JONG GELEERD

Wie was ik als zevenjarige? Met die vraag word ik geconfronteerd na het bekijken van 63 up, de documentaire reeks van Michael Apted, waarin mannen en vrouwen om de zeven jaar uitgenodigd worden voor een gesprek over het leven. Die mannen en vrouwen zijn mijn generatiegenoten, ik werd zeven in 1961. Wat zou ik toen gezegd hebben? Of welke uitspraak van toen zou ik nu herhalen, bevestigen, herkennen?

Op mijn zevende zat ik in het tweede leerjaar, bij meester Gerard, ik ben zijn familienaam vergeten, een zachte dikke reus die zich op zonnige dagen liet verleiden om met ons, de jongens van zijn klas, mee te spelen. In zijn vrije tijd imkerde hij en in de klas kon hij eindeloos over de bijen vertellen, niet om ons te introduceren in de theorie van de voortplanting – dat was voor veel later, in de humaniora! – maar over hoe ze honing maken, over werkbijen en darren en de mysterieuze koningin. Hij bracht bloemen mee naar de klas, want hij vond het niet gepast dat we bloemen leerden kennen via tekeningen in een boek. We mochten ze aanraken en eraan ruiken. We zagen hoe de fel gekleurde meeldraden van de lelie streepjes zetten op onze vingers en we genoten van de geur van het meiklokje.

Misschien had hij alles geleerd van de bijen? Zijn lessen heb ik tot mij genomen als ambrozijn. Want hoewel je in je jeugd vooral vooruitkijkt, van het tweede leerjaar naar het derde, van de lagere school naar de middelbare, herinner ik mij als de dag van gisteren hoe hij in de klas zijn imkerkap opzette en wij als zoemende bijen rond hem dansten. Kennis begint met liefde.

VLAAMSE CANON

De afgelopen dagen heeft de zorg voor de Vlaamse canon mij ook bezig gehouden. Ik heb iets op papier gezet. Hier volgt een eerste versie. Een probeersel. Een reeks namen in alfabetische volgorde – voor de duidelijkheid.

 

Abraham, Alexander, Almodovar, Amundsen, Antigone, Apollo, Arendt, Aristoteles, Armstrong, Athene, Augustus, Auschwitz,

Bach, Barcelona, Beckett, Beethoven, Bergman, Berlijn, Brancusi, Brel, Brontë,

Caesar, Cervantes, Chaplin, Churchill, Cicero, Columbus, Cook, Copernicus, Cordoba, Crick, Curie,

Damascus, Darwin, Debussy, Delphi, Descartes, Dionysus, Dostojevski, Dresden,

Eichmann, Einstein, Eisenhower, Eisenstein, Erasmus, Euclides,

Faulkner, Faust, Flaubert, Franciscus, Freud,

Gagarin, Galilei, Gandhi, Gaudi, Gauguin, Gettysburg, Giacometti, Giotto, Gödel, Goethe, Goya, Granada, Guernica,

Hadrianus, Hamlet, Hawking, Haydn, Heidegger, Heisenberg, Hiroshima, Hitler, Homerus,

Ibsen, Isaac,

Jefferson, Jeruzalem, Jezus, Johannes, Judas,

Kafka, Kant, Kepler, Klee, Kurosawa,

Lanzmann, Le Corbusier, Leonardo, Levinas, Lincoln, Linnaeus, Lucas, Lumumba, Luther,

Madrid, Magelhaen, Mandela, Manet, Mann, Mao, Marcus, Marquez, Marx, Mattheus, Mekka, Michelangelo, Mohammed, Molière, Monet, Monteverdi, Mozart, Mozes, Multatuli,

Napoleon, Nero, Newton, Nietzsche, Normandië,

Oedipus, Oslo, Ovidius,

Parijs, Pascal, Pasolini, Pasteur, Paulus, Pericles, Petrarca, Petrus, Picasso, Planck, Plato, Praag, Proust, Pythagoras,

Raphael, Ravel, Rembrandt, Rilke, Rimbaud, Robespierre, Rome, Roosevelt, Rotterdam, Russell,

Saladin, Sartre, Seneca, Shakespeare, Smith, Socrates, Sophocles, Sparta, Stalin, Stanley, Stockholm,

Tacitus, Tarkovski, Toledo, Tolstoj, Troje,

Van Gogh, Velasquez, Venetië, Venus, Verdun, Vergilius, Vermeer,

Wagner, Watson, Wittgenstein,

Zadkine, Zeus, Zola

 

LEZEN

Ze was geïntrigeerd door mijn liefde voor lezen. ‘En lees je vooral filosofie of ook fictie?’ Toen corrigeerde ze haar vraag, omdat ze begon te vermoeden dat het lezen zelf – los van wat ik lees – mij zo in de ban houdt. ‘Wat trekt je zo aan in het lezen?’

‘Het beste antwoord daarop,’ zei ik, ‘heb ik gelezen, wat had je gedacht?, in een gedicht van Ida Gerhardt. Ik ken het niet van buiten, maar de titel is “Onvervreemdbaar”. Niemand kan mij beroven van wat ik lees, vandaar… En Gerhardt zegt ook dat het in eenzaamheid gebeurt, maar dat je al lezend wel mensen van alle eeuwen ontmoet.’

Ik bleef het antwoord schuldig, maar hier is het – in al zijn sterkte.

 

Onvervreemdbaar

 

Dit wordt ons niet ontnomen: lezen,

en ademloos het blad omslaan,

ver van de dagelijksheid vandaan.

Die lezen mogen eenzaam wezen.

 

Zij waren het van kind af aan.

 

Hen wenkt een wereld waar de groten,

de tijdelozen, voortbestaan.

Tot wie wij kleinen mogen gaan;

de enigen die ons nooit verstoten.

 

Meester Breugel,

Het is haast niet te geloven dat u 450 jaar geleden van ons heengegaan bent. Uw doeken lijken in het afgelopen decennium geschilderd.

De val van Icarus of hoe de wereld geen acht slaat op een catastrofale gebeurtenis –

Dulle Griet of hoe alles verwoestende en niets ontziende terreur van geen ophouden weet –

De parabel der blinden of hoe we eendrachtig de sloot in sukkelen, onze ondergang tegemoet.

Er is ook wel wat veranderd. U leefde in wat de kleine ijstijd is gaan heten. Nu maken we een klimaatopwarming mee. We kijken met een mengeling van verwondering en nostalgie naar uw prachtige winterlandschappen en ijsschaatstaferelen. En ja, De kinderspelen, ik moet u zeggen: kinderen spelen zo niet meer, en zeker niet buiten, ze zitten binnen en vergapen zich aan wat het best kan worden omschreven als een lichtbuis.

Sommigen hebben van u een vrolijke kwast gemaakt, bijna een lolbroek. Excuus daarvoor. Ze zien uw verontwaardigde treurnis niet. Maar u weet dat mensen het moeilijk hebben om iets naar behoren te beoordelen en zich graag gedachteloos vermaken. Velen hebben schijt aan de wereld, zoals u meer dan eens hebt uitgebeeld.

Tot slot: het kerkje in Pede staat er nog altijd.

 

Met hoogachting

GEHOOR

Reclame in welke vorm dan ook interesseert mij nauwelijks. Ze is mij doorgaans te sloganesk, te voorspelbaar, te middelmatig. Nu zag ik op straat een affiche voor Awel, een organisatie die zich voorneemt om naar kinderen en jongeren met een verhaal, een vraag, een probleem te luisteren. Awel zoekt vrijwilligers om precies dàt te doen: met jongeren praten of chatten. Op de affiche staat een prachtige zin: ‘De beste schuilplek voor jongeren die geborgenheid zoeken, is een luisterend oor.’ En een aandoenlijk beeld: de binnenkant van een oorschelp dient als schommelstoel voor een kind.

Een schuilplek is een plek waar je beschutting zoekt en krijgt – tegen gevaar of tegen onraad – en een plek waar je ongezien aanwezig kunt zijn. Niet alleen kinderen of jongeren, maar ook volwassenen voelen zich maar geborgen, als ze gehoord worden en gehoor vinden. Als ze hun verhaal kwijt kunnen en hun verwoorde ervaringen erkend worden. Wonderlijk genoeg kan dat gehoor ook door een onbekende geboden worden. De intimiteit van een oor volstaat.

GASTVRIJ

Voor het zesde jaar op rij ben ik naar Saint-Etienne-des-Sorts gereisd, een dorpje in Zuid-Frankrijk, in het departement Gard, waar ik gedurende een week een cursus geef over een filosofisch onderwerp. Na zes jaar ken ik blindelings de weg die zich, omzoomd door platanen, door de eindeloze velden met wijnranken slingert naar het dorp, dat tegen de Rhône aan geschurkt ligt. Vlak voor de steenweg versmalt tot een nauwe doorgang tussen oude huizen en een kerk, moet ik aan de rotonde een kleine straat in waar een indrukwekkende ceder mij opwacht. Aan de overkant ligt mijn bestemming: het Centre Erasme, een voormalige wijnboerderij, nu ingericht als een oord van bezinning en gesprek. Het is thuiskomen – in de ommuurde binnenplaats, waar de gastvrouw en –heer, allebei dertigers, mij met een glas rode wijn welkom heten.

Een gastvrije ontvangst wordt niet alleen door mensen geschonken, maar ook door het huis waarin ze wonen. In de hartelijke welkomstwoorden klinken de omgeving door, de vertrouwde dingen, de in zandsteen opgetrokken woning, de oleanders met witte en roze bloemen, de vijgenboom, de kruidtuin met lavendel en rozemarijn. In onze gastvrijheid zijn wij, mensen, aangewezen op de dingen die ons omringen met de rust van hun stille aanwezigheid.

ONSCHULD

In de reeks zomerfilms werd deze week The Age of Innocence van Martin Scorsese uitgezonden. Een film met een merkwaardig einde…

Dertig jaar lang leeft Newland Archer in een kwellende tweespalt. Hij is getrouwd met May Welland, de vrouw die de beau monde van New York voor hem gekozen heeft, maar hij houdt van Ellen Olenska, een vrouw die dezelfde maatschappelijke elite weliswaar in haar exquise midden duldt, maar die er voortdurend op subtiele en tegelijk hardvochtige manier aan herinnerd wordt dat ze een faux pas begaan heeft door haar man te verlaten. Dertig jaar lang betreurt hij die keuze en dertig jaar lang heeft hij het gevoel dat hij zijn wettige echtgenote bedriegt, hoewel de hartstochtelijke erotiek met zijn geliefde nooit in bed eindigt. Hij vervreemdt van zijn vrouw, omdat ze in haar naïviteit nooit iets lijkt te vermoeden en nooit lijkt te twijfelen aan de sociale regels die haar wereld ordenen. Hij dicht haar een gebrek aan verbeelding en inlevingsvermogen toe. Tot ze sterft… en hij verneemt (van zijn oudste zoon) dat ze al die tijd wel weet gehad heeft van zijn platonische verhouding.

De film eindigt, maar een groot psychologisch probleem blijft onopgelost. Hoe moet Newland Archer verder? Hij kan niet anders dan de mening over zijn vrouw herzien: ze blijkt niet zo naïef. Maar kan hij dankbaarheid voelen, omdat ze zijn verdoken affaire door de vingers gezien heeft? Of voelt hij zich eens te meer opgelicht omdat zij nooit erkend heeft dat hij ondanks alles bij haar gebleven is? Opgelicht ook, omdat ze er wel voor zorgt dat hij na haar dood op de hoogte gebracht wordt en zij dus het laatste woord heeft? Wat belichaamt May Welland: een levenslange liefde of de ultieme wraak?

AFSCHEIDSWOORDEN

We schenken er nauwelijks aandacht aan, maar afscheidsgroeten hebben iets aandoenlijks. Zelden spreken we zo intens onze zorg voor elkaar uit, al is de uitdrukking vaak verbasterd.

‘Bye’ of ‘Bye-bye’ lag enkele jaren geleden in de mond van velen. Het is de afkorting van ‘Goodbye’, waaruit het oorspronkelijke ‘God be with you’ bijna verdwenen is. Zoals in het Nederlandse ‘Ajuus’ of ‘Ade’ de Franse wens ‘Adieu’ nauwelijks overleeft.

‘Vale’ zeiden de Romeinen, of ‘Salve’. De imperatief gaf uiting aan een wens en een verzuchting, zoals in ‘Stel het wel’. Het Engelse ‘Take care’ zegt eigenlijk hetzelfde: ‘Pas goed op jezelf’.

In de zachte aanmaning ‘Pas goed op jezelf’ steekt zo veel gevoel: ik vertrouw erop dat je op jezelf let, ik weet dat je dat kunt, doe het voor mij want ik wil je heelhuids terugzien, wees voorzichtig want ik zie je graag.

‘Het ga je goed’ verwoordt een zuivere wens die bovendien te kennen geeft dat we in de zorg voor onszelf wat geluk nodig hebben. God wordt niet meer genoemd, maar ‘het ga je goed’ beseft dat we ‘het’ niet helemaal in handen hebben. ‘Het’ moet (meer dan) een beetje meezitten.

 

 

MAKE LOVE

Om hun veertigjarig huwelijk te vieren hebben ze generatiegenoten uitgenodigd, studiemakkers die elkaar in de loop der jaren niet uit het oog verloren zijn. Ze studeerden in de jaren zeventig, in de nagalm van mei ’68, dwepend met the summer of love, experimenterend met roesmiddelen en een nieuwe seksuele moraal, make love. Allemaal hebben ze gewicht bijgekregen, en grijze haren, en minder soepele ledematen. Ze dansen – Nick Cave Into my Arms, Bruce Springsteen Dancing in the Dark.

Sommigen hebben intussen kleinkinderen en beklemtonen de immense vreugde van het grootouderschap. En dat die vreugde vaak een compensatie vormt voor de wat meer gespannen verhouding met de kinderen. Die blijft vreemd genoeg vaak moeilijk. ‘Wat kun je doen’, zucht ze, lichtelijk tipsy na het glas te veel, ‘in liefde steekt zo veel verdriet.’

Niets heeft ons daarop voorbereid.

DE LIGUSTER

De lange dagen, het gouden avondlicht, de hitte op stille namiddagen, de bloeiende hortensia’s, de zachte kleur van lindebloesems, de speelse vlucht van zwaluwen – allemaal samen vormen ze de zomer. Maar het meest associeer ik de zomer met de scherpe, indringende geur van de liguster.

Die geur roept verre herinneringen op – aan julimaanden die ik met mijn ouders elk jaar opnieuw doorbracht aan de Belgische kust. De duinen waren er afgezet met metershoge ligusterstruiken die in mijn fantasie omgetoverd werden tot een onmetelijke doolhof. Uren ging ik er dwalen, gewapend met de zilverbuks van Winnetou, het fiere opperhoofd van de Apachen. Ik liep er rond alsof ik paard reed, de handen aan de teugels; soms steeg ik af om de vijand te besluipen, een lichtzinnig bleekgezicht dat zijn aanwezigheid verraden had door een vuur aan te leggen.

In juni gebeurt het elk jaar opnieuw: beroesd door de ligustergeur, weersta ik ternauwernood aan het verlangen om de ondergaande zon tegemoet te rijden…

(Maar onze ligusterhaag wordt niet gesnoeid.)