KERSTNACHT

Kerstnacht – het woord is als een lafenis,

een koele sneeuw, glanzend onder het zachte

stralen der sterren – op de landen is

het weerloos stil, een ongerept verwachten.

 

Kerstnacht – het eenzaam zwerven der gedachten

rondom het oud verhaal, het nimmer uit te spreken

verlangen naar het helder zingen in de nacht en

het opgaan van de ster, een lichtend teken.

 

Kerstnacht – het sneeuwt op uw geschonden aarde,

dun en verstuivend dekt een huivering

van ijle val, een lichte zuivering

het vragen, dat wij ongestild bewaarden.

 

 

 

Uit: Ida Gerhardt, Verzamelde gedichten. Athenaeum/Polak & Van Gennep, 2001, p. 33.

SINTERKLAAS

Onlangs zat ik aan tafel in een gemengd gezelschap met ouderen van tachtig en jongeren van twintig. Het gesprek ging over Sinterklaas. De grappigste herinneringen werden opgehaald. Iemand vertelde dat de eerste sinaasappel die ze ooit gegeten heeft, een geschenk van Sinterklaas was. Een ander dat hun moeder de geschenken van Sinterklaas in de Leuvense stoof verstopte. Een derde vertelde dat hij zich als kind afvroeg hoe Sinterklaas met zijn paard op hun dak raakte aangezien ze in een alleenstaand huis woonden: overbrugde de Sint de afstand tussen de twee huizen in de lucht of liet hij zijn paard naar de grond springen om vervolgens opnieuw het dak te beklimmen? En Piet, ging die bij het springen in de lucht ook op de rug van het paard zitten of…? Een vierde vertelde dat ze als kleuter enkele dagen voor het Sinterklaasfeest cadeautjes aantrof in de kelder en onmiddellijk de uitleg slikte van haar ouders die zeiden dat de Sint op de nacht van 5 naar 6 december zo veel werk heeft dat hij bij de brave kinderen, die sowieso een geschenk krijgen, op voorhand langs gaat.

Het gemengd gezelschap was veranderd in een groep vrolijke kleuters. Alom hilariteit, pret in de ogen, een gedeeld gevoel van kinderlijke blijheid. In schril contrast met de beladen discussie die nu woedt rond Zwarte Piet. Zijn wij allemaal verdoken racisten geweest of sympathisanten van het kolonialisme? Is Zwarte Piet de slaaf van Sinterklaas? Is het Sinterklaasfeest een feest dat de kinderen op een slinkse manier opvoedt tot racisten en bovendien de koloniale onderdrukking van zwart Afrika goedpraat? Of zijn wij in de discussie de kinderlijke onbevangenheid verloren die we in het ophalen van herinneringen terugvinden? Zijn we vergeten dat het een kinderfeest is dat kinderen verrukt omdat ze van een onbekende oude man met een sneeuwwitte baard die met zijn schalkse gezel uit Spanje komt, geschenken krijgen? Wie met de door magie betoverde ogen van een vierjarige kijkt, wordt die geïndoctrineerd, krijgt die met de cadeautjes het (koloniale) racisme ingelepeld?

Laat mij duidelijk zijn: racisme is het laagste wat er bestaat. De toenemende gevoeligheid voor racisme juich ik met heel mijn wezen toe. Het pleidooi voor de vervanging van Zwarte Piet door Roetpiet lijkt een eerbaar compromis. Maar wie in het Sinterklaasfeest (enkel) het restant ziet van koloniale onderdrukking, heeft misschien politiek correcte lenzen in, maar zijn perspectief doet geen recht aan de magisch-bekoorlijke wereld die zich voor de kinderblik openbaart.

 

FIDEL

Fidel Castro verpersoonlijkt de mislukkingen van het eens zo beloftevolle communisme. Ofwel heeft het communisme zich neergelegd bij de dominantie van het kapitalisme en zichzelf tot de overbodigheid veroordeeld. Dat is de onfortuinlijke toedracht in de landen van West-Europa waar socialistische voormannen eenstemmig verkondigen dat ‘je niet tegen de markt kunt zijn, zoals je ook niet tegen seks kunt zijn’. Ofwel heeft het communisme zichzelf opgeworpen tot de onverzoenlijke vijand van het kapitalisme en is het als het ware onvermijdelijk uitgemond in de repressie en de dictatuur. Al kun je Cuba niet gelijkschakelen met Noord-Korea…

De dwingende wake-up call van Karl Marx blijft naklinken: ‘De accumulatie van kapitaal is recht evenredig met de accumulatie van ellende.’ Waar kunnen we nog terecht voor een kritiek op de realiseringen van het neoliberale kapitalisme? Wie draagt nog de rode vaan? Wie verenigt nog de proletariërs aller landen? Wie zingt nog ‘Avanti populo!’? Wie droomt nog de droom van de Galileeër: ‘Gelukkig die hongeren en dorsten naar gerechtigheid, want zij zullen verzadigd worden’?

Ah, Fidel…

 

 

 

ELEVEN NINE

En nu wordt ons verteld dat we de uitslag van de democratische verkiezingen dienen te respecteren. Maar wat was er eigenlijk democratisch aan die verkiezingen?

De Amerikaanse burgers hadden de vrijheid om niet voor Trump te stemmen. Dat is zo.

Maar het overgrote deel van Trumps toespraken, van zijn verkondigde meningen, van zijn verbale interventies horen in een democratie niet thuis. In België is voor minder een cordon sanitaire gelegd rond Het Vlaams Blok/Belang. Het optreden van Trump roept angstwekkende herinneringen op aan de zwarte jaren dertig in Italië en Duitsland. Zowel Mussolini als Hitler zijn aan hun totalitaire verovering begonnen in zogenaamd democratische landen.

En ten slotte: in een democratie worden stemmen geteld; wie de meeste stemmen haalt, wint de verkiezingen. Door het absurde kiessysteem in de V.S. wordt ook dit principe met de voeten getreden.

Eén ding is duidelijk: als het onderwijs het laat afweten en de media tot loutere roddel verworden, zijn vrije verkiezingen niet meer dan een farce. Een mislukte farce waarbij heel weinigen lachen.

En nu wordt ons eveneens verteld dat het populisme voortaan een vast onderdeel van het politieke bestel zal vormen en dat we daarmee rekening dienen te houden. Maar staat Trump voor populisme? Staat populisme gelijk aan het spuien van ranzige en onbeschofte praat?

Dat is het werkelijk ontstellende: dat een schandalig groot deel van de bevolking zich identificeert met een vulgaire macho, dat miljoenen mannen en vrouwen juichen omdat een oversekste brulboei tot hen zegt: “Ik begrijp jullie, want ik ben zoals jullie: een vunzige kwal met geile handjes.” Dat is het werkelijk verbijsterende: dat miljoenen mannen en vrouwen applaudisseren voor een narcist die verkondigt: “Ik begrijp jullie, want ook ik heb lak aan de wereld en denk alleen aan mijzelf.”

Wat heeft dat te maken met een populistische politiek, die het establishment op de korrel neemt en opkomt voor de rechten van wat ik maar gemakshalve de gewone man en vrouw zal noemen, of de lagere klasse?

Ik hoop dat we de kracht vinden om de verdediging op te nemen van al wie door de meedogenloze globalisering dreigt te worden uitgerangeerd, maar ook om het trumpisme te verbannen naar waar het hoort – en dat is niet binnen de grenzen van een beschaafde politiek.
 

 

HET LODDERHOOFD

Stephen Dedalus, Hans Castorp, Charles Swann – ze inspireren mij en geven mij te denken. Maar voor een wafelenbak ben je beter af met de immer lichtjes aangeschoten kapitein Oliepul, de francofiele pantoffelheld Philemon Pheip, de onfeilbare Van Zwam, die een sigarettenpeuk vindt en weet waar de gezochte schurk zich ophoudt, en de onvolprezen piraat Tuizentfloot, die zegevierde in de Slag van aha Wuustwezel.

Ze wachten mij op zowel in Het Geheim van Matsuoka als in Het Geheim van Bakkendoen, maar ook in De Totentrekkers en in Koeketiene. En niet te vergeten: in Het Lodderhoofd.

Hun geestelijke vader hoefde zijn naam maar achterstevoren te schrijven of zijn onuitputtelijke fantasie sloeg op toerental. En hij toverde de ene olijkerd na de andere uit zijn hoed.

 

ALLERZIELEN

Op 2 november, op de dag van Allerzielen, bezoek ik gewoonlijk het graf van mijn moeder. Volgens haar wens is ze op het kerkhof van haar geboortedorp begraven. Het is een klein, door weiden omzoomd kerkhof, met aan de ingang een kortgestuikte eik en achteraan, aan de uiterste grens, weg van de straat, een rij immer ruisende populieren. Zo een plaats duidt het Duits aan met het innig mooie woord Friedhof. De rechtop staande zerk van mijn moeders graf bestaat uit een ruwe, granieten blok – een teken ter ere van haar standvastigheid. Op de grond ligt geen plaat, maar een bak met azalea’s, pioenrozen, vergeet-mij-nietjes of dahlia’s – een herinnering aan haar liefde voor parken en tuinen. De zerk vermeldt ook de naam van mijn vader, hoewel hij er niet begraven ligt.

 

Lucie Pennewaert

1914-1999

Prosper De Schutter

1911-1970

 

Mijn zus en ik vonden het passend om ze zoveel jaar na de dood van mijn vader opnieuw te verenigen. Althans hun namen in schrift. Zoals in het gedicht van Luuk Gruwez:

 

Uw namen die weer samen staan,

als in de dood opnieuw verliefd:

nooit leek u zozeer ingelijfd

bij alles wat er vroeger was.

Nooit leek u zozeer niet vergeten,

uw laatste zoen in steen gegrift,

alsof men nooit meer kwijt kan raken

wat men voorgoed verloren heeft.

 

Daar sta ik, niet wetend wat gezegd of gevraagd, als bij een eerste ontmoeting met nieuwe buren. Bedremmeld buk ik me om enkele gevallen bladeren te verwijderen. Dan begrijp ik dat de tijd van vragen voorbij is, dat iets vertellen niet meer hoeft. Nu is de tijd om dank te zeggen: “Vrede zij met u”.

BRABANT

’s Zondags gaan A en ik vaak wandelen. We vieren de dag van de Heer met een wandeling door het mooie land van Brabant. Om te beginnen laten we ons verleiden door de wonderlijke plaatsnamen: Moemedel, Ganspoel, de Gemperbeek, de Roeselberg, de Doode Beemden, de Prosperdreef. Die namen trekken sporen door een heuvelachtig landschap met bossen, weiden en fruitboomgaarden, en herbergen kapelletjes, kastelen en imposante vierkantshoeven.

Op pad in holle wegen gaan we terug naar de tijd, toen zwanen neerstreken bij verborgen vijvers en paarden hinnikten onder het krakend gebinte van hoevestallen. Wandelend worden we pelgrims van het tellurische: we betreden een verloren stilte, vergeten in de plooien van de tijd, waar we luisteren naar het gehamer van een specht en het geritsel van eekhoorns. We vangen een glimp van een schichtige ijsvogel op de vlucht, bespieden een gaai die eikels pikt en staren naar het spektakel van twee boksende hazen.
Overal worden we beschermd door heiligen uit grootouders’ tijd, bijna altijd is de moeder Gods van de partij, zij het in een ongekende gedaante: bij Onze Lieve Vrouw van Steenbergen of Onze Lieve Vrouw ter Stokskes kunnen pelgrims al eeuwen terecht.

We eindigen onze wandeling op de dag van de Heer zoals het hoort: met schuimend bier van de trappisten, voor A een Westmalle tripel, voor mij een blauwe Chimay. En we klinken op de heuvelen van Brabant.

 

MACHT

Heel vaak erger ik mij aan het gebruik of misbruik van woorden. Een van die woorden is ‘macht’. Mandela en Assad, Merkel en Orban worden machthebbers genoemd. Maar hoe kun je de verzoeningspolitiek van Mandela en de vernielingspolitiek van Assad allebei als een uiting van macht beschouwen? Hoe kun je Merkels politiek van gastvrijheid en Orbans politiek van uitsluiting onder één noemer samenbrengen? De politiek van Mandela staat lijnrecht tegenover de politiek van Assad, de politiek van Merkel valt niet te rijmen met de politiek van Orban: elke vorm van politiek aanduiden als macht (of desnoods machtsmisbruik) wijst niet alleen op een slordig taalgebruik, maar ook op een gebrekkig begrip.

Als Assad erin slaagt Aleppo compleet van de kaart te vegen, toont hij dan hoe machtig hij is? Als ING een sociaal bloedbad aanricht, toont die bank dan hoe machtig zij is? Als bisschop Van Gheluwe jongetjes bepotelt en aanrandt, is hij dan door de macht gecorrumpeerd?

We moeten ophouden de terreur van een schrikbewind of de meedogenloosheid van heerszucht gelijk te schakelen met macht. Waar heerschappij in het spel is, staat macht buiten spel. En omgekeerd. Terreur en heerschappij zijn geen uiting van macht, ze zijn de tegenpool. We zijn de etymologie van het Nederlandse ‘macht’ vergeten, maar zowel het Latijnse ‘potestas’ als het Griekse ‘dunamis’ wijzen op een ‘kunnen’: macht maakt iets mogelijk, ze is een vermogen. ‘Divide et impera’ zeiden de Romeinen, ‘verdeel en heers’, maar macht verdeelt niet, ze wordt gedeeld en brengt zo mensen samen. Heerschappij verdeelt en versplintert, maar macht verenigt, geeft mensen een dynamiek en het gevoel dat ze iets kunnen, tot iets in staat zijn, iets vermogen. ‘Yes, we can!’ was het doodsimpele verkiezingsmotto van Barack Obama in 2008: samen kunnen we ons land vernieuwen, een nieuw elan geven, samen zijn we machtig.

In die zin corrumpeert macht dus niet. Macht overtuigt mensen en brengt ze in openlijke eensgezindheid samen. Heerszucht dwingt, eist gehoorzaamheid en legt een zwijgen op, precies wat bisschop Van Gheluwe wilde: een verborgen samenzwering met zijn misdienaars die natuurlijk alles geheim moesten houden. Terreur verwoest: maakt niet alleen mensen kapot, maar ook de wereld waarin ze leven, (zodat bijvoorbeeld rouwen om de doden onmogelijk wordt).

Volgens mij is dit niet alleen een kwestie van woorden, maar is het belangrijk dat we de verschillen tussen macht, heerschappij en terreur leren zien. De wereld veranderen doe je ook door op een andere manier over de wereld te spreken.

 

TRANEN OVER ALEPPO

Weinig grijpt meer naar het hart dan de aanblik van verwoeste steden. Een lijk betekent dat een mens – een vader, een dochter, een geliefde – gestorven is. Een verwoeste stad verbergt niet alleen vele doden, maar wijst ook op kapotte levens, een samenleving in puin, verbrijzelde menselijke verhoudingen, verscheurde herinneringen… Een verwoeste stad roept de vraag op hoe de schaarse overlevenden verder moeten.

Twintig jaar geleden heb ik Aleppo bezocht. Nergens en nooit heb ik me meer een oosterling gevoeld: rustend voor de schitterende vesting in witte steen, dwalend in de souk die uit dertien kilometer steegjes zou bestaan, tussen de geurige kruiden, de kleurige gebakjes, de dampende thee, de blinkende waterpijpen, de gekromde dolken, het sierlijke goud, de fonkelende edelstenen, de prachtige stoffen, de fraai gekrulde boekenstaanders…

Aleppo ligt in puin. De beelden van het verwoeste Aleppo horen in het geheugen van de verdoemenis bij de beelden van het kapotgeschoten Ieper en bij de beelden van het platgebombardeerde Berlijn. Wat is dat toch met onze soort? Wat drijft ons? Religieuze tegenstellingen? Economische belangen? De drang om te heersen? Wie heeft hier baat bij, wie wordt hier beter van? Wie heerst nog, tenzij dood en vernieling…

De oude Grieken, die in hun gezamenlijke geschiedenis de herinnering aan het verwoeste Troje bewaarden, spraken over een god die de mensen bevangt en misleidt. Mensen die voor de grofste wreedheden niet terugschrikken, zijn zichzelf niet, ze worden opgejaagd door een demonisch geweld, ze dienen de duistere driften van Atê, de godin der vernieling die door de wereld raast en een woestenij achterlaat.

Hoe brengen we de godin van de razernij tot bedaren? Wat is er nodig om die onverzadigbare destructiedrift aan banden te leggen, om die niets en niemand ontziende mateloosheid te stoppen?

 

DE BOERKINI

Nietzsche schreef: “Ik zou alleen in een god willen geloven die kan dansen.” Het waren zijn afscheidswoorden aan de god van het christendom, die het lichaam van de mensen met schuld belaadt en seksualiteit verdoemt. Aan een variant ervan moet ik denken wanneer ik gesluierde moslima’s zie. Waarom zou je in een god geloven die mensen opsluit en onderdrukt? Waar haal je de gedachte vandaan dat welke god dan ook belang hecht aan een hoofddoek of aan halal (of koosjer) vlees? Waarom niet geloven in een god die mensen bevrijdt en oproept tot medemenselijkheid?

Maar die persoonlijke bedenkingen bij sommige vormen van religieus geloof mogen ons niet verleiden tot het nemen van brutale maatregelen in het domein van de samenleving. Het verbod op de boerkini is, denk ik, zo een brutale en dwaze maatregel. Nogmaals: hoe onbegrijpelijk we dat stuk kledij ook vinden, we doen er goed aan het niet te verbieden.

Altijd opnieuw wordt in de discussie over de hoofddoek en de boerkini een argument gebruikt dat volgens mij niet deugt: het argument van de neutrale ruimte. Hoofddoeken en boerkini’s zouden niet thuis horen in de publieke ruimte omdat die verondersteld wordt neutraal te zijn. Dit zou een toepassing zijn van de secularisatie, van de scheiding tussen kerk en staat. Maar betekent secularisatie dat alle religieuze symbolen uit de publieke ruimte (moeten) verdwijnen? Of betekent secularisatie dat elk argument – dus ook een argument ontleend aan het geloof – in een publiek debat zijn absoluut karakter verliest en relatief wordt?

Waar mensen samenleven, bestaat zo iets als een neutrale ruimte niet. En dat is maar goed ook. Waar mensen samenleven, dienen we te streven naar een publieke ruimte waar bijvoorbeeld de mensenrechten van kracht zijn. Een dergelijke ruimte is verre van neutraal. Een van de rechten die er geldt, is de vrijheid om de eigen godsdienst te beleven…