DRESDEN

Zijn gestotter aanhoren, zijn gestotter zien – ik vond het onverdraaglijk. De broer van mijn moeder kwam vaak bij ons op bezoek, maar luisteren naar zijn gebroken zinnen die door mijn ouders werden aangevuld, kon ik niet aan. Ik holde de tuin in. Voor de oorlog kon je er geen speld tussen krijgen, zei mijn moeder, hij kon alles haarfijn uitleggen. Na de oorlog kwam hij thuis met een afschuwelijke spraakstoornis: hij bleef niet haperen aan bepaalde klanken, het was alsof hij in zijn woorden stikte. Het leek alsof hij niet durfde zeggen wat hij wou zeggen, en daarom de woorden die in zijn mond bleven steken, bij voorbaat wou inslikken. Alsof hij zichzelf vervloekte omdat hij het had over de aardappelen in zijn moestuin, of over het gebrek aan organisatie bij de telefonie waar hij werkte, en niet over dat andere, dat onvoorstelbare, dat onzegbare. De oorlogsjaren, die hij om een geheimzinnige reden in Duitsland heeft doorgebracht, hebben hem verwoest, hebben van hemzelf, van zijn ziel, een ontoegankelijk mijnenveld gemaakt. Nu, op de begrafenis, vertrouwt zijn jongste broer mij toe dat hij het bombardement op Dresden heeft meegemaakt. In de nacht van 13 op 14 februari 1945, vandaag 73 jaar geleden, werd de barokstad door de Geallieerden in een vuurstorm vernield. Mijn oom zal nooit bij de tienduizenden slachtoffers gerekend worden, hij is er niet gestorven, zijn leven is er gestopt.

 

ICARUS

In de zon verbrand ik, zegt hij. Het gebeurt wel vaker dat in zijn uitspraken meerdere lagen verborgen zitten. Hij bedoelt niet alleen dat hij een gevoelige huid heeft. Maar ook dat hij het verhaal van Icarus kent en niet te pletter wil storten. En dat hij een plaats wil bekleden die om een minimale geheimhouding vraagt, om een oponthoud in de luwte. Dat hij wil handelen vanuit de vrijplaats van een schaduw.

Niet de duistere cenakels van de macht die het daglicht niet verdragen, wekken zijn interesse. Maar gaandeweg daagt bij hem het besef dat je misschien echt iets kan verwezenlijken als je in een eerste fase het al te felle licht van de openbaarheid mijdt. Hij zoekt niet de duisternis die verstopt en wegmoffelt, maar de schaduw die beveiligt en behoedt.

In de zon verbrand ik, zegt hij, als het ware langs zijn neus weg. En die gelaagde uitspraak baadt in de schaduw die ze zelf werpt.

 

GEDICHTENDAG 2018

 

Een zwemmer is een ruiter

 

 

Zwemmen is losbandig slapen in spartelend water,

is liefhebben met elke nog bruikbare porie,

is eindeloos vrij zijn en inwendig zegevieren.

 

En zwemmen is de eenzaamheid betasten met vingers,

is met armen en benen aloude geheimen vertellen

aan het altijd allesbegrijpende water.

 

Ik moet bekennen dat ik gek ben van het water.

Want in het water adem ik water, in het water

word ik een schepper die zijn schepping omhelst,

en in het water kan men nooit geheel alleen zijn

en toch nog eenzaam blijven.

 

Zwemmen is een beetje bijna heilig zijn.

 

 

Uit: Paul Snoek, Hercules. (1958)

 

STRAATARM

Het wacht mij op in de kelder van Petit Palais in Parijs. Het is een schilderij van een mij onbekend schilder, Fernand Pelez. Het stelt een moeder voor die met vijf kinderen op straat leeft: drie kinderen slapen op jute zakken, een vierde krijgt de borst, een vijfde zit helemaal links in de hoek en kijkt mij, zoals de moeder, recht in het gezicht – met ogen als van een dode. Het middelpunt van het doek, waar de twee diagonalen elkaar kruisen, wordt ingenomen door de zuigeling die op het hoofd een wit kapje draagt. Dit wit vangt en weerkaatst het licht, maar dit lichtpuntje wordt op de rest van het doek overschaduwd door vale en vuile kleuren. Links boven het hoofd van de vermoedelijk oudste jongen hangt een affiche die een Grande Fête aankondigt. Twee woorden op een verkleurde en gescheurde affiche volstaan om een onoverbrugbare maatschappelijke kloof zichtbaar te maken. Het schilderij dateert uit 1883 en heet Sans asile.

BERCEUSE VOOR TF

 

Meneer Theo Francken, welterusten.

Slaap maar lekker in je mooie nette huis.

Denk maar niet te veel aan al die verre kusten

waar ook mensen zitten, eenzaam, zonder thuis.

Denk maar niet aan al die mensen die verrekken,

hoeveel vrouwen, hoeveel kinderen zijn vermoord.

Droom maar dat u aan het langste eind zult trekken

en geloof van al die tegenstand geen woord.

En u zult toch ook zo langzaamaan wel weten

dat er mensen zijn die ziek zijn van geweld,

die het leed en de ellende niet vergeten

en voor wie nog steeds een mensenleven telt.

Droom maar niet te veel van al die dode mensen,

droom maar fijn van overwinning en van macht.

Denk maar niet aan al die vredeswensen,

meneer Theo Francken, slaap zacht.

 

 

(Vrij naar Lennaert Nijgh en Boudewijn de Groot)

 

 

KERSTWENS 2017

Wees niet bevreesd wanneer de vlagen gaan

rondom uw huis – het is uw aards verblijf.

Wees niet bevreesd als ziekte u komt slaan –

uw lichaam was altijd een aards verblijf.

Zonder bekommernis laat u ontgaan

roem, eer en staat; zij zijn een aards bedrijf.

Maar wees bevreesd wanneer de tranen gaan,

de bevende, om wat is aangedaan

door u.

De liefde is uw eeuwige verblijf.

 

 

 

Ida Gerhardt, Verzamelde gedichten. Athenaeum – Polak & Van Gennep, 2001, p. 389.

EWA JA

 

Naar verluidt, hebben Vlaamse leerlingen een leesachterstand in vergelijking met hun leeftijdsgenoten in andere Europese landen. Dat is toch haast niet te geloven, als je bedenkt hoe de leerlingen in Vlaanderen gestimuleerd worden om creatief met taal aan de slag te gaan en hoe die creativiteit uitmondt in vondsten als ‘ewa ja’. Ruud Hendrickx, redacteur van het Van Dale-woordenboek, wijst erop dat ook in de afgelopen jaren de uit tienduizenden woorden bestaande woordenschat van de Nederlandse taal verrijkt is met pareltjes van vernuft: ‘wajo’, ‘beire’ en ‘boeieeeuhh’. Ach, wie maalt om lezen, als je zo kan scheppen?

 

RADICAAL

Radicaal worden ze genoemd, ze zouden moeten deradicaliseren of gederadicaliseerd worden. Zoals vaak, verraadt een vreemde woordenschat een verwrongen kijk. ‘Radicaal’ is afgeleid van ‘radix’, het Latijnse woord voor ‘wortel’. Het radicale heeft wortels. Hebben de IS-strijders wortels? Zijn ze niet eerder ontworteld? Losgeslagen? Zo ontworteld dat ze bereid zijn om gelijk wat te doen: vrouwen verkrachten, zichzelf opblazen, ziekenhuizen bombarderen, Palmyra verwoesten…

Mensen hebben wortels nodig: in de samenleving, in de familie, bij vrienden, in de taal die ze spreken, in herinneringen, in beloftes… De ontwortelde voelt zich nergens thuis, heeft geen enkele band, voelt zich met niets of niemand verbonden. Heeft verleden noch toekomst, en voltrekt wat nooit zou mogen gebeuren, nu.

 

DE KERSTRUÏNE

Weinig evenementen vind ik zo irritant als de kerstmarkten die sinds enkele jaren in de maand december de pleinen en parken van steden inpalmen. Ik verfoei die schijnbaar niet te verzadigen drang tot commercialisering en die grenzeloze hang naar opgeklopte joligheid. Het geloof in de geboorte van een goddelijke redder hebben we als een achterhaalde leugen verworpen, maar we verwelkomen een dikbuikige goedzak. We vieren vrede op aarde door schnaps te drinken, oliebollen te eten en debiele cadeaus uit te wisselen. Hoe afkerig men ook staat tegenover (het verleden van) de kerk, ik begrijp niet dat men potentieel zinvolle rituelen zo laat uithollen. Traditioneel konden feesten ook momenten van verstilling zijn: Allerzielen bijvoorbeeld of Kerstmis. Maar Allerzielen is verdrongen door Halloween, de zielen verjaagd door zombies, en de heiligheid van de stille nacht heeft plaats gemaakt voor de veiligheid van een rendier met rode neus. Met de herdertjes die lagen bij nachte en de sterre die bleef stille staan, is kitsch altijd een onderdeel geweest van het kerstgebeuren, maar ik heb het gevoel dat die vroeger ingebed lag in een overkoepelend verhaal. Nu lijkt die kitsch alles te overwoekeren en elke betekenis te ruïneren.

 

28 NOVEMBER

Op 28 november zou hij 106 geworden zijn. Maar hoewel hij al 47 jaar dood is, hef ik op zijn verjaardag het glas met zijn lievelingsdrank: cognac. En zo hebben we een gesprek: over de koers, de Ronde van voor de oorlog met de gebroeders Maes, over de rivaliteit tussen Gino Bartali, de vrome, en Fausto Coppi, de man van de wereld met zijn Donna Bianca, of die tussen Fred De Bruyne en Rik Van Looy, en over de diefstal van ‘De rechtvaardige rechters’, het paneel van Het Lam Gods, en de mysterieuze betrokkenheid van Arsène Goedertier, de koster uit Wetteren, en over de oorlog, hoe het Belgische leger absoluut niet uitgerust was om de Duitse Blitzkrieg te weerstaan, hoe ze bij de artillerie, waarvan hij deel uitmaakte, nauwelijks obussen hadden en hoe hij krijgsgevangen genomen werd aan de Leie in Deinze, of over de repressie, hoe jammer hij het vond dat Albert Servaes na de oorlog België moest ontvluchten, want hij hield wel van zijn schilderijen, zoals ‘Communicanten op weg naar de mis’ met het lieflijke kerkje van Afsnee, waarvan een kopie in onze living hing. En hij zegt mij eens te meer ‘Doe wel en zie niet om’. Ik vertel hem wat er na zijn dood gebeurd is: over mijn studies, over mijn huwelijksleven, over mijn kinderen – en om het verhaal af te maken: over Tom Boonen en dat Het Lam Gods nu al jaren gerestaureerd wordt. Nooit houdt het op, want vader is een comparatief zoals nader.