FEBRUARIE

De terugkeer van de lente gebeurt elk jaar opnieuw onverhoeds. De lucht nijpt niet langer je longen dicht, maar gunt je de vrijheid van het ademen. Een bries vaart over het land, zo vol als het gelaat van een boerenjongen die in een mondharmonica blaast, aldus Paul van Ostaijen in het gedicht ‘Februarie’. De bomen herademen, geen enkele vertoont groen, en toch is geen enkele nog winterdood. Onzichtbaar nestelt een eerste huiver zich in het gewas en blaast een hunkering in al wat leeft. Het reikhalzen begint, een nauwelijks hoorbaar ‘ja’ komt voorzichtig, maar onstuitbaar in beweging.

OTIS

Het liefste wat er bestaat, hebben we dit weekend op bezoek gehad.

Dat hij ’s morgens om half vijf wakker wordt, met een volle pamper en de tirannieke eis om asap te drinken vergoelijkt hij, zoals hij alleen dat kan: met de allerinnemendste glimlach, onweerstaanbaar vriendelijke oogjes, en knorgeluidjes tijdens het drinken. Zijn andere troeven houdt hij voor overdag: nimmer verslappende aandacht voor het kleinste, een prop verfrommeld papier, de knoop van mijn hemd, mijn neus (tja), uitbundig gekraai en gefrazel, waarmee hij zich tot zijn favoriete gesprekspartner wendt, zijn tutter, die hij uit zijn mond neemt om hem er weer in te stoppen.

Om zoveel overvloed te delen zijn wij, grootouders, met z’n vijven…

Gelukkig…

GEDICHTENDAG 2021

Moeder

Zijzelf was als de zee, maar zonder stormen.

Even blootshoofds en met een brede voet.

Rijzend en dalend op haar vloed,

als kleine vogels op haar schoot gezeten,

konden wij lange tijd haarzelf vergeten,

rustend en rondziend en behoed.

Haar stem was donker en wat hees

als schoven schelpjes langs elkander,

haar hand was warm en stroef als zand.

En altijd droeg zij om haar bruine hals

dezelfde ketting met een ronde maansteen,

waar in neevlig blauw een kleine gele maan scheen.

Voorgoed doordrongen door haar kalm geruis

waren wij steeds op reis en altijd thuis.

M. Vasalis, Vergezichten en gezichten (1954)

DE EED

Amanda Gorman heeft velen aangesproken met een tot de verbeelding sprekende performance. Ze was een elegante verschijning met haar modieuze, stijlvolle jas en haar sierlijk Afro-kapsel, maar maakte vooral indruk met haar fantastisch declamatorisch vermogen. Met haar tekst neemt ze afscheid van het debacle van de voorbije jaren, ze bezweert en prijst, ze vraagt ons na te denken over de opdracht van de democratie. Merkwaardig genoeg, schrikt ze er niet voor terug om bij deze politieke gebeurtenis diep-religieuze taal te hanteren. Daarbij doet ze een beroep op twee fundamenteel religieuze thema’s: ‘redemption’ (‘verlossing’) en ‘mercy’ (‘genade’). Bovendien verwijst ze uitdrukkelijk naar de Schrift (‘Scripture’) en citeert ze op een licht verdoken manier de fameuze Bergrede van Jezus.

‘Be the light’ herhaalt de woorden uit de Bergrede: ‘jullie zijn het licht van de wereld’, ‘jullie zijn het zout van de aarde’. Deze woorden bevatten niet de specifiek christelijke doctrine, maar putten uit een archetypische religieuze symboliek. Amanda Gorman roept ons op ‘to live up to our own time’, om volledig hedendaags te zijn en de moeilijkheden van onze tijd aan te pakken, en grijpt desalniettemin terug naar die weinig eigentijdse, in de vergetelheid geraakte religieuze taal.

Een tweeëntwintigjarige studente van het prestigieuze Harvard poogt haar land te reanimeren en zoekt daarvoor inspiratie in de woordenschat van oude religies. Heeft ze de grenzen van de geseculariseerde staat overschreden of heeft ze ons herinnerd aan wat we vergeten: de sacraliteit eigen aan de eedaflegging van een president? In deze godverlaten tijd resten ons weinig woorden om sacrale momenten op te luisteren. Misschien is het gepast om ons voorzichtig te wenden tot die tradities die nog enige voeling hadden met wat het profane overstijgt en ons helpen om de vierjaarlijkse ritus waarin een democratische samenleving zichzelf vernieuwt, zinvol te vieren.

The pen is mightier than the sword

De woorden die Amanda Gorman gisteren bij de inauguratie van Joe Biden sprak, zinderen na. In vijf minuten heeft ze vier jaar vuilbekkerij overvleugeld. Zoals Martin Luther King met een zeldzaam gevoel voor ritmiek I have a dream psalmodieerde, zoals rappers hun zinnen met rijmwoorden scanderen, zo kondigde ze een nieuwe dageraad aan, haar woorden rijgend met het weefgetouw van haar handen. In sterke alliteraties rouwde ze om een ‘gewonde wereld’ (‘wounded world’), en ze voegde er de bedenking aan toe dat rouw niet het einde is: ‘even as we grieved, we grew’. In een staccato van c’s beklemtoonde ze de steile opdracht ‘to compose a country committed to all cultures, colors, characters, and conditions of man’.

Ze bracht een ode aan de democratie toen ze verwees naar de natie die niet gebroken is, maar gewoon onvoltooid: ‘we have weathered and witnessed a nation that isn’t broken, but simply unfinished’. Die democratie zal het halen en triomferen, ‘niet omdat we nooit meer zullen verslagen worden, maar omdat we nooit meer verdeling zullen zaaien’ (‘not because we will never again know defeat, but because we will never again sow division’).

Hoe kan dat geschieden? ‘If we merge mercy with might, and might with right’: niet door het recht van de sterkste, maar door recht te koppelen aan macht en macht te verbinden met ‘mercy’, barmhartigheid, vergevingsgezindheid, genade.

Haar laatste woorden maakten komaf met de opmerking dat idealisme naïef is of een vlucht uit de werkelijkheid. Nee, het vraagt moed, de durf om het licht niet alleen te zien, maar om het te belichamen, te ZIJN.

For there is always light,
if only we’re brave enough to see it.
If only we’re brave enough to be it.

ONPRESIDENTIEEL

Wat Trump, zij het indirect of in tegenlicht, laat zien, is het onschatbare belang van politiek. Want elk land wordt bedreigd door een democratisch deficit, in elk land worden mensen uitgesloten of gediscrimineerd, in elk land vragen de media aandacht voor dingen die er nauwelijks toe doen, elk land gaat gebukt onder inkomensongelijkheid, elk land verzuimt te luisteren naar burgers in nood, elk land lijdt aan een gebrekkig wettelijk systeem, enzovoort.

Politiek leeft van de belofte om dat deficit aan te pakken. Dat Trump deze belofte compleet uitgehold en tot op het bot geperverteerd heeft, is zijn grootste misdaad.

De menselijke maat — Roberto Camurri

De titel doet denken aan een filosofisch traktaat, maar het verhaal van de Italiaanse auteur, Roberto Camurri, bevat geen abstracte redeneringen of abstruse beschouwingen. Integendeel, het is gedrenkt in een concrete zinnelijkheid die uitmondt in ontroerende beschrijvingen van de lucht en de zee, van zomerse warmte en vochtige kou, van de geuren en kleuren die de lichamen van oude en jonge mensen omgeven en prikkelen. De vertelde gebeurtenissen spelen zich af in Fabbrico, een onbenullig dorp in de Povlakte. De hoofdfiguren zijn een stel jongeren die hun leven proberen op gang te krijgen. Drie van hen, Davide, Valerio en Anela, zitten verwikkeld in een driehoeksverhouding. Allen dragen een onbestemd verleden mee dat hen op een duistere manier tekent en verleidt om zich in drank en drugs te verliezen.

Ze wisselen weinig woorden, want ze missen vaak het geschikte moment om iets ter sprake te brengen. Ze leven in gedeelde herinneringen, en komen gaandeweg tot het besef dat ze op elkaar aangewezen zijn. Ze leren dat liefde en genegenheid bestaan uit een weefsel van onvolkomenheden. Ze aanvaarden hoe absurd het is om iemand blijvend lief te hebben en ook tijdens de momenten van verraad en ontrouw in die liefde te volharden. De vraag naar welke maat de mensen hier op aarde gegeven is, krijgt zo een onrechtstreeks antwoord in een pakkend verhaal over menselijke tekortkomingen. ’s Mensen maat ligt in het vermogen om zich te verzoenen met wat eerst onherstelbaar en onverdraaglijk leek: ‘ze kijken elkaar aan, hun haren in de war door de wind, hun gezichten zo dicht bij elkaar dat ze, als ze zouden willen, op hun huid het moment zouden kunnen herkennen waarop ze elkaar zijn kwijtgeraakt’.

Roberto Camurri, De menselijke maat. De Bezige Bij, 2018, 220p.

KERST 2020

Omdat het geluk een herinnering is

bestaat het geluk omdat tevens

het omgekeerde het geval is,

ik bedoel dit: omdat het geluk ons

herinnert aan het geluk achtervolgt het

ons en daarom ontvluchten wij het

en omgekeerd, ik bedoel dit: dat wij

het geluk zoeken omdat het zich

verbergt in onze herinnering en

omgekeerd, ik bedoel dit: het geluk

moet ergens en ooit zijn omdat wij dit

ons herinneren en dit ons herinnert.

Rutger Kopland, Tot het ons loslaat (1997)

DECEMBER

Met breekbaar blauw kleurt waterig winterlicht wat van de hemel rest. Een rossige kater nestelt zich in de weinige warmte van de vensterbank en knijpt zijn ogen dicht. Tegen het oude tuinhek leunt moe een bosje bleke rozen. De dagen korten, niet in staat het schamele te verhelen. Het luttele dat blijft, volhardt in zijn krimp.

ZIELEN

Hoe meer zielen, hoe meer vreugd. Die spreuk nemen we gemakkelijk in de mond, maar misschien leren we nu pas de volle draagwijdte ervan kennen. Ze stamt uit onheuglijke tijden, toen men nog over zielen sprak of mensen nog een ziel toedichtte. We hebben dat woord verbannen naar de schroothoop van het roomse verleden en ons wijs gemaakt dat we zonder kunnen.

‘Hoe meer mensen, hoe meer vreugd’, zegt toch hetzelfde – of niet? We komen uit een tijd die ons fysieke afstand oplegde en verbood om met meer dan een handvol mensen samen te komen. Geen feesten, geen bruiloften, geen begrafenissen – tenzij in beperkte kring. Vergaderen deden we digitaal – Zoom of Teams. De gezichten van de mensen met wie we vergaderden, stonden op het scherm; we staken een (digitale) hand op als we iets wouden zeggen; we spraken elk om beurt. Perfect toch?

Maar digitaal tafelen of samen komen voor een glas en een babbel lukt nauwelijks of niet. Zielen blijven er weg. Ze hebben een realiteit die niet op een scherm verschijnt. Ze zijn enkel waarneembaar als zintuigen samen gegevens uitwisselen. Ze zijn zichtbaar door de tastbare aanwezigheid van een lichaam, ze zijn hoorbaar in een zichtbare lach, ze zijn tastbaar in de hoorbare ruimte van een stemmig samenzijn. Zielen geven gestalte aan lichamen die spreken en lachen en huilen en zich opwinden en blozen en zich laten gaan en schrikken… Ze suggereren een binnenkant, maar eigenlijk zorgen ze voor de veelzijdige subtiliteit van het leven aan de buitenkant.