TRINI LOPEZ

In feite was zijn naam mij ontschoten. Maar toen ze op het journaal over zijn zangcarrière begonnen, kwamen alle liedjes terug: If I had a Hammer, en natuurlijk La Bamba. Dat daarin aangedrongen wordt op ‘una poca de gracia’ lapten wij aan onze laars. Wij schuimden onvervaard de dansvloer af, kozen à volonté meisjes om ze weliswaar heel braaf te kussen.

En onstuitbaar schoot de Vlaamse versie van zijn I wanna be in America door mijn hoofd. Geen West Side Story, geen raciale verschillen, geen heftige emoties, gewoon oer-Vlaamse rijwielkolder – vintage flauwekul, gezongen uit volle borst:

(I)k ree met de velo nor Amerika

‘k zag daar ne beatle in een pizjama

‘k zei bonjour en hij zei dada

‘k trok on zên hoar en hij riep mamaa

(op de melodie van I wanna be in America)

GEERT

Hij was de sterkste man die ik ooit aan het werk gezien heb, toen hij een gietijzeren kachel de trap opdroeg, één hoog, ondertussen lichtjes uitdagend, een van zijn geliefde poses, de smartlap van Louis Neefs zingend, ‘Ach Margrietje, de rozen zullen bloeien’. Hij had een stem als een klok, de vergelijking leek voor hem gemaakt, hij kon bulderen als geen ander, met meer decibel dan de schreeuw ‘Vlaanderen de leeuw’ van Jan Decleir in de film. Hij was een verbale tovenaar, onophoudelijk babbelend over de koers en het onderwijs en zijn moestuin en de kerk en alles wat in de vrolijke achtbaan van zijn hoofd opkwam, razend van de ene woordspeling naar de andere – een waterval van de talen die hij machtig was, het AN dat hij feilloos sprak, het Izegems, het Engels, het Duits… Hij was een gelovige die het christendom niet wou opgeven, maar op zoek ging, altijd opnieuw, naar het woord dat in den beginne was.

Een jaar geleden sloeg het noodlot snoeihard toe. Een zware hersenberoerte. Dagenlang lag hij tussen leven en dood, wekenlang wist hij niet dat hij leefde. Maar zijn vrouw, zijn kinderen en kleinkinderen wekten in hem het bewustzijn en brachten hem terug onder de mensen, tussen de woorden en de herinneringen en de gedachten.

Nu spreekt hij trager, hij neemt opnieuw deel aan gesprekken. Zijn kwinkslagen zinderen opnieuw door de kamer. Bij het afscheid vanmiddag zegt hij: ‘Ik zal niet meer de oude worden, maar ik word beter’. In onze blik glimt het aandenken aan een jarenlange vriendschap.

Austerlitz — W.G. Sebald

Het mooiste proza vind je bij de Duitse schrijver W.G. Sebald. In lang uitgesponnen, harmonieus opgebouwde, door nostalgie gedragen zinnen vertelt hij hoe pijn en verlies een spoor trekken door de levens van mensen en ze vervreemd achterlaten. Ontworteld en ontheemd is Jacques Austerlitz, met wie de ik-figuur uit de roman Austerlitz een gesprek begint in de wachtzaal van het Centraal Station van Antwerpen, die heel betekenisvol omschreven wordt als la salle des pas perdus. Ondanks zijn verbluffende kennis die zo uiteenlopende domeinen als architectuurgeschiedenis, het leven van motten en de veldslagen van Napoleon bestrijkt, voelt Austerlitz zich overal een vreemdeling. Mettertijd komt hij tot de ontdekking dat hij weliswaar als Daffyd Elias in een streng calvinistisch gezin in Wales is opgegroeid, maar in feite voor de oorlog in Praag is geboren als zoon van Joodse ouders. Stilaan daagt bij hem een klein vermoeden van wie hij is: waarom hij zo maniakaal geïnteresseerd is in de ontwikkeling van het spoorwegennet in Europa, waarom hij na zijn kindertijd in Wales tijdens een studieverblijf in Parijs heel vlot de Franse taal oppikt of waarom hij bij voorkeur vertoeft op die plaatsen in de wereld, zoals Theresienstadt, waar de vergetelheid heerst.

Het drama van Austerlitz is niet alleen dat hij radicaal van zijn verleden is afgesneden, maar vooral dat hij de kloof met zijn verloren verleden nooit meer kan dichten. Wat hem rest, zijn enkel herinneringssporen, zoals de aantrekkingskracht die van negentiende-eeuwse stations uitgaat. In het oeuvre van Sebald staat Austerlitz symbool voor de duisternis die de wereld omvat en voor de melancholische gedachte ‘hoe weinig wij kunnen vasthouden, wat er allemaal voortdurend in vergetelheid raakt, met elk uitgedoofd leven, hoe de wereld zich als het ware vanzelf leegmaakt doordat de verhalen die kleven aan de talloze plaatsen en voorwerpen die zelf geen vermogen tot herinnering hebben, nooit door iemand worden gehoord of opgetekend…’

 

W.G. Sebald, Austerlitz. (Vert. Ria van Hengel.) De Bezige Bij, 2003, 333p.

DE ACROBAAT

Le musée Rolin in Autun heeft enkele zalen met voorwerpen uit de Gallo-Romeinse tijd. Tussen de amforen en mozaïeken staat een vitrinekast met kleine figuurtjes, minder dan tien centimeter groot. Een ervan trekt mijn aandacht: een beeldje in koper, door de catalogus ‘De acrobaat’ genoemd. Het stelt een man voor die op zijn handen staat, de benen mooi naast elkaar omhoog, als een volleerd gymnast. Hij is niet naakt, maar draagt een korte broek; zijn gezicht dat mij aankijkt, is zichtbaar getekend door de inspanning, want het vertoont een grimmige trek. Volgens de catalogus fungeerde het figuurtje oorspronkelijk als voet: als steunpunt voor een kleine schrijn of een kandelaar.

In dat figuurtje ligt de hele menselijke beschaving samengevat. Dat doen wij: van nutsdingen maken wij een kunstwerkje. Een deur die twee kamers scheidt, wordt beschilderd met bloemen en vogels; het handvat van een snijmes is versierd met een jachttafereel; een tafelpoot wordt een acrobaat. Altijd opnieuw wordt de dwang van het noodzakelijke doorbroken.

Sapiens: zo luidt onze definitie – wijs, intelligent, denkend, weetgierig. Maar worden al deze activiteiten niet gevoed door het verlangen om wat alleen maar nuttig is te transformeren? Door de lust om te spelen? Er is geen sapiens zonder ludens.

STRALEND

Vandaag staan in De Standaard foto’s van mensen die elkaar na de lange spertijd voor het eerst opnieuw omhelzen: een moeder met haar zoon, twee zussen, een vader en zijn zwangere dochter. Maar de meest ontroerende foto toont twee negenjarige meisjes die al sinds hun kleutertijd beste vriendinnen zijn. Feitelijk zie je maar één gezicht, het andere is verstopt in de omhelzing: een gezicht van een meisje met lichtbolle wangen, een fijne neus, lange blonde haren, een lieve glimlach en de ogen dicht. De diepe gelukzaligheid die het gezicht uitstraalt, zou je een kind niet toedichten. Aan de hand die ze op de rug van haar vriendinnetje legt, zie je dat ze erg jong is. Stralend – anders kun je haar gezicht niet noemen: het straalt een (leef)tijdloze schoonheid uit, zoals de vrouwengezichten van Leonardo da Vinci. Soms wil ik het geloven: dat liefde mooi maakt.

VADERDAG

Soms kom ik ertoe om ja en amen te zeggen tegen het leven, ainsi soit-il. Gisteren bijvoorbeeld, na het bezoek van de kinderen, de eigen twee, en de andere twee, en de schoon-. Het was een gezellig weerzien na de voorbije spertijd: hoe ze in de tuin bij elkaar gingen zitten, hoe ze naar elkaar luisterden, naar de uitleg over de op handen zijnde bevalling (met doula?), over de verbouwing en de zoektocht naar een huis, over duurzaam en eenvoudig leven, over boeken en dat de meeste mensen deugen, over stijl en tijd. Tussendoor grapjes en plagerijen en ‘mm… ijs met aardbeien!’ Vader ben ik op deze dag – vader aan de zijde van A.

Amen, het zij zo! Laat dit het zijn.

Dank u. Ja. Dank u (God – misschien?).

EN DE KAT KWAM WEER

Beste meneer Vandenbosch,

We need to talk about Lee. Stop it.

Ik zeg u dit in alle sympathie, want ik heb altijd geloofd dat GAIA een belangrijk maatschappelijk probleem aankaartte. Er is onnoemelijk veel dierenleed in de wereld: in de gigantische beef farms, in de slachthuizen, in de dierenlaboratoria. De stompzinnige gruwel ervan is intussen omstandig gedocumenteerd. U kent ongetwijfeld ook de film Food, Inc van Robert Kenner of het boek Dieren eten van Jonathan Safran Foer.

Maar wat het katje Lee overkomt, heeft absoluut niets met mondiale dierenmishandeling te maken. Hoe u de gerechtelijke uitspraak dat het katje in leven mocht blijven gevierd hebt, daar heb ik maar één woord voor: belachelijk. Uw jarenlange inzet voor GAIA wordt hier in diskrediet gebracht. De zogenaamde zorg voor dit diertje wordt enkel ingegeven door kinderachtige sentimentaliteit. Het katje is in handen van mensen die zichzelf een goed geweten willen aanpraten. Weet u, au fond zijn zulke mensen gevaarlijk.

Twee dingen moeten mij nog van het hart.

Problemen moeten structureel aangepakt worden. Wie ze herleidt tot de psychologie van het medelijden, mismeestert ze.

We moeten leren de dingen in verhouding zien en een gepast oordeel vellen. De zaak rond het katje Lee was in alle opzichten buitenproportioneel.

Groet

EIKEN

Gisteren had ik zin om de Dikke Eik te bezoeken, de majestueuze, meer dan driehonderd jaar oude eik in het Meerdaalwoud. Ik wou het met hem hebben over het onuitsprekelijke voorval in de buurt van Turnhout. Ik had graag met hem een uurtje gerouwd. Er is geen woord voor die schanddaad. Moorden doe je, als je mensen van het leven berooft. Doden, als je dieren ombrengt – en volgens de Mozaïsche wet, die het moorden verbiedt, is dat nauwelijks een probleem. Maar hoe noem je de aanval op een levend wezen dat honderden jaren oud kan worden, als een duizenden kilo’s wegende reus in de grond geplant staat en meer dan een miljoen blaren heeft? En hoe noem je de aanval op meer dan honderd van die wezens?

SST

‘Muisstil’ duidt het ontbreken van geluid aan, ‘windstil’ het ontbreken van beweging. Muisstil is het wanneer je het trippelen van een muis zou horen of het vallen van een speld, windstil is het wanneer geen blaadje zich roert, geen grasspriet beweegt. Maar geen van beide woorden zegt iets over hoe die stilte waargenomen wordt. Wordt ze ervaren als dreigend of unheimlich, slaat ze met verstomming, verlamt ze, zaait ze paniek? Of wordt die stilte ervaren als rustgevend, als troostend en kalmerend? Blijf je een buitenstaander, een vreemde die enkel registreert? Of word je verwelkomd als een gast, opgenomen als een vriend? Dan kun je toetreden tot de stilte en valt ze je ten deel als een geschenk. Dan ervaar je de sereniteit van een wederzijdse overeenkomst: hoe de buitenwereld en je gemoed elkaar woordeloos groeten.

WO II

In de eerste dagen van mei 1945 eindigde in Europa de Tweede Wereldoorlog. België herdenkt dit niet.

In 1986, kort voor zijn dood, schreef Primo Levi, overlevende van Auschwitz:

De hele geschiedenis van het kortstondige ‘Duizendjarige Rijk’ kan gelezen worden als een oorlog tegen het geheugen, een vervalsing van het geheugen, een vervalsing en ontkenning van de werkelijkheid, tot en met de uiteindelijke vlucht uit diezelfde werkelijkheid. Alle biografieën van Hitler stemmen op één punt overeen: zijn laatste jaren, vooral vanaf de eerste Russische winter, werden getekend door een vlucht uit de werkelijkheid. Hij had zijn onderdanen de toegang tot de waarheid verboden en ontzegd en daarmee hun moreel besef en hun geheugen aangetast, maar had al doende hoe langer hoe meer, tot de uiteindelijke paranoia van de Bunker, de weg naar de waarheid ook voor zichzelf versperd. Zijn val is niet alleen een verlossing voor de mensheid geweest, maar ook een voorbeeld van de prijs die men betaalt wanneer men de waarheid geweld aandoet.

(Uit I sommersi e i salvati / De verdronkenen en de geredden)

Zijn er geen redenen te over om te gedenken dat Hitler verslagen is met de overweldigende steun van Stalin, dat nazi-Duitsland verslagen is in een oorlog die beide partijen heeft verleid tot nooit geziene oorlogsmisdaden, dat zogenaamde beschavingen dus in staat zijn tot het allerergste…?