Waar geen reden is — Yiyun Li

Hoe ga je als moeder om met de zelfmoord van je zoon? Hoe verwerk je dat diep treurige voorval, hoe kom je ermee in het reine? De vragen die Yiyun Li behandelt, komen uit haar eigen leven, want haar eigen zoon heeft op zestienjarige leeftijd zelfmoord gepleegd. In het Nederlands dreigt een dubbelzinnigheid uit de Engelse titel Where Reasons End verloren te gaan: ‘reason’ betekent zowel ‘reden’ als ‘rede’. De rede zoekt naar redenen, de rede begrijpt wanneer ze de redenen kent; onvatbaar voor de rede is wat zonder redenen gebeurt. Waar geen reden is, waar de rede op haar grenzen botst, daar probeert de moeder tot een gesprek te komen met haar zoon, die in het verhaal Nikolai heet. (De zoon van Yiyun Li heet Vincent, zoals blijkt uit de dedicatie: het Latijnse vincere is dus omgezet in het Griekse nikê.) De moeder probeert haar zoon te ontmoeten via de enige weg die voor haar nog open ligt: de weg van woorden. In dat (gefingeerde) gesprek komen we weinig of niets te weten over de zelfmoord, er wordt niet naar verklaringen gezocht, er vindt geen uitwisseling van informatie plaats. Woorden worden uitgewisseld – woorden die een samenspraak en een samenzijn stichten. Die woorden worden voortdurend onder de loep genomen en becommentarieerd. Het woord ‘perfect’ bijvoorbeeld. ‘Perfect’ hoort bij de uitzonderingen binnen de klasse van bijvoeglijke naamwoorden, want het kent geen vergelijkende of overtreffende trap: ‘perfecter’ bestaat niet. Waar gewone bijvoeglijke naamwoorden zoals ‘mooi’ of ‘goed’ een openheid creëren, omdat ze een vergelijking toestaan, daar trekt het woord ‘perfect’ een muur op, en heeft het elke uitweg dicht getimmerd. De woorden roepen herinneringen op en vroegere meningsverschillen, het gesprek verloopt vaak op het scherp van de snee. Stilaan vormt zich een ruimte waar moeder en zoon elkaar vinden: een ruimte vol verlangen waar een van elke sentimentaliteit ontdane verhouding ontstaat.

Yiyun Li, Waar geen reden is. Nieuw Amsterdam, 2021, 142p.

SEPTEMBER

Als de zomer gewillig afscheid neemt en voegzaam wijkt voor de schaduwrijke herfst,

zie dan hoe traag het licht langs de kastanjes strijkt, neerwaarts zijgt en dooft, hoe de eerste gekrulde blaren verstrooid liggen over het land en de laatste bloemen zich in gebroken kleuren hullen,

hoor hoe de wind die ruisend door de bossen zwerft, het oprukken van een verre duisternis verzwijgt…

IN MEMORIAM MIKIS THEODORAKIS

De gisteren overleden Griekse componist Mikis Theodorakis heeft voor mij het moeilijk begaanbare arrenspoor naar de shoah getrokken. Sinds ik als zestienjarige zijn Mauthausen-liederen hoorde, maakt het trauma van de westerse cultuur als een onverteerbare rest deel uit van mijn leven. Op een huiveringwekkende manier koppelt de door hem gecomponeerde klaagzang een ontroostbare droefheid aan een wanhopige opstandigheid. Er zijn vele vertolkingen en vertalingen, maar het liefst luister ik naar de originele versie in het klankrijke Grieks, bijvoorbeeld door de Amerikaanse protestzangeres Joan Baez: door haar frêle, maar onverzettelijke stem verwerft de eenvoudige tekst een unieke kracht.

Τί ὡραία ποὺ εἶν’ ἡ ἁγάπη μου (Ti horaia pou ein i agapi mou / Hoe mooi is mijn geliefde)

DE ENGEL VAN DE GESCHIEDENIS

We schrijven: Port Bou, 26 september 1940. Op de vlucht voor de naziterreur, die West-Europa overspoelt en verwoest, krijgt Walter Benjamin niet de toelating om Frankrijk te verlaten, omdat hij volgens de Spaanse grenspolitie niet over het juiste doorreisvisum beschikt. Die nacht voltrekt hij wat hij al een tijd zinnens is: hij pleegt zelfmoord. Onder zijn ongepubliceerde manuscripten bevindt zich een notitie die nu bekend staat als de negende these over de geschiedenis. Ze gaat als volgt:

De engel van de geschiedenis houdt zijn gelaat naar het verleden gewend. Waar voor ons een keten van gebeurtenissen verschijnt, daar ziet hij één grote catastrofe, die onophoudelijk puin op puin stapelt en het hem voor de voeten slingert. Hij zou graag rust houden, de doden opwekken en de brokken samenvoegen. Maar er waait een storm uit het paradijs die in zijn vleugels blijft hangen en zo sterk is dat de engel ze niet meer kan sluiten. Deze storm drijft hem onstuitbaar naar de toekomst, die hij de rug toekeert, terwijl de puinhoop voor hem hemelhoog oprijst. Wat wij de vooruitgang noemen, is deze storm.

Welk beeld drukt accurater de toestand van onze radeloze wereld uit, in deze tijd van verwoestijning en klimaatverandering, bosbranden en watersnood,  cijfermatige verblinding en vulgaire verdwazing, religieuze barbarij en technologische megalomanie, militair fanatisme en politiek geknoei?

SCHONE BROER

Het stond in zijn ogen geschreven: hij had al afscheid genomen van het leven. Zijn ogen, die altijd betrokkenheid uitstraalden, verstandhouding, waren zijn ziel kwijt: die was al weg. Daarom herhaalde hij telkens weer: het is genoeg geweest, ik verlang maar één ding, laat mij in vrede vertrekken.

Allicht gebeurt zo de goede dood: de dood die je niet beangstigt, die je als een geschenk ervaart. Weinig is zo moeilijk als iemand het sterven gunnen: niet het leven ontnemen, maar het leven van de stervende ontvangen en bewaren en hem toelaten tot zijn eigen dood.

Hij is ontslapen, niet in den Here, maar in de geheimzinnige samenhorigheid van leven en dood.

UTOPIA

De stadsbibliotheek van Aalst draagt de naam ‘Utopia’, naar het politieke traktaat van Thomas More, waarvan de eerste uitgave (in 1516) verzorgd werd door de in Aalst geboren drukker Dirk Martens. Eigenlijk is elke bibliotheek een soort utopie. ‘Op de planken wachten rug aan rug boeken die geschreven zijn in landen die elkaar vijandig gezind zijn, of zelfs oorlog met elkaar voeren. Boeken over fotografie en droomuitleg. Verhandelingen over microben of melkwegstelsels. De autobiografie van een generaal naast de memoires van een deserteur. Het optimistische werk van een onbegrepen auteur en het duistere werk van een successchrijver. De aantekeningen van een schrijfster van reisliteratuur vlak bij de vijf delen die een aan huis gekluisterde schrijver nodig had om in geuren en kleuren zijn mijmeringen uit de doeken te doen. Een boek dat gisteren is gedrukt naast een boek dat net twintig eeuwen oud is geworden. In bibliotheken bestaan geen grenzen van tijd of plaats. En ten slotte worden we allemaal uitgenodigd om naar binnen te gaan: vreemdelingen en buurtbewoners, mensen met een bril, met contactlenzen of met vuiltjes in hun oog, mannen met een knotje of vrouwen die een stropdas dragen.’ Aldus Irene Vallejo in Papyrus, dat een prachtige ode aan het lezen brengt en een geschiedenis van de wereld in boeken vertelt. Te beginnen met Alexander de Grote, die op zijn veroveringstochten overal de Ilias van Homerus meenam en in de door hem gestichte stad, Alexandrië, een aan de muzen gewijde tempel liet bouwen, die na zijn dood werd uitgebreid met een bibliotheek waarin alle boeken van de wereld moesten worden verzameld.

VELORUTIE

Wat nieuw is, heeft een nieuw woord nodig.

Het woord ‘revolutie’ duidde eeuwenlang de beweging van de planeten aan. Het verwierf een politieke betekenis, toen het in 1789 gebruikt werd om over de opstand in Frankrijk te spreken.

Nu dient zich een nieuwe omwenteling aan: het initiatief om over heel Europa fietsroutes aan te leggen, zal de manier waarop we de mobiliteit organiseren, ingrijpend veranderen. Zoekend naar een gepaste naam voor deze omwenteling, komen de initiatiefnemers op de proppen met een anagram van revolutie. De velo krijgt voorrang, komt op de eerste plaats: velorutie. Een echte omwenteling, aangedreven door de draaiende spaken, de toer van de pedalen, het wentelen van de wielen. Aux vélos, citoyens!

FRANS-VLAANDEREN

Op fietstocht in Frans-Vlaanderen slaag ik er niet in de gelaagdheid van de landschappelijke omgeving te ontwarren. Het is geen toeval, aldus Paul van Nevel, dat de middeleeuwse polyfonie in deze streek ontstond: de melancholische mist en het rustige ritme van de glooiingen inspireerden componisten als Guillaume Dufay. Hetzelfde landschap is gebrandmerkt door de Groote Oorlog: in Fromelles bijvoorbeeld, waar honderden Australiërs, voor ze het leven lieten, hun brieven naar het andere eind van de wereld ondertekenden met de kreet ‘From Hell’. De veldslag wordt met een standbeeld herdacht: een oudere man draagt een jonge gewonde of dode. Het waren de vaders die hun zonen offerden – in een mislukte imitatie van het christelijk ritueel. Ik word er ademloos stil van. Is de sculptuur misschien de bronzen versie van het eeuwenoude Kyrie eleison?  

BACH

De zomer van Sint-Pieter blaast twintig kaarsjes uit. Voor de twintigste keer worden in de Leuvense Stadsschouwburg in de zomermaanden meer dan dertig lunchconcerten georganiseerd. Vandaag staan twee cellosuites van Bach op het programma – ze worden vertolkt door Maxime Quennesson.

Ik luister naar muziek in de meest echte betekenis van het woord, muziek die ik niet absorbeer, maar die mij absorbeert, muziek waar ik te klein voor ben, die mij meeneemt en kortstondig een plaats geeft in de ban van een onsterfelijke schoonheid. Minutenlang ben ik nergens, enkel in het spoor van het onzegbare.

Het applaus ontneemt mij die afwezigheid. Thuis gekomen zoek ik de weg terug via de woorden van Rutger Kopland:

Het dwaalt, vloeit samen, valt uiteen, verdwijnt,

en het herhaalt zich, alsof er steeds weer iets

moet worden gezocht, gevonden, verloren, gezocht

alsof er steeds weer iets moet, iets moet zijn

voor het verdwijnt, en daarna

OH

De laatste weken overkomen ons rare dingen. Sommigen zijn er al getuige van geweest. Het gebeurt dat we in onze leefkamer languit op de vloer liggen: tussen ons in ons ventje, de rode ridder. We rollen groene en gele balletjes naar elkaar, A stapelt potjes opeen, ik vul een vrachtwagen met mannetjes en rij er geestdriftig mee rond. Het zou geen kwaadaardige aandoening zijn, het doet trouwens geen pijn, maar ontsteekt een zot gevoel van lichtheid. Het zou ook bij anderen voorkomen. Het is niet duidelijk of het eerder door het hoofd dan wel door het hart veroorzaakt wordt, maar dat het van voorbijgaande aard is, betwijfel ik…