DE HANDDRUK

Door de coronapandemie werd ons afgeraden om elkaar de hand te geven. We groeten elkaar nu met de ellenboog. Ik weet niet wie die maatregel heeft voorgesteld, maar ze is inspiratieloos en potsierlijk, en getuigt van weinig mensenkennis. Wij, mensen, groeten met onze handen, omdat het mens-zijn in onze handen ligt.

We trekken een kaart, we plukken een aardbei, we nemen een glas, we pakken een hamer, we grijpen een stok, we tikken een bericht, we wijzen de weg – de resem activiteiten waarbij we een beroep doen op onze handen, is schier eindeloos. En dan is er de handdruk: mensen geven elkaar de hand, soms leggen ze nog een hand bovenop de hand die ze schudden om uit te drukken dat de ander op hen kan rekenen, om woordeloos hun begrip en medeleven te uiten.

Niets anders had Michelangelo in gedachten, toen hij in de Sixtijnse Kapel de schepping van de mens uitbeeldde: de (rechter)hand van God reikt naar de (linker)hand van Adam. Zo is het mens-zijn ons overhandigd, het is ons in handen gegeven. 

ZOUTELANDE

Ik heb de zon zien zakken in de zee. De vlotte alliteratie uit het liedje verandert op het strand van Zeeland moeiteloos in een averechtse meditatie. Zeker als je in het gezelschap bent van de uitvreter, een van de wonderlijkste literaire figuren ooit, verzonnen door de schrijver die zichzelf ‘Ik weet niet’ noemde. Nee, we weten niet – waarom we hier zijn, wat het leven met ons voor heeft, wat we met onszelf aan moeten, wat de zon en de zee en het zand ons zeggen. Ik zit er verzonken in de doelloze beweging van tijd en ruimte. En zo heb ik de zee zien zakken in de zon.

NEEM EN EET

Op bezoek in de abdij lopen we de eetzaal binnen. Aan het plafond hangt het Laatste Avondmaal – in prachtig stucwerk door de zeventiende-eeuwse meester kalksnijder Jan Christiaen Hansche. Maar in tegenstelling tot wat je zou verwachten in deze plechtige ruimte heerst er geen gewijde stilte op het moment dat Jezus het brood breekt en zegt: ‘Neem en eet, want dit is mijn lichaam. Doe dit om mij te gedenken.’ Het tafereel dat ten grondslag ligt aan de christelijke eucharistieviering, wordt hier voorgesteld als een gezellige bijeenkomst. De sfeer is gemoedelijk, de apostelen zijn aan het babbelen, Johannes wil zo dicht mogelijk bij Jezus zitten, en het is alsof Judas, die ervanonder muist, eventjes zijn handen gaat wassen. Omdat we ze altijd als heiligen en martelaren afgebeeld zien, zijn we het vergeten: dit waren vrienden… En wat is het rijk Gods, tenzij vriendschappelijk samenzijn met een glas wijn?

De vogels — Tarjei Vesaas

In een door bossen en meren omzoomd Noors dorp leeft de zwakbegaafde Mattis samen met zijn drie jaar oudere zus Hege. Zij voorziet in hun onderhoud met het breien van dikke winterjassen. Hij wordt in het dorp ‘de Slome’ genoemd, omdat hij bij het werk traag vordert en zowel zijn handen als zijn gedachten gemakkelijk in een knoop raken. Zijn aandacht verslapt, hij laat zich afleiden door de vlucht van een houtsnip of het geluid van de wolken of de kleur van de vliegenzwam. Hij voelt zich bedrukt en gevangen door het gewicht van het onbegrijpelijke, dat zich schuil houdt in eenvoudige vragen als Waarom is het zoals het is?. Het antwoord zoekt hij niet bij zijn medemensen, maar in de tekens die vogels achterlaten of in de taal van het water en het licht van de maan.

Op een dag gaat hij roeien, en aan de overkant van het meer treft hij de houthakker Jörgen aan, die vraagt om te worden overgevaren. Jörgen blijft bij Mattis en Hege in huis wonen en in de daaropvolgende weken ontstaat er een meer dan vriendschappelijke verhouding tussen Jörgen en Hege. Vol onbegrip ziet Mattis dit aan en zoals telkens wanneer hij in het nauw gedreven wordt, zoekt hij naar een oplossing bij de natuurelementen: het water van het meer, dat hem met de vreemde in contact heeft gebracht.

De Noorse auteur Tarjei Vesaas slaagt er wonderwel in om in zijn verhaal de ervaringen van de geestelijk beperkte Mattis weer te geven en ondertussen te suggereren hoe zijn medemensen de gebeurtenissen beleven en aanvoelen. Er wordt in de roman veel gesproken, maar de stiltes en de weglatingen zijn even betekenisvol als het daadwerkelijk gezegde, ook al omdat voor Mattis sommige woorden zoals ‘bliksem’ en ‘vlijmscherp’ zo ‘bitter klinken als espenschors wanneer je erop kauwt’. Uiteindelijk voel je als lezer eindeloos veel sympathie voor Mattis met zijn kinderlijke verwondering, zijn argeloze kijk op vrouwelijke schoonheid en zijn dromerig gefantaseer. De vogels is een roman die je raakt, maar ook ontreddert.

Tarjei Vesaas, De vogels. Amsterdam, Lebowski, 2018, 238p.

JEF

Op een week tijd heeft hij zijn moeder verloren en is hij grootvader geworden. En plots zie ik een andere man, niet uitsluitend de leider die sociaal onrecht bestrijdt, de belhamel die zijn tafelgenoten uitdaagt, maar een zoon die beseft hoeveel zijn moeder voor hem betekend heeft en een stamvader die zijn nageslacht omarmt.

Hoe de gewone gang van het leven ons boetseert. De dood van onze ouders, de geboorte van een kind of kleinkind – ze liggen in de lijn van de verwachtingen en toch tekenen ze ons ten diepste: hoe we kijken en praten, hoe we luisteren en lachen, hoe we aandacht besteden.

TIERELIEREN

Tijdens een wandeling in het bucolische Maarkedal worden we vergast op de jubelzang van de leeuwerik. Tientallen meters hoog hangt hij, nagenoeg recht boven ons hoofd, en zijn lied juicht minutenlang door het landschap. Terwijl ik bijna applaudisseer voor zijn virtuoos kwinkeleren, vraag ik mij af waarom hij dit doet. Het standaardantwoord uit de biologie dat hij indruk wil maken op een wijfje om zich voort te planten, zint mij niet. Ik durf te geloven dat zijn gedrag niet gedreven wordt door de drang om het behoud van de soort te verzekeren, maar getuigt van onnoemelijk veel plezier: hij houdt hiervan, hij vindt er lol in uitbundig te zingen en de hoogte op te zoeken. Een leeuwerik is een speelvogel die graag op de zwier gaat en dit uitgelaten verkondigt, een flierefluiter die graag de bloemetjes buitenzet en zich op zijn eentje amuseert. Of is hij misschien een zanger van het groene veld die niets liever doet dan gratis optreden? Terwijl ik dit sta te overpeinzen, blijft hij onafgebroken concerteren. Eén ding weet ik wel: er is geen beter woord om zijn gezang te benoemen dan het Nederlandse tierelieren.  

MARC

Marc: zo heet het boekje. Het heeft de grootte van een postkaart en is enkele millimeters dun. Een klein hebbedingetje (van 2 euro). Het bevat de tekst van het gedicht ‘Marc groet ’s morgens de dingen’ van Paul van Ostaijen. Op de linkerbladzijde staat een regel van het gedicht, op de rechter- een aandoenlijke tekening van Paul Verrept ter illustratie: het ventje op de fiets, het stukje brood op de tafel, visserke-vis met de pijp… kinderlijk-naïef uitgebeeld. Op de achterflap staat een foto van de dichter met vilthoed.

Het geheel is een pretentieloos aandenken aan Van Ostaijen, een bescheiden hulde aan de dichter die na de catastrofe van de Eerste Wereldoorlog op zoek gaat naar een nieuw verbond tussen de woorden en de dingen. Hij legt de drang om de dingen ten nutte te maken af en treedt ze tegemoet als een kind. Hij groet de dingen, heet ze welkom, geeft ze een naam en een aanwezigheid. De dag kan beginnen.

(Het boekje is een uitgave van PoëzieCentrum in Gent.)

APRILSE GRILLEN

Als de lentewarmte brutaal gebroken wordt door gure noordenwind, als een striemende hagelbui de bloesems van de Japanse kerselaar geselt, als fruitbloesems sneuvelen in de onverwachte vrieskou… word ik meegesleurd naar het lagedrukgebied van de depressie. Hoewel die weersgrillen tot het verwachtingspatroon van april behoren, word ik er elk jaar opnieuw door onderuitgehaald. Want terwijl de eerste zon mij gisteren nog naar buiten riep, word ik nu binnenskamers verbannen – waar zich evenwel niet de behaaglijkheid van lange winteravonden uitstrekt. Huiverend kijk ik door het venster naar de zwiepende sneeuw, de bibberende narcissen en de vergeefs naar beschutting zoekende spreeuwen. En kan slechts met de dichter herhalen: April is the cruellest month.

EBBING, MISSOURI

Het verlangen naar gerechtigheid kan iemand volledig in beslag nemen. Dat is het geval met Mildred Hayes (in de film Three Billboards outside Ebbing, Missouri): haar dochter is op een brutale manier vermoord en na zeven maanden heeft het gerechtelijk onderzoek geen enkel resultaat opgeleverd. De politieagenten verlummelen hun tijd: het vergt sowieso minder moeite om strips te lezen, een kleurling af te tuigen of straatjochies het leven zuur te maken. Daarom huurt Mildred Hayes drie grote reclamepanelen en laat daarop de tekst plaatsen: Raped while dying / And still no arrests / How come, Chief Willoughby? Ze weet dat ze op weinig sympathie zal kunnen rekenen, al was het maar omdat de goegemeente liever niets te maken heeft met lastpakken. Het kan haar geen zier schelen dat sheriff William Willoughby aan kanker lijdt en terminaal is. De sheriff probeert haar uit te leggen dat ze de zaak wel onderzocht hebben, maar dat dit onderzoek, ondanks het gebruik van DNA-materiaal, op een dood spoor zit. Zij voelt zich gerechtigd: er is in haar leven maar één ding dat nog belang heeft. Ze laat zich door niemand de les spellen; dat haar tienerzoon uitgesloten wordt, neemt ze er op de koop toe bij. Uiteindelijk jaagt ze zichzelf zo op dat ze het politiebureau met molotovcocktails in brand steekt. Ze wordt tot bezinning gebracht door een terloopse opmerking: ‘Woede verwekt alleen maar meer woede’. Als ze enkele dagen later vertrekt om de mogelijke verkrachter te confronteren, vraagt ze zich af wat ze zal doen als ze hem vindt.

Het embleem van justitie is een weegschaal: niet de overgave aan het absolute sticht gerechtigheid, maar de bekwaamheid om betrekkelijke dingen te vergelijken en af te wegen. Woede is te gefixeerd op het verleden; gerechtigheid die een herstel van de orde nastreeft, kent het verleden, maar houdt de blik op de toekomst gericht. Daarom slaagt gerechtigheid er soms in om de weegschaal van de tijd in evenwicht te brengen. Woede vindt die maat nooit.

BIJ EEN PRUIMELAAR

‘Het schone van natuur passeert toch alle kunst’, dichtte Bredero ongeveer vierhonderd jaar geleden. Ik word aan het vers herinnerd door de tak van een pruimelaar die mijn vrouw afgeknipt heeft en in een vaas gezet. De tak is beginnen bloeien: op het oude, kromme hout is bloesem verschenen, tere witte blaadjes in een groene knop versierd met piepkleine gele meeldraadjes.

Vanop afstand doet het veelkleurige stilleven aan een schilderij van Van Gogh denken. Maar ik weet niet of ik het eens ben met Bredero: wordt het schone in de kunst overtroffen door natuurlijke schoonheid? Of helpt kunst ons om het schone van de natuur te zien? Door de lentebloesem van Van Gogh die op zijn doek enkele bloeiende takken inkadert, zien we wat voor een kunstenaar de natuur wel is; door de luchten van Turner zien we het penseel van de zon dat op de wolken fijne kleurlijntjes achterlaat; door de schilderijen van Monet kijk je anders naar de waterlelies, naar de kleuren die ze werpen op het water waarin de wilgen weerspiegeld staan.

Bestaat kunst uit de nabootsing van de natuur? Of is kunst de uitgelezen manier waarop de schoonheid van de natuur in de openbaarheid treedt?