GEDICHTENDAG 2020

Ik kan geen postzegels verzamelen

ik kan geen vrouwefoto’s verzamelen

ik kan geen amourettes kollektioneren

en geen wijsheid

ik kan niets meer

ik kan niets meer

 

Waarom doof ik de lamp niet

en ga ik niet te bed

 

Ik wil beproeven

naakt te zijn

bloot wie weet wel gevroren purper

en bleekheid

 

Is zo niet het gans beginnende begin

 

Ik wil niets weten

ik wil niet vragen

 

waarom

ik niet werd een postzegelkollektioneur

 

Ik zal beginnen mijn débâcle te geven

ik zal beginnen mijn faljiet te geven

ik zal mij geven een stuk gereten arme grond

een vertrapte grond

een heidegrond

een bezette stad

 

Ik wil bloot zijn

en beginnen

 

 

Paul van Ostaijen, De feesten van angst en pijn (1921).

 

DE BLIJDE BOODSCHAP

En het gebeurde in die dagen dat de verwanten van D&A elkaar opzochten om de overgang van het oude naar het nieuwe jaar te vieren: de twee dochters van A met hun vriend, de dochter van D, en zijn zoon met vriendin. En hun weerzien was hartelijk. Terwijl ze fonkelwijn dronken en zich te goed deden aan warme versnaperingen uit de oven, vertelde de jongste van A wat ze al enkele weken verborgen hield: dat ze een kind draagt en al in de derde maand is. En de blijdschap om dit heuglijke nieuws was oprecht.

Zo is het ooit verteld – met de voorgeschreven plechtstatige ernst. Wij zijn intussen nuchterder geworden, prozaïscher. We schuwen de dure woorden. En toch! Het leven gaat door, ja zeker, de stamboom zet uit, ongetwijfeld – de moeder van A wordt overgrootmoeder. Maar niet alleen het leven wordt doorgegeven, met het leven ook geloof, hoop en liefde – de misschien bedreigde, maar nooit verdwenen dieptestructuur van ons mens-zijn.

Welkom, nieuweling, in ons midden.

 

DRUPPELKOT

Jenever, oude en jonge, graan en fruit, uiensoep met stukjes brood en kaassnippers, warme chocolademelk, hamburgers met mosterd –

 

Dit zijn de ingrediënten voor het Druppelkot,

het jaarlijks bacchanaal in Matadi –

 

En mensen die elkaar oprecht het beste wensen, want ze weten dat de studerende jongeren nog examens hebben, dat een kleintje op komst is, dat een kind in het ziekenhuis ligt, dat de vrouw van kanker herstelt, en ze weten veel niet –

 

Daarom van ganser harte de allerbeste wensen –

 

Met de jeugd van de wijk verzameld rond de vuurkorven –

De warme gloed

Heel

Even

Heel

NIEUW JAAR

Een kleine witte zon licht nauwelijks op achter de lage flarden nevel waartussen blauwe stroken de lucht kleuren. Onmerkbaar traag verdwijnen de heuvels in de mist. Grillig en donker bakenen de wilgen de horizon af en zetten zwarte tekens rond de velden die er verlaten en onverzorgd bij liggen. Meeuwen scheren in stilte over het land, kraaien lopen verloren tussen rokerige mesthopen. Aan een scheve stal kijken vijf ezels mij verbluft aan, hun dikke vacht donzig van het winterse nat. Ik knik ze toe, want ik begrijp er evenmin iets van. Opnieuw is een jaar voorbijgegaan.

 

 

KERST 2019

Qué mayor veracidad

que ceder nuestra palabra a lo desconocido,

bajando las defensas consuetudinarias

y abandonando la guarida

de las cortas sinceridades aleatorias?

 

Qué mayor sinceridad

que hacer a un lado aquello que se sabe

y dejar que hable en uno,

aunque sea sin uno,

aquello que no se sabe?

 

 

Roberto Juarroz, Elfde verticale poëzie. Leuven, Uitgeverij P, 2001, p. 28.

 

 

Bestaat er grotere waarachtigheid

dan ons woord te geven aan het onbekende

door het gangbare verweer te staken

en het hol van de kortzichtige, toevallige openhartigheid

te verlaten?

 

Bestaat er grotere oprechtheid

dan wat je weet terzijde te schuiven

opdat in jou, zelfs buiten jou om,

het woord zou nemen

wat jij niet weet?

DE METAFOOR

Je hebt ze nog in nagenoeg elke gemeente: De Bonten Os, Het Wit Peird, De Oude Tijd – cafénamen uit de oude doos. Cafés krijgen vandaag andere namen, het zijn inns geworden of pubs, die Tempo heten of L’Heure Exquise of gewoon uitpakken met een lettercombinatie. Maar het oubollige heeft niet alleen plaats gemaakt voor het blitse, het is ook vervangen door het wat meer reflectieve. Er zijn nu namen als De bibliotheek, De paradox, De metafoor. Cafés, waar mensen samenkomen om te praten, nemen de naam aan van een retorische figuur. Het understatement zou niet misstaan, Het pleonasme evenmin, De hyperbool lijkt mij een voltreffer. Voorlopig doen we het met De metafoor. Het aan het Grieks ontleende woord betekent letterlijk ‘de overdracht’. Betekenis wordt overgedragen: bijvoorbeeld ‘het schip van de woestijn’ als aanduiding van ‘de kameel’ – zoals een schip zich op de uitgestrekte zee beweegt, zo beweegt de kameel zich in de uitgestrekte woestijn. Maar er vindt nog andere overdracht plaats: van gevoelens, van ideeën, van centen, van het vocht in de kan naar het vocht in… Een geschiktere naam is er niet: de metafoor onthult de waarheid van het kroegwezen.

STRIJKIJZER

De eerste Franse woorden die ik kende, waren traction avant. Ze verwijzen naar de specifieke motortransmissie van de Citroën die mijn ouders in mijn geboortejaar 1954 kochten. Er school een nauwelijks verhulde trots in die woorden: wij beschikten over de auto van de toekomst, geen achterwielaandrijving, met een vlakke bodem, en veilig om te rijden, vooral in de bochten.

Alleen produceerde Citroën in 1955 een model dat onze auto diskwalificeerde als hopeloos verouderd. Dit nieuwe model, DS, werd door ontwerpers uitgeroepen tot ‘de mooiste auto aller tijden’: het gleed door de straten, zweefde over de wegen van het land – een godin gelijk.

Onze auto met de op de motorkap gemonteerde koplampen en de deuren die van voor naar achter opengingen, was plots vooroorlogs. DS, met de initialen van onze familienaam, was een vermomde wraakgodin, een nemesis. Nee, de volksmond had gelijk: DS stond voor strijkijzer.

MARTHE

Vorige week is Marthe begraven, de buurvrouw uit mijn geboortestraat en de moeder van jeugdvrienden. We hadden elkaar al jaren niet meer gezien, maar ik had altijd de wens uitgedrukt om aanwezig te zijn op de begrafenis van de vrouw die ik als mijn tweede moeder beschouw.

Tijdens het eetmaal na het bezoek aan het kerkhof halen we herinneringen op: aan de warme gastvrijheid van hun moeder, aan de droge, laconieke humor van hun vader. En aan ons gezamenlijk spel: de zandbak in hun tuin, de metershoge zilverspar in de onze, de beek verderop in het veld, onbeduidend maar met een sluis, de zompige vijver vol kikkerdril, de gewezen steenbakkerij, het kleine bosje achter het kasteel. Zij maakten de omgeving uit waarin we met de zegen van onze ouders opgroeiden en onze verbeelding vrij spel gaven. Het was allemaal erg lang geleden, meer dan een halve eeuw, en toch was het alsof we klaar stonden om het opnieuw te beleven. De gevoelens van onafscheidelijke verbondenheid waren intact gebleven.

Zo veel is intussen gebeurd, maar die oudste impressies staan onuitwisbaar in ons gemoed gedrukt. Wij, mensen, zijn een palimpsest, een altijd opnieuw beschreven vel. De oorspronkelijke letters, die in het perkament van ons geheugen geschreven staan, blijven leesbaar, welke tekst er later ook aan toegevoegd wordt. Ze opnieuw lezen is een aparte ervaring: nooit komt lezen dichter bij leven.

 

AAN HET VENSTER

Le peintre de la fenêtre: zo werd Henri De Braekeleer genoemd. Zijn werk wordt nu geëxposeerd in Namen.

Je kijkt op de rug van een man die door het openstaande venster naar buiten kijkt. Hij bevindt zich in een kamer, maar is volledig gekleed, met overjas en hoed. Hij kijkt een smalle straat in, langs een witte bakstenen muur. In de ruit van het openstaande venster zie je een hoofd, maar dat hoofd is niet de weerspiegeling van zijn hoofd. De figuur in de ruit houdt het hoofd anders en draagt een andere hoed. Is het een vrouw? Is het de vrouw op wie de man in de kamer wacht, naar wie hij uitkijkt? Of het is een vrouw aan wie hij denkt? Die hem verlaten heeft, die misschien overleden is?

Je kijkt op de rug van een vrouw die door het openstaande venster naar buiten kijkt. Zij zit op een stoel in een kamer, een oorbel in de rechteroor, het haar keurig opgestoken en in een netje samengehouden. Haar linkerhand ligt op de vensterbank, haar rechter in haar schoot, maar het stille leven dat zij kijkend uitstraalt, lijkt uit die handen verdwenen. Zij kijkt naar buiten, naar een plein met winkels, één iemand kijkt in een etalage, maar verder is het plein leeg, verlaten.

Je kijkt naar een man en een vrouw die kijken. Maar er schuilt geen verlangen in hun kijken, het is geen uitkijken. Het is wachten, geen verwachten. Je kijkt naar een witte muur en een leeg plein en je ziet hoe uitzichtloos traag de tijd verstrijkt.

STOMPZINNIG

Geeft het ons te denken? Dat we geen gesprek meer voeren?

In Syrië spreken de wapens, zoals dat met een bedenkelijke metafoor heet, want als alleen de wapens spreken, verstommen de wetten – inter arma enim silent leges; als alleen de wapens spreken, zwijgen het overleg en de bedachtzaamheid; als alleen de wapens spreken, heerst de zinloosheid van dodelijk geweld.

Dat we niet meer kunnen bemiddelen? Dat elk gesprek eindigt in een dovemansgesprek? Het Britse Lagerhuis is een aanfluiting van wat een parlement geacht wordt te zijn. Het House of Commons heeft niets gemeenschappelijks, enkel verdeeldheid: er is geen communicatie. ‘Unlock’ brengt niets teweeg, alles zit muurvast.

Dat we niet meer onderhandelen? In Spanje wordt vrijheid gelijkgesteld met afscheiding en gerechtigheid met repressie. Verschil wordt niet overbrugd, een mening verandert in een fanatieke slogan.

Geeft het ons te denken? Dat de taal die volgens sommigen het menselijke bij uitstek is, verloedert tot botte uitroepen?