BEUKEN

Geworteld in de grond, reiken ze steevast naar de hemel. Als geen ander schepsel vieren ze de seizoenen, van de ampere lente naar het winterse einde, maar de herfst met de mengeling van zacht zonlicht en diepe kleuren is hun hoogtij. Heel oud worden ze, terwijl ze prachtig rechtop staan – daar in het Chartreuzebos, de aardse kathedraal van beuken die, statig en stil, in hun jaarringen de vlucht van de tijd bewaren.

 

DE KASTAAR

Het café staat in de schaduw van een reusachtige treurwilg die een eigen betekenis geeft aan het woord ‘herbergzaam’. Het ligt waar cafés horen te liggen: op de grens, aan de buitenkant, want wie langs komt, wil wel eens over de schreef gaan. Het draagt de naam van een stevig manspersoon die zich niet aan de regels houdt, maar een goede inborst heeft: De kastaar. Binnen tussen de vele afbeeldingen van varkens die de kroeglopers aan het verleden van een Vlaamse beenhouwerij herinneren, zijn de bruine tafels druk bezet. Het gegeerd gerstenat vloeit ter ondersteuning van andere activiteiten: de krant lezen, palaveren, een partijtje schaak spelen.

Op vrijdagavond valt er vaak een groep luidruchtige kaarters binnen – oude knarren die in kleurenwhist elkaar aftroeven en van miserie een kunst maken, kastaars die een speelmaat de huid vol schelden omdat die niet gezien heeft dat schoppen acht al gevallen is en schoppen zeven dus ‘slag is’. Tussen pot en pint bakkeleien ze, als echte kameraden, over alles wat er wel en niet toe doet: over boerkes en ribbels bijvoorbeeld en dat die te prefereren zijn boven kelkglazen. Het hoeft toch niet gezegd dat die laatste teveel aan iets anders doen denken? Heilig is De kastaar niet, maar een ziel heeft dit staminee wel.

 

Een andere zee – Claudio Magris

Het leven van homo sapiens gaat onder vraagtekens gebukt. In één van die vraagtekens zit de vraag ‘hoe te leven?’ verscholen. Aan die vraag ontspringen de antieke en de moderne wijsbegeerte, de geschriften van het hindoeïsme en het jodendom, en de meditaties van Boeddha. Al deze bespiegelingen stoten op dezelfde valstrik: de vraag naar het echte leven verspert het echte leven.

Deze onuitroeibare weer vormt de onmogelijke plaats waar de personages uit Een andere zee trachten te wonen. Claudio Magris baseert zijn roman op waar gebeurde feiten uit het leven van twee graecofielen en filosofen, Carlo Michelstaedter en Enrico Mreule, die in het begin van de twintigste eeuw opgroeiden in de Italiaanse uithoek van de Dubbelmonarchie Oostenrijk-Hongarije. Ze vormen een studiegroep waarin de klassieke Griekse en Indische teksten gelezen worden, maar ook moderne auteurs als Hendrik Ibsen en Arthur Schopenhauer. Carlo behaalt een doctoraat in de filosofie, Enrico besluit om als gaucho door Patagonië te gaan zwerven. Beiden zoeken naar het volle leven, naar een leven in de rust van het Zijn.

Wat staat deze getalenteerde jongeren in de weg? Is het de ondergang van de Dubbelmonarchie, die na de Eerste Wereldoorlog in talloze naties uiteenvalt, of de wrede terreur van het nazisme die in de shoah culmineert, of de meedogenloze strijd binnen de communistische beweging tussen Stalin-gezinden en Tito-gezinden? Waar vinden ze de rust en de kalmte van de zee waarin niets een teken achterlaat?

De roman van Magris ademt een melancholisch verlies dat zich uit in prachtige natuurbeschrijvingen van het licht aan zee en in verrassende bespiegelingen over ‘de nietigheid van de dingen, die steeds de neiging vertonen al tot het verleden te behoren’. De eerste zin zet onmiddellijk de toon: ‘De schoolbanken waren zo ordelijk en eender als de bladen van de kalender aan de muur, die elke dag met een zacht geritsel onder de hand van de amanuensis verdwenen, en als de grijze wanden, van een grijs waarvan je niet wist of het een kleur was of het verbleekte restant van een onbestemde, teloorgegane kleur.’ In Een andere zee mengt de acribie van de classicus zich met de nostalgie van de balling.

 

Claudio Magris, Een andere zee. Amsterdam, Bert Bakker, 1992, 88p.

ZIN

Sommige woorden geven eindeloos te denken. Bijvoorbeeld het woord ‘zin’. ‘Heb je zin?’ ‘Wat is de zin van die handeling, van het leven?’ ‘Vorm een zin.’ ‘Verzet je zinnen!’ ‘Die heeft geen zin voor humor, voor orde.’ ‘Zin’ omvat het meest concrete en het meest abstracte, gaat van het zinnelijke en zintuiglijke over in het geestelijke en bovennatuurlijke.

Het zinnelijke is wat onze zintuigen aandoet en streelt, het verschaft lust en trek, en maakt zo de zin uit van iets dat we ondernemen. We kunnen er onze zinnen op zetten en het als zinvol ervaren. Het zinvolle heeft betekenis en rijgt woorden aaneen tot een zin. Woorden blijven zinloos of zinledig, als ze geen bestaansgrond vinden in het zintuiglijke.

Misschien geeft ‘zin’ ons dat te denken: dat het meest spirituele een verankering in het zintuiglijke nodig heeft. Dat zou meteen betekenen dat het zinvolle gebonden is aan een lokale verankering en niet kan worden veralgemeend. Of andersom: dat de veralgemening van zin gepaard gaat met een ontworteling.

 

 

DE FARIZEEËR

De heerszuchtige toont waar hij ook opduikt, dezelfde tronie: een masker van schaamteloze arrogantie en wrede onverschilligheid. En overal wordt hij omringd door meelopers, onderkruipers en ja-knikkers.

‘Laat ons bidden’, zei de president. Hij bleef zitten, kruiste zijn handen en gaf het sein aan de hogepriester. Die bad: ‘Heer God, wij danken u voor deze president. Hij is een geschenk voor ons land en zal het weer groot maken.’

Ik weet niet of het gebed een plaats heeft in de politiek. Wel weet ik zeker dat het gebed niet bestaat uit een zelfverheerlijking, maar vraagt om de deemoedige erkenning van de eigen kwetsbaarheid.

Amerika is in handen van iemand die zich voor president uitgeeft. Alles waar hij met zijn vingers aanzit, verandert in smeerlapperij.

 

LUISTERLIED

Watou huldigt dit jaar Jacques Brel, die veertig jaar geleden zijn laatste plaat uitbracht en een jaar later stierf. Aan een muur zijn de hoezen van zijn elpees opgehangen en de teksten van zijn meest bekende chansons. Je kunt kijken en luisteren naar een tv-optreden: met de schalkse ode ‘au temps où Bruxelles bruxellait’ en met de stille mijmering over ‘les vieux’.

In die door Brel gevulde ruimte tref je ook Liesbeth List aan, die ‘Ne me quitte pas’ zingt – in de prachtige vertaling ‘Laat me niet alleen’ met de l-alliteratie, alsof haar naam cryptisch in het verzoek ingeschreven staat. Ik beluister een opname uit 1968 en weet opnieuw waarom ze mijn ster was: haar blonde haren, haar heldere stem en perfecte articulatie, haar treurige ogen en mooie lippen, haar bescheiden elegantie. Met een passie en zeggingskracht die Brel alle eer aandoen, zingt ze ‘Laat me niet alleen’, het gebroken prevelen afwisselend met de smekende hartstocht.

Nu moeten we ook van deze grande dame van het Nederlandstalige chanson afscheid nemen, omdat ze – zoals de media met enige schroom wisten te melden – aan geheugenverlies begint te lijden. Ik laat je niet alleen, LL, ik zing met je mee in elk lied van de onvolprezen langspeelplaat Pastorale.

ONVERGELIJKELIJK

Een hedendaags filosoof stelt dat de gruweldaden van IS erger zijn dan de gruweldaden van het nazisme. Het zou hier om een rationele benadering gaan.

Is dit rationeel? Of gewoon dom?

Van een zogenaamd rationele benadering verwacht je dat ze verklaart en uitlegt. Maakt de stelling dat IS gruwelijker is dan het nazisme iets duidelijk? Hebben we nu iets begrepen? Hebben we meer inzicht verworven in wat terroristen drijft? Weten we nu hoe we met hen moeten omgaan? Zijn we nu beter gewapend om de confrontatie aan te gaan? Kunnen we hen nu ontmoeten?

Lijstjes, van alles maken we lijstjes: het mooiste doelpunt van het afgelopen weekend, van het afgelopen seizoen; de beste tennisser aller tijden; de top honderd van het Nederlandstalige lied; de beste roman van de afgelopen 25 jaar; het beste stuk uit de klassieke muziek; enzovoort. En nu dus: de gruwelijkste gruwel.

De rationaliteit die zulke lijstjes opstelt, is een heel verschraalde en verarmde vorm van denken. Een rationaliteit die elke voeling met gewoon moreel fatsoen verloren heeft en een domme vergelijking produceert.

Dom en onfatsoenlijk: daar zijn wel meer voorbeelden van in deze bizarre tijden.

 

Huishouden – Jenny Erpenbeck

‘Het is altijd beter om een vreemde te zijn in den vreemde dan in je eigen huis’ – aldus een personage uit de roman Huishouden, waarin Jenny Erpenbeck op een heel eigenzinnige manier de geschiedenis van het twintigste-eeuwse Duitsland vertelt. De zin verklapt wat de personages te wachten staat: ontheemd te zijn in eigen land. Weinig woorden zijn hechter verbonden met de Duitse cultuur dan ‘Heim’ of ‘Heimat’, maar hoe kun je thuis komen, hoe kun je wonen in een land dat in minder dan een eeuw ten gevolge van twee zware militaire nederlagen zijn grondgebied gehalveerd ziet en in tweeën gesplitst wordt, dat een van de meest diabolische regimes uit de geschiedenis huisvest, dat zowel de razernij van extreem rechts als de waanzin van extreem links omhelst en uiteindelijk in hereniging naar een moeizaam eerherstel zoekt?

De titel van de Nederlandse vertaling geeft perfect de dubbelzinnigheid weer: ‘huishouden’ is de aangelegenheden van een gezin en een huis ter harte nemen én vreselijk te keer gaan, vernielingen aanrichten, plunderen. De Duitse titel ‘Heimsuchung’ zinspeelt op iets gelijkaardigs: het zoeken naar een huis verandert in een huiszoeking, omdat in het huis in kwestie een misdrijf gepleegd is; of nog: het bezoek verandert in een bezoeking, en een dergelijke beproeving kan rampzalige gevolgen hebben.

Huishouden vertelt het verhaal van een stuk grond aan een meer in de buurt van Berlijn. Door de jaren heen groeien er dezelfde heesters en bomen, nesten er dezelfde vogels, komen dezelfde dieren er langs. En toch verschilt de vlonder bij het meer in 1936 van de aanlegplaats in 1953, is het tuinhuis uit de jaren twintig niet het tuinhuis uit de jaren zeventig… Op uiterst subtiele manier geeft de auteur te verstaan hoe de Duitse geschiedenis de inwoners van Duitsland ontheemdt.

De roman begint rond de eeuwwisseling, wanneer de lokale schout wekelijks met zijn vier dochters in een rijtuig door het dorp paradeert en een bezoek brengt aan de grond die hij geërfd heeft van de grootvader van zijn grootvader, die eveneens schout was. De twintigste eeuw heeft de draad van de traditie gebroken en sindsdien lopen de mensen rond in een wereld die ze niet meer herkennen. Toch houdt Erpenbeck geen verdoken pleidooi voor de goeie ouwe tijd, want haar verhaal komt op gang doordat één van de dochters van de schout geestesziek wordt en zelfmoord pleegt. Misschien suggereert de roman wel dat een obsessionele aandacht voor het eigen huis gedoemd is om faliekant af te lopen?

 

Jenny Erpenbeck, Huishouden. Amsterdam, Van Gennep, 2009, 172p.

DE STAAT VAN DE WERELD – VERVOLG

De zegetocht van de westerse beschaving gaat onverminderd voort,

want Het Witte Huis acht de woorden ‘fucker’ en ‘cocksucker’ niet langer geschikt, althans niet voor externe communicatie…

want zogende moeders worden op de grenzen van het toelaatbare gewezen…

want onze premier wil een rechtvaardige belasting en belast daarom de rijken niet…

want treinreizigers worden eindelijk aangesproken zoals het hoort…

want in het voetbal circuleren voortaan de juiste vergoedingen: Neymar is dan ook honderd keer beter dan Cruyff…

want de ontradingscampagne voorkomt bij vluchtelingen het aanzuigeffect – we kunnen ze wel niet allemaal opvangen, toch?

want de herdenking van de slag bij Passendale wordt op tv door een miljoen kijkers gevolgd, en die zien dat oorlog een ‘schoon spektakel’ kan zijn – ‘we will not forget’…

 

BOKRIJK

Vorige week had mijn vrouw het lumineuze idee om nog eens Bokrijk te bezoeken. En zo geschiedde: we keerden terug naar de vervlogen tijd van het agrarische Vlaanderen. We liepen er als vreemdelingen rond in het verleden van ons eigen land: toeristen tussen de uit leem opgetrokken hoeven, de reusachtige schuren, de wind- en watermolens.

Tot we in de nieuwe site aanbelandden: een plein met gebouwen uit de jaren zestig, de sixties. Plots kom je thuis: in de sigarettenwinkel waar de sigaretten aanbevolen worden door een vrouw met het meest bevallige gezicht en gekleed in een tijgerpakje, in de Algemene Spaar- en Lijfrentekas die van elk huis een spaarpot maakt, in de cafés met jukebox met plaatjes van France Gall en Louis Neefs of in de studentenkroegen met hoge taboeretten en aan de muur foto’s van anti-Vietnam betogingen. Je treedt binnen in interieurs zonder kleurentv en kijkt naar Echo met Bob Van Bael en Miel Louw, die rapporteren over de nieuwe haarsnit die jongens en meisjes onherkenbaar maakt – “Dag juffrouw! O excuseer, u bent een meneer…” – en over het eerste jazzfestival in Bilzen. Je loopt verder naar de keuken met de nieuwste elektrische apparaten in de pastelroze en -gele kasten. Ten slotte ga je langs in de speelgoedwinkel met de dinky toy autootjes (een Vauxhall, een Volkswagen camionette) en de postkaarten met portretten van coureurs – mijn jeugdheld Rik Van Looy, de keizer van Herentals, met zijn wegkapitein Edgar Sorgeloos.

En je weet niet wat je meemaakt: het lukt niet meer om als een toerist in dat verleden rond te lopen, want je bezoekt je eigen leven, je betast je eigen souvenirs, je ontmoet jezelf. Als een zestigjarige zichzelf als tiener tegenkomt, geraakt de tijd in een knoop, terwijl emoties alle kanten op willen.