niet onderbroken door geschuifel van voeten of door gekuch – een magische sfeer die volledig ten dienste stond van het luisteren.

Eeuwen lang kwamen mensen samen om naar een geschreven tekst te luisteren. De eerste van wie wij weten dat hij zich in eenzaamheid terugtrok en in stilzwijgen enkel met de ogen las, was Ambrosius, de leermeester van kerkvader Augustinus. In zijn Confessiones of Belijdenissen, geschreven op het eind van de vierde eeuw, brengt die daar verslag van uit. Sindsdien gaan mensen in een hoekje zitten met een boekje, “in angulo cum libro”, zoals de middeleeuwse mysticus Thomas a Kempis het uitdrukte.

De oorspronkelijke betekenis van lezen is verzamelen: je kunt aren lezen of kruiden. Augustinus heeft een traditie in gang gezet die lezen bijna gelijkschakelt met asociaal gedrag. In uitzonderlijke momenten worden we nog eens herinnerd aan een andere traditie waarbij mensen bijeenkomen om te luisteren naar een lezing. Mensen worden door het luisteren naar een voorgelezen tekst verzameld in een sfeer van samenhorigheid.