AFGEROST

Op 3 januari 1889 verlaat Friedrich Nietzsche zijn kamer op de Piazza Carlo Alberto in Turijn. Eens op straat ziet hij hoe een paard door een koetsier afgeranseld wordt. Overweldigd door medelijden, valt hij het dier om de hals. Het is zijn laatste heldere daad, vooraleer hij, lichamelijk en geestelijk uitgeput, instort.

Daar werd ik aan herinnerd, toen ik gisteren het schilderij van Kurt Peiser zag op de tentoonstelling van KunstUur in Mechelen. Op de achtergrond afgejakkerde paarden, vooraan twee mannen en een gevallen paard: de ene probeert het grote dier recht te trekken, de andere geselt het met striemende stokslagen. Het paard is in vergelijking met de menselijke figuren buitengewoon groot geschilderd, maar het is bezweken onder het onmenselijk labeur.

Naar verluidt, had Kurt Peiser dergelijke taferelen waargenomen in de dokken van Antwerpen. Overal in de Europese steden werden paarden afgebeuld: ze werden ingezet om mensen te vervoeren en zware vrachten te dragen, dag en nacht moesten ze opdraven in de fabrieken, de mijnen, de havens.

Brutaliteit is de titel van het schilderij, het dateert van 1910.

GEBEURD

Terwijl ik in onze voortuin kijk naar de rozelaar die de ochtendlijke bui heeft doorstaan, verneem ik het overlijden van een verre vriend. Zelden waren de mij al jaren vertrouwde woorden van Werumeus Buning meer van toepassing:

Zo tedere schade als de bloemen vrezen

Van zachte regen in de maand van mei,

Zo koel en teder heeft uw sterven mij

Schade gedaan, die nimmer zal genezen.

En de dichter weet dat het gebeurde moet worden gedragen:

Gij hebt de witte en de rode rozenbladen
Gebeurd in uwe smalle hand…

Met het mooie woord ‘gebeurd’ van ‘beuren’ in de betekenis van ‘dragen’. Er is zoveel om te dragen.

HERBERGIER ERIC

Eric Hemelaersplein – zo heet voortaan het kruispunt van de Kortrijksestraat en de Schoolbergenstraat op de grens van Kessel-Lo en Linden. Het is genoemd naar Eric, jarenlang de cafébaas van De Kastaar. Eric was een bescheiden kastelein die in zijn etablissement voor een gezellige ambiance zorgde. Gisteren kwamen meer dan honderd mensen afscheid nemen, niet omdat het café sluit, maar omdat Eric op het punt staat te vertrekken naar waar zijn celestijnse naam hem roept. Het was een aangrijpend vaarwel en een eerbetoon aan een herbergier, een waard die erin geslaagd is mensen tussen pot en pint een herbergzame stek te geven.

LIEFLIJK BLAUW

Hun kies bestaan heeft een neerslag gevonden in de taal: myosotis of vergeet-mij-nietje. Ze worden myosotis of muizenoortje genoemd omdat ze even onopvallend zijn en zich in omzichtigheid hullen. Zo verandert het verbod dat in hun naam schuilt, in een vriendelijk verzoek: vergeet mij niet.

Volgens een verhaal uit onheuglijke tijden was de Schepper ze uit het oog verloren toen hij alle schepselen een naam gaf. Het bloemetje met de muizenoortjes zei: ‘Heer, vergeet mij niet’ – en de Heer, die volgens sommigen wel van een grap houdt, antwoordde: ‘Dat zal je naam zijn.’

Hun bescheiden bloei versiert nu onze tuin met het lieflijkste blauw. Al wat ze doen, is blomme zijn, maar intussen bewaren ze het diepste van alle menselijke verlangens: forget-me-not, Vergissmeinnicht, nomeolvides….

DE JAREN — ANNIE ERNAUX

Is er een tijdsgewricht dat over meer gegevens beschikt dan het huidige? Gegevens die betrekking hebben op het dagelijkse leven: wat en waar en hoeveel we kopen, wat en waar we eten, waar we met vakantie gaan, hoe lang we slapen, hoe vaak we seks hebben, hoe vaak we ziek zijn, hoeveel geld we besteden aan kleren en drank, enzovoort… We leven in de overdaad niet alleen van alle mogelijke consumptieartikelen, maar ook van alle soorten informatie en expertise. Alles wordt geanalyseerd en bediscussieerd – gebeurtenissen en gedragspatronen: verkrachting, ongelukkige kindertijd, verslaving, rouwarbeid, euthanasie… Men gelooft dat deze collectieve introspectie de individuele persoon modellen aanbiedt om zichzelf te vinden, te verwoorden, te zijn. Maar is niet eerder het omgekeerde het geval, vraagt Annie Ernaux zich af in De jaren. Wordt het niet steeds moeilijker om in de veelheid aan informatie die je om de oren vliegt, de zin te vinden die voor jou is en je in staat stelt om stand te houden?

Annie Ernaux constateert dat het verband tussen haar leven en het grote wereldgebeuren helemaal zoek is. Ze wordt overvallen door het gevoel er nooit echt geweest te zijn. Dat gevoel van onechtheid en afwezigheid wil ze overwinnen door een boek te schrijven, waarin ze het verstrijken van de historische tijd en een strikt persoonlijk leven op elkaar betrekt. Ze ontdekt dat de geschiedenis niet alleen vervat ligt in statistische gegevens, maar vooral gestalte krijgt in de unieke belevenis: ‘de verblindende zon op de muren van de San Michele-begraafplaats, gezien vanuit de schaduw van de Fondamenta Nuove’.

Annie Ernaux, De jaren. (Vert. Rokus Hofstede). De Arbeiderspers, 2020, 229p.

SOTTO VOCE

 ‘Nu het huis waar ik mijn jeugd heb doorgebracht, verkocht is, wou ik het nog een laatste keer zien. Ik heb geen sleutel meer, dus ging ik langs achter en keek door het keukenraam. Ik zag de stoel waarop ons moe altijd zat, en werd gegrepen door de afwezigheid, de verlatenheid. Bij het zien van die lege stoel kreeg ik het onverwacht moeilijk…’  Ze zegt het bijna fluisterend, want ze is aangedaan.

‘En ik werd herinnerd aan de woorden van de dichter: “niet het snijden, maar het afgesneden zijn”. Die geven heel juist weer wat ik voel.’

Samen lezen we het gedicht van Maria Vasalis:

Zoveel soorten van verdriet,

ik noem ze niet.

Maar één, het afstand doen en scheiden.

En niet het snijden doet zo’n pijn,

maar het afgesneden zijn.

‘Sotto voce’ heet het gedicht. Met gedempte stem…

BIJ WIJZE VAN SPREKEN

Vorig weekend is Remus, onze eenjarige kleinzoon, komen logeren. Hij zit in die wonderlijke fase waarbij hij eigenlijk nog geen woord zegt, maar veel begrijpt. ‘Wil je iets drinken?’,  ‘Eerst je boterhammetje opeten en dan gaan we naar Tiktak kijken’, ‘Gaan we eens naar buiten? Eerst je schoentjes aandoen’… De vragen en suggesties worden beaamd met een glimlach of een knorretje of een uitgestoken hand dan wel afgekeurd met een nee schuddend hoofd of een kreet van ontgoocheling of een wegwerpgebaar.

Twee keer worden wij geboren. De eerste keer wordt ons het leven geschonken, de tweede keer treden we toe tot de taal en de wereld. De eerste keer wordt de navelstreng doorgeknipt, de tweede keer wordt een streng geregen – een verbinding met woorden en mensen. Die tweede geboorte is aan de gang. A en ik zijn nu en dan de verloskundigen van dienst.

IMAGINE

Rustend in Aedicula, de nissen van de stilteplek in de Abdij van Park, hoor ik de beiaard die de Europese hymne speelt – de woorden van Schiller, getoonzet door Beethoven: Alle Menschen werden Brüder

Wie besteedt nog aandacht aan het betekenisvolle appel dat van die woorden uitgaat? Ze lijken ontzield achtergelaten, ontdaan van alle geloof en hoop, afgedankt als oude rommel.

Zalig de vredestichters…

Zalig de zachtmoedigen, want ze zullen het land erven…

Evenzovele woorden die in onbruik geraakt zijn, die we toeschrijven aan fantasten en wereldvreemde dromers. We hebben de verbeelding afgezworen omdat we menen alles te kunnen berekenen, en vergeten dat het moed vergt om die woorden ter harte te nemen.

I have a dream that one day black men and white men, jews and gentiles will be able to join hands…

Wij hebben deze woorden in de steek gelaten. We bewonen ze niet meer en daardoor zijn ze in verval geraakt – als verwaarloosde huizen.

VREDE ZIJ MET U, ALEKSEJ NAVALNY

Hoeveel mensen zijn in staat om met Niccolo Machiavelli te zeggen: ‘Ik hou meer van mijn geboortestad dan van mijn eigen ziel’? Toen Aleksej Navalny hersteld was van de door Poetins schrikbewind gepleegde vergiftiging die hem bijna het leven kostte, keerde hij vanuit Berlijn terug naar zijn vaderland Rusland. Want politiek draait niet om de zorg voor het eigen zelf, maar om de zorg voor de wereld, amor mundi. De kracht en de moed die hij daarbij aan dag legde, berusten op het fundamenteel principe: nooit begrip tonen voor het onaanvaardbare.