ONPRESIDENTIEEL

Wat Trump, zij het indirect of in tegenlicht, laat zien, is het onschatbare belang van politiek. Want elk land wordt bedreigd door een democratisch deficit, in elk land worden mensen uitgesloten of gediscrimineerd, in elk land vragen de media aandacht voor dingen die er nauwelijks toe doen, elk land gaat gebukt onder inkomensongelijkheid, elk land verzuimt te luisteren naar burgers in nood, elk land lijdt aan een gebrekkig wettelijk systeem, enzovoort.

Politiek leeft van de belofte om dat deficit aan te pakken. Dat Trump deze belofte compleet uitgehold en tot op het bot geperverteerd heeft, is zijn grootste misdaad.

KERST 2020

Omdat het geluk een herinnering is

bestaat het geluk omdat tevens

het omgekeerde het geval is,

ik bedoel dit: omdat het geluk ons

herinnert aan het geluk achtervolgt het

ons en daarom ontvluchten wij het

en omgekeerd, ik bedoel dit: dat wij

het geluk zoeken omdat het zich

verbergt in onze herinnering en

omgekeerd, ik bedoel dit: het geluk

moet ergens en ooit zijn omdat wij dit

ons herinneren en dit ons herinnert.

Rutger Kopland, Tot het ons loslaat (1997)

DECEMBER

Met breekbaar blauw kleurt waterig winterlicht wat van de hemel rest. Een rossige kater nestelt zich in de weinige warmte van de vensterbank en knijpt zijn ogen dicht. Tegen het oude tuinhek leunt moe een bosje bleke rozen. De dagen korten, niet in staat het schamele te verhelen. Het luttele dat blijft, volhardt in zijn krimp.

ZIELEN

Hoe meer zielen, hoe meer vreugd. Die spreuk nemen we gemakkelijk in de mond, maar misschien leren we nu pas de volle draagwijdte ervan kennen. Ze stamt uit onheuglijke tijden, toen men nog over zielen sprak of mensen nog een ziel toedichtte. We hebben dat woord verbannen naar de schroothoop van het roomse verleden en ons wijs gemaakt dat we zonder kunnen.

‘Hoe meer mensen, hoe meer vreugd’, zegt toch hetzelfde – of niet? We komen uit een tijd die ons fysieke afstand oplegde en verbood om met meer dan een handvol mensen samen te komen. Geen feesten, geen bruiloften, geen begrafenissen – tenzij in beperkte kring. Vergaderen deden we digitaal – Zoom of Teams. De gezichten van de mensen met wie we vergaderden, stonden op het scherm; we staken een (digitale) hand op als we iets wouden zeggen; we spraken elk om beurt. Perfect toch?

Maar digitaal tafelen of samen komen voor een glas en een babbel lukt nauwelijks of niet. Zielen blijven er weg. Ze hebben een realiteit die niet op een scherm verschijnt. Ze zijn enkel waarneembaar als zintuigen samen gegevens uitwisselen. Ze zijn zichtbaar door de tastbare aanwezigheid van een lichaam, ze zijn hoorbaar in een zichtbare lach, ze zijn tastbaar in de hoorbare ruimte van een stemmig samenzijn. Zielen geven gestalte aan lichamen die spreken en lachen en huilen en zich opwinden en blozen en zich laten gaan en schrikken… Ze suggereren een binnenkant, maar eigenlijk zorgen ze voor de veelzijdige subtiliteit van het leven aan de buitenkant.

BUURMAN

Hij woont om de hoek. Hij komt al eens langs voor een kopje koffie of een pintje. Hij maakt gemakkelijk een praatje en vertelt over zijn kleinkinderen – de boeken die ze lezen, de spelletjes die ze spelen – of over zijn geboortestreek, de Noorderkempen, over de schelmerij die hij met zijn broers uithaalde, of over het college van de Redemptoristen waar hij school gelopen heeft. Sappige anekdotes, soms een beetje stout, maar nooit vilein – in de trant van Wit is altijd schoon. Als het gesprek langer duurt, begint hij over het gebrekkige asielbeleid in ons land, over de schande van de Griekse eilanden…

De corona-pandemie speelt hem al maanden parten: het gedwongen thuisblijven, de beperkte contacten, het nachtelijk uitgaansverbod. Zijn aanvankelijke scepsis ten aanzien van de maatregelen heeft hij tijdens de tweede golf laten varen. Maar hij ziet hoe eenzaamheid en dreigende werkloosheid binnensluipen in de huizen, in het leven van mensen.

‘Neen, reizen of op restaurant gaan mis ik niet’, zegt hij. ‘Maar op café gaan en kaarten, met die bende ouwe rakkers een kaartje leggen, en zwanzen, en mekaar uitlachen – als een stelletje onnozelaars… Dat mis ik hartsgrondig.’

Ik kan enkel ja knikken. Want wat is er meer bedreigd in deze door zwaarmoedige beperkingen en afstandsmaatregelen bedrukte tijd dan de onnozele uitbundigheid van het gezamenlijk lachen?

NIEUWE MAAN

Hoog in het zenit siert een streepje maan het luchtruim. Telkens ik die flinterdunne sikkel zie, word ik herinnerd aan een vers dat duizend jaar geleden werd opgetekend.

‘O, de maan was een kleine yod op de mantel van het ochtendgloren’,

schreef de Joodse dichter Samuel Ha-Levi, toen hij naar de hemel boven Granada keek. De ‘yod’ is de kleinste letter uit het Hebreeuwse alfabet, een soort voorloper van de Griekse iota en van onze i, maar geschreven als een aanhalingsteken ‘. Door de originele vergelijking van de maan met een schriftteken is het vers mij altijd bijgebleven. Samuel Ha-Levi bekleedde als Jood hoge functies binnen het sultanaat, hij kende Arabisch en had zich ook de rijke traditie van de Arabische poëzie eigen gemaakt. Hij droomde van en ontwierp plannen voor een paleis op de Sabika-heuvel juist buiten Granada. Het zou nog meer dan twee eeuwen duren voor de dynastie van de Nasriden die droom zou verwezenlijken: Alhambra, het Rode Paleis – is er een volmaakter uiting van poëzie in steen?

HERFSTMAAND

Kastanjes ploffen in het gras, eikels kraken onder mijn schoenen. Blaren verdwalen, zoeken in de straten het gezelschap van kille plassen om er traag te vergaan. Een enkele bloem klampt zich met het laatste purper vast aan de wind. Voor ze vereenzamen in de winternacht, tonen de bomen zich alomtegenwoordig, zij het verzonken in de donkere pracht van de rouw. Het uitzicht verweerd, het verval verhuld in zware kleuren, zijgt het land in de elfde maand triomfantelijk neer.  

STRENG

Streng zijn is een vorm van liefde, lees ik in een interview. Het is een uitspraak die te denken geeft; meestal, immers, wordt liefde in verband gebracht met zachtheid. Liefde sluit strengheid echter geenszins uit, want liefde durft de geliefde aanspreken op zijn of haar tekortkomingen. Ze gelooft voluit in de mogelijkheden van de geliefde en dat die dus in staat is om de confrontatie met het eigen falen aan te gaan. Dat is het verschil tussen liefde en medelijden. Medelijden gedoogt wat er gebeurt, legt er zich bij neer. Daarom kan medelijden een situatie nooit veranderen, maar enkel bestendigen: het leeft van de toewijding om zich zo goed mogelijk aan het bestaande aan te passen en verzaakt aan de liefdevolle kracht om het bestaande te overstijgen. Medelijden heeft het geduld vereist in hopeloze situaties, liefde het geloof in een overwinning op het hopeloze. Medelijden leeft mee: één plus één. Liefde leeft samen: één plus één is drie.

ADEL

En of ze broer en zus zijn. Verwanten in de familie der bedremmelden.

Zij staat erbij als een tienermeisje, het linkerbeen voor het rechter gekruist, de vingers in de zakken van de jeans gefriemeld.

Hij draagt een bleek, slecht zittend jasje, met daaronder een geruit hemd waarvan de rechtermouw onder het jasje uit piept, de linker niet.

Maar hun gezichten stralen een stille tevredenheid uit, de kalmte van een eindelijk, na bijna een halve eeuw, verkregen rust, de gunst van een ontmoeting.

Hoe adellijk kan het gewone leven zijn…

EEN VALSE NAAM

Dat een schrijver gebruik maakte van een pseudoniem, kom je vaak pas te weten op het moment dat hij (of zij) sterft. Zo ook met Aster Berkhof, die in de burgerlijke stand geregistreerd staat als Louis Van den Bergh. Eigenlijk had ik het kunnen vermoeden: de naam ‘Aster Berkhof’ is te mooi om waar te zijn. Hij is geplukt uit de tuin van zijn ouders, waar asters bloeiden in de schaduw van berkenbomen. Wat is schrijven tenzij het nabije en voor de hand liggende oplichten met de magie van taal, het alledaagse en vanzelfsprekende verzinnen?