EIKEN

Gisteren had ik zin om de Dikke Eik te bezoeken, de majestueuze, meer dan driehonderd jaar oude eik in het Meerdaalwoud. Ik wou het met hem hebben over het onuitsprekelijke voorval in de buurt van Turnhout. Ik had graag met hem een uurtje gerouwd. Er is geen woord voor die schanddaad. Moorden doe je, als je mensen van het leven berooft. Doden, als je dieren ombrengt – en volgens de Mozaïsche wet, die het moorden verbiedt, is dat nauwelijks een probleem. Maar hoe noem je de aanval op een levend wezen dat honderden jaren oud kan worden, als een duizenden kilo’s wegende reus in de grond geplant staat en meer dan een miljoen blaren heeft? En hoe noem je de aanval op meer dan honderd van die wezens?

SST

‘Muisstil’ duidt het ontbreken van geluid aan, ‘windstil’ het ontbreken van beweging. Muisstil is het wanneer je het trippelen van een muis zou horen of het vallen van een speld, windstil is het wanneer geen blaadje zich roert, geen grasspriet beweegt. Maar geen van beide woorden zegt iets over hoe die stilte waargenomen wordt. Wordt ze ervaren als dreigend of unheimlich, slaat ze met verstomming, verlamt ze, zaait ze paniek? Of wordt die stilte ervaren als rustgevend, als troostend en kalmerend? Blijf je een buitenstaander, een vreemde die enkel registreert? Of word je verwelkomd als een gast, opgenomen als een vriend? Dan kun je toetreden tot de stilte en valt ze je ten deel als een geschenk. Dan ervaar je de sereniteit van een wederzijdse overeenkomst: hoe de buitenwereld en je gemoed elkaar woordeloos groeten.

WO II

In de eerste dagen van mei 1945 eindigde in Europa de Tweede Wereldoorlog. België herdenkt dit niet.

In 1986, kort voor zijn dood, schreef Primo Levi, overlevende van Auschwitz:

De hele geschiedenis van het kortstondige ‘Duizendjarige Rijk’ kan gelezen worden als een oorlog tegen het geheugen, een vervalsing van het geheugen, een vervalsing en ontkenning van de werkelijkheid, tot en met de uiteindelijke vlucht uit diezelfde werkelijkheid. Alle biografieën van Hitler stemmen op één punt overeen: zijn laatste jaren, vooral vanaf de eerste Russische winter, werden getekend door een vlucht uit de werkelijkheid. Hij had zijn onderdanen de toegang tot de waarheid verboden en ontzegd en daarmee hun moreel besef en hun geheugen aangetast, maar had al doende hoe langer hoe meer, tot de uiteindelijke paranoia van de Bunker, de weg naar de waarheid ook voor zichzelf versperd. Zijn val is niet alleen een verlossing voor de mensheid geweest, maar ook een voorbeeld van de prijs die men betaalt wanneer men de waarheid geweld aandoet.

(Uit I sommersi e i salvati / De verdronkenen en de geredden)

Zijn er geen redenen te over om te gedenken dat Hitler verslagen is met de overweldigende steun van Stalin, dat nazi-Duitsland verslagen is in een oorlog die beide partijen heeft verleid tot nooit geziene oorlogsmisdaden, dat zogenaamde beschavingen dus in staat zijn tot het allerergste…?

MEIKLOKJES

Ze verstoppen zich achter het brede groen van hun blad, maar hun lieflijk bedwelmende geur geeft lucht aan hun discrete bestaan. Muguets worden ze in het Frans genoemd, of musguets, afgeleid van musc, omdat aroma hun wezen bepaalt. Een achttal kleine klokjes klingelt onhoorbaar in de schaduw van de lindeboom. Elk jaar opnieuw als de meimaand op til is, betoveren ze met hun wit samenspel en herinneren ons aan pril geluk. De precieuze omschrijving lelietjes-van-dalen probeert ze in de adelstand te verheffen, maar ik hecht aan hun proletarische naam die bij de verzuchtingen van 1 mei past.

De droom van de Ier – Mario Vargas Llosa

De Ier in kwestie is Roger Casement, die in 1884 op twintigjarige leeftijd in Liverpool inscheept om in de recentelijk door het Westen ontsloten gebieden aan de Congostroom in centraal Afrika te gaan werken. Het is zijn droom om zijn diensten aan te bieden aan zijn jeugdheld, Henry Morton Stanley, de bij leven al legendarische ontdekkingsreiziger, die na een maandenlange expeditie door het tropische oerwoud de wereld verkondigde dat hij de mysterieuze, maar populaire zendeling en arts, David Livingstone, had gesproken. Door zijn inzet en bekwaamheid maakt Casement snel carrière en al na enkele jaren wordt hij benoemd tot consul van het Britse Rijk. In die hoedanigheid vertrekt hij naar het Congolese binnenland om de alsmaar luider klinkende geruchten over corruptie en slavenhandel te onderzoeken. Hij kan slechts constateren dat de werkelijkheid gruwelijker is dan welke fictie ook. Zijn droom spat uiteen: de kolonialen hebben de drie c’s van christendom, commercie en civilisatie vervangen door de éne c van chicote, de uit nijlpaardenvel vervaardigde zweep die ontelbare ruggen en billen heeft verminkt. In zijn rapport brengt hij gedetailleerd verslag uit van de systematische wreedheden waarbij tienduizenden inboorlingen worden gemarteld en gedood. Zo heeft Roger Casement ervoor gezorgd dat het krankzinnige besluit waarbij het reusachtige land Congo als persoonlijk bezit werd afgestaan aan Leopold II, werd ingetrokken.

Casement wordt gelauwerd, vooral door organisaties die ten strijde trekken tegen slavernij en koloniale uitbuiting en opkomen voor mensenrechten. Maar zijn lijdensweg is niet ten einde. Hij krijgt een consulaat aangeboden in Brazilië en ontdekt tot zijn onnoemelijk afgrijzen dat zich daar op de grens met Peru en Colombia gelijkaardige wreedheden voltrekken: het winnen van rubber en het verdienen van geld rechtvaardigen de afschuwelijkste misdaden tegen de zogenaamde heidenen die natuurlijk altijd kannibalen zijn en moordenaars van hun eigen kinderen. Na een nieuw ophefmakend rapport wordt Roger Casement geridderd.

Hij is amper vijftig jaar, maar hij is moe en ziek. Bovendien is hij tot de bevinding gekomen dat het Britse Rijk al eeuwen Ierland bezet en koloniseert. Hij schaart zich bij de nationalistische beweging die ijvert voor de onafhankelijkheid van Ierland. Met deze nieuwe droom begaat hij de blunder van zijn leven: hij wil van de in 1914 begonnen oorlog gebruik maken om de steun van Duitsland voor de Ierse zaak te winnen. Tijdens de Paasopstand in 1916 wordt hij gevangen genomen en enkele maanden later geëxecuteerd. Mensenrechtenorganisaties hebben geprobeerd om de doodstraf te laten omzetten in levenslange opsluiting, maar tijdens hun campagne worden dagboeken gevonden waarin Roger Casement vertelt over homoseksuele avontuurtjes. Nog altijd woedt de discussie over de echtheid van die bladzijden. Hoe dan ook, voor de systematische marteling van duizenden zwarten of indianen is niemand terechtgesteld…

El sueno del Celta grijpt je naar de keel. Mario Vargas Llosa ontpopt zich (eens te meer) als een geëngageerd schrijver, een meesterlijke verteller, en grandioze stilist. Onder meer voor deze duizelingwekkende roman kreeg hij (terecht) de Nobelprijs voor literatuur.

Mario Vargas Llosa, De droom van de Ier. Meulenhoff, 2010, 400p.

OORLOGSGRAVEN

Het stadskerkhof van Leuven is een park dat wandelaars uitnodigt om er in stilte te passeren en korte tijd te vertoeven. Zodoende kom ik langs oorlogsgraven van buitenlandse soldaten en ontdek dat hier al 75 jaar Russische en Nieuw-Zeelandse jongens liggen, enkele niet ouder dan 19 jaar, omgekomen tijdens de Tweede Wereldoorlog. Sommige Russen waren krijgsgevangenen van de Duitse bezetter, de Nieuw-Zeelanders maakten deel uit van het vermaarde RAF – als ‘pilot’ of ‘air gunner’. Met mijn hand op de bleke, rechtopstaande steen lees ik de namen en opschriften, terwijl ik mij huiverend inbeeld dat mijn zoon aan de andere kant van de wereld in Nieuw-Zeeland gesneuveld zou zijn.

De onvermijdelijke spreuk van Horatius klinkt nu onwezenlijk: ‘Dulce et decorum est pro patria mori’ / ‘Het is een zoete eer om voor het vaderland te sterven’. En verder: ‘Always to be remembered’. De aanmaning die door ‘to be’ verwoord wordt, getuigt nog van een postume eerlijkheid. Want wie zal die plicht vervullen?

Ik kijk naar de prachtige, oude beuken die hun takken met de nieuwe blaadjes tot boven de zerken uitstrekken, hun wortels in de aarde van de gevallenen.

GOEDE VRIJDAG

Het is vandaag Goede Vrijdag. Christenen herdenken de dood van Jezus van Nazareth, die ze de Zoon van God noemen. Hij zou aan het kruis gestorven zijn om de zonden van de wereld weg te nemen. Op Paaszondag staat hij op uit het graf om naast zijn Vader in de hemel plaats te nemen.

Dit verbijsterende verhaal staat opgetekend in de evangelies. We kunnen er lezen dat Jezus voor zijn dood gefolterd werd, dat hem een doornenkroon werd opgezet: ‘corona de spinis’ staat er in de Latijnse vertaling.

Over zonden hebben we het niet vaak meer. Maar het beeld van dood en verrijzenis blijft ons aanspreken. Zullen we dat vandaag gebruiken?

Is ons een doornenkroon op het hoofd gedrukt? Zullen we uit deze beproeving opstaan, als uit de doden?

En als we deze beeldspraak gebruiken, durven we ons dan ook af te vragen op welk kruis we vastgenageld zijn?

 

MUSSEN

Het bestand van de huismus willen we kennen. Om een of andere reden hebben we geen vertrouwen meer in onze Vader, zonder wie niet één mus op de grond zal vallen. Tellen dus! Tot mijn verbazing is hun aantal enorm gestegen. Ik tref ze overal aan: J die vroeger al eens ging fietsen, is een huismus geworden; K die zich graag naar de Oostkantons begaf, en L naar de kust, ook; P de sporter, B de kaarter, allemaal blijven ze in hun nest. Ik geloof dat ik ook veren begin te krijgen en niet verder kom dan: tjielp tjielp tjielp etc. Maar ik heb geluk: ik leef met een zotte mus.

 

IN MEMORIAM LIESBETH LIST

Enigszins van slag door het nieuws dat Liesbeth List gestorven is, ben ik in mijn zoektocht down the memory lane terechtgekomen bij haar elpee met de Mauthaus-liederen op muziek van Mikis Theodorakis. In een onontwarbare mengeling van hoop en vrees zingt ze met haar kristallijnen stem verzen die nu in deze quarantaine-tijden een aparte betekenis krijgen.

 

O liefste, als je terug zult komen, kus me.

O liefste, zal ik bij je komen, draag me.

Als deze oorlog ooit nog eindigt, o mijn liefste.

Als deze oorlog ooit nog eindigt, o mijn liefste.

Mijn liefste, laat ons dan beminnen

En in de stad elkaar omhelzen,

Op alle pleinen, in de straten.

O liefste, als je terug zult komen, kus me.

O liefste, zal ik bij je komen, draag me.

Als deze oorlog ooit nog eindigt, o mijn liefste.

Als deze oorlog ooit nog eindigt, o mijn liefste.

Laat heel de wereld dan ons bed zijn,

Laat ons beminnen in het zonlicht

Totdat de doden zijn verdwenen.

O liefste, als je terug zult komen, kus me.

O liefste, zal ik bij je komen, draag me.

Als deze oorlog ooit nog eindigt, o mijn liefste.

Als deze oorlog ooit nog eindigt, o mijn liefste.

 

En mijn gedachten gaan uit niet alleen naar onze door een corona-crisis geplaagde samenleving, maar ook naar Griekenland, dat Mikis Theodorakis zo dierbaar is. Naar de bakermat van onze beschaving, enkele jaren geleden financieel gewurgd en nu humanitair in de steek gelaten. Naar de hedendaagse kampen Chios en Lesbos…

CORONA ZEDEN

 

Toegegeven: er steekt ook wel charme in de sociale afstand die nu van ons gevraagd wordt. Mensen – buren, kennissen, vrienden – passeren op straat langs ons huis en salueren, molenwiekend om onze aandacht te trekken. En wij, die in onze erker zitten terwijl we een kruiswoordraadsel invullen of een boek lezen, openen het venster. Zo houden we een conversatie, van binnen achter het geopende venster naar buiten achter de ligusterhaag die onze voortuin scheidt van de stoep. Plots hebben we interesse in de kleinste dingen uit elkaars dagelijkse leven: ‘ja, ik doe thuiswerk, ik heb geen buro, maar ik heb de computer met groot scherm vanop het werk op de eettafel geïnstalleerd’, ‘wij willen al enkele dagen eens pannenkoeken bakken, maar in de supermarkt is geen ei te bespeuren’, ‘ik had gisteren niet naar ons moeder gebeld, en gisteravond om half elf belde ze zelf om nog even een woordje te wisselen’… En we beloven elkaar dat we ons niet laten kisten en plannen een etentje binnen afzienbare tijd of een gezamenlijke wandeling en uitstap: ‘wij gaan hier direct een pint drinken en klinken op jullie gezondheid’ – ‘wij, straks als we thuiskomen, op die van jullie’.

Maar die knuffel – die handdruk, die hand op mijn schouder, die vluchtige kus op mijn wang, die nauwelijks merkbare aanraking van die vriend of vriendin die precies dat te verstaan geeft: ‘wij zijn vrienden’ – die mis ik. Bijna als een lichaam met fantoompijn.