Alles stroomt — Vasili Grossman

Geconfronteerd met de dagelijkse oorlogsbeelden, grijp ik naar het verhaal Alles stroomt. De Joodse auteur Vasili Grossman werd in 1905 geboren in de Oekraïnse stad Berdytsjiv – van de meer dan 20.000 Joden in die stad ten westen van Kiev bleven er na de oorlog nauwelijks 100 over. Tijdens de oorlog trekt Grossman als oorlogscorrespondent mee met het Rode Leger. In die functie bereikt hij samen met de Russische troepen Treblinka, het door de nazi’s ontmantelde en achtergelaten vernietigingskamp, waar vermoedelijk 800.000 mensen omgebracht werden. Grossmans verslag werd tijdens het proces van Neurenberg als bewijsmateriaal gebruikt.

Maar Alles stroomt is geen verheerlijking van de Russische overwinning op nazi-Duitsland. Integendeel, Grossman stelt Stalin gelijk met Hitler en breekt ook met de mythe als zou Lenin alleen maar zuivere bedoelingen gehad hebben en de communistische revolutie door Stalin verknoeid zijn. Het vrouwelijk hoofdpersonage uit de roman vertelt de gruwelijke geschiedenis die bekend staat als Holodomor, het door Stalin georganiseerde voedseltekort, waardoor in Oekraïne, de graanschuur van de wereld, miljoenen mensen omkwamen van de honger. Bovendien rekent Grossman af met de mystiek van de Russische ziel: de zogenaamde zachtmoedigheid ervan is volgens hem geschapen en getekend door duizend jaar slavernij, ze is een volgzaamheid die wacht op het juiste moment om zich te wreken. Dit alles verklaart waarom de romans van Grossman in de Sovjet-Unie verboden waren en ze pas jaren na zijn dood (in 1964) in het Westen konden worden gepubliceerd.

Alles stroomt: de titel is een vertaling van de Griekse spreuk ‘panta rhei’, die aan Heraclitus toegeschreven wordt. Alles verandert, je kunt geen twee keer in dezelfde rivier stappen. Grossman heeft wel wat bedenkingen bij deze opvatting, die alles lijkt te relativeren en te onderwerpen aan de tand des tijds. Hij spot ermee: ‘Ja, alles stroomt, alles verandert, je kunt niet tweemaal in dezelfde transporttrein stappen.’ Volgens Grossman hebben we nood aan onveranderlijke principes: ‘vrijheid is het hoogste goed, er bestaat op de hele wereld geen doel waarvoor vrijheid mag worden opgeofferd.’ Die vrijheid is tijdens de geschiedenis van Rusland, door het tsarendom en door het totalitaire bewind van Lenin en Stalin, gedood.

Vasili Grossman, Alles stroomt. De Geus, 2009, 224p.

NIKE IN OEKRAÏNE

Mogen we dromen van een heruitgave van wat zich tussen Griekenland en Perzië heeft afgespeeld in de vijfde eeuw voor onze jaarrekening?

De oorlogen tussen enerzijds het grote Perzische rijk en anderzijds de verenigde Griekse stadsstaten zijn verbonden met plaatsnamen die nog altijd tot de verbeelding spreken. De eerste oorlog werd beslecht bij Marathon, waarna een ijlbode – volgens sommigen Phidippides geheten – in één ruk naar Athene liep, er uitschreeuwde ‘wij hebben gezegevierd’ / ‘nenikêkamen’, en dood neerviel. De tweede oorlog kende als heroïsch hoogtepunt de slag bij Thermopylae: enkele honderden Spartaanse hoplieten onder leiding van Leonidas probeerden bij een nauwe bergpas de opmars van het gigantische leger uit Perzië te stoppen. Tevergeefs – Leonidas en de zijnen sneuvelden, maar gaven de rest van het Griekse leger de tijd om zich te hergroeperen en het Perzische leger uiteindelijk te verslaan. De Griekse geschiedschrijver Herodotus heeft het over honderdduizenden Perzische soldaten. We kennen de exacte cijfers niet, maar vaststaat dat het Perzische leger veel groter was dan het Griekse. Historici zijn het erover eens dat de Grieken triomfeerden omdat ze als vrije mannen vochten tegen een leger van slaven: de Griekse democratie overwon het Perzische despotisme.

Mogen we dromen? Dat gekrenkte manhaftigheid het ook in onze tijd van kille berekening en technologie haalt. Dat moedige verontwaardiging opgewassen is tegen de terreur van totalitair kwaad. Dat offervaardigheid nog altijd zinvol is.

Mogen we dromen…

Het verzoek — Michèle Desbordes

Weinig historische figuren spreken zo tot de verbeelding als Leonardo da Vinci. Na jaren van omzwervingen door de Italiaanse landstreken, waarbij de rivaliserende steden Milaan, Firenze en Rome een beroep deden op zijn geniale vaardigheden als schilder en architect en ingenieur en beeldhouwer, aanvaardt hij op hoge leeftijd de uitnodiging van Frans I, de koning van Frankrijk, om plannen te ontwerpen voor de verfraaiing en uitbreiding van kastelen aan de Loire. Aan die drie laatste jaren van Leonardo’s leven, van 1516 tot 1519, heeft de Franse schrijfster Michèle Desbordes een fictief verhaal gewijd.

Leonardo wordt er samen met zijn leerlingen, Melzi en Salai, ondergebracht in een ruim landhuis niet ver van de rivier, waar een oudere vrouw uit de streek, Tassine, belast is met de dagelijkse zorg. Tussen de vermoeide meester en de bejaarde dienster groeit een stille genegenheid. Hij vraagt zich af wat er zal overblijven van al zijn bemoeienissen, zijn studies en uitvindingen en hij vreest dat ze het lot beschoren zijn van Jezus en de apostelen uit Het Laatste Avondmaal: ‘flauwe tinten, vervaalde kleuren, uitgedoofde ogen, doder dan dood’. Zij voelt zich door hem erkend, misschien wel voor het eerst in haar leven, omdat hij haar ziet: het onzichtbare leven dat ze jarenlang geleid heeft, kokend, wassend en plassend, heeft hij uit de duisternis en betekenisloosheid gehaald door haar aan te kijken. Zij leert hem zich te verzoenen met zijn verschrompelend lichaam en met het onontkoombare einde, doordat ze hem herinnert aan zijn moeder, die eveneens in staat was om de verdrietelijkheden van het leven weg te stoppen onder de geduldig herhaalde dagelijkse handelingen.

Minutieus zijn de beschrijvingen die Michèle Desbordes wijdt aan het trage verstrijken van de tijd: hoe de wisseling van de seizoenen haast ongemerkt de lichtinval verandert, hoe de eenvoudige arbeid van het dagelijkse leven blijvend op zoek gaat naar zin, hoe het omzichtig contact tussen mensen zich vaak afspeelt in de stilte van kleine gebaren, hoe op het eind het sterven bijna vanzelfsprekend wordt.

Michèle Desbordes, Het verzoek. G.A. van Oorschot, 2000, 114p.

TWEE LAMMETJES

Dertig januari. Wolfsmaand. Bij een wandeling in het Hageland komen we langs een wei, waarin twee lammetjes dartelen. Piepjong zijn ze: ze wijken geen duimbreed van moeder schaap en huppelen ook nog terwijl ze aan de uier zuigen. Ontroerd sta ik te kijken naar dit vroege leven, dat ver voor het einde van de winter het nieuwe voorjaar aankondigt. En ik vraag mij af waar het jonge leven de ongerijmde vrijheid vindt om zo onnoemelijk breekbaar en tegelijk zo tomeloos speels en kwiek te zijn. Vanwaar komt deze frêle, maar onstuitbare kracht om zo het leven te omarmen en te beamen? Schuilt in dit ja aan het leven het meest aanvankelijke, het allerbeginnendste begin dat al vele miljoenen jaren al het bestaande stuwt? Hoe ver in de tijd gaat dit terug?

GEDICHTENDAG 2022

soms is het te groot het leven

om in te wonen

je kan buiten staan te kijken

op wat binnenin gebeurt

met de zin hopeloos daartussen.

je bent verloren

als je wil weten hoe laat het is

of je nog op tijd kan komen

de wijzers zijn zoek

het tikken is te horen

Karel Sergen, Het noorden (1987)

BADEN IN HET LICHT

KunstUur in Mechelen exposeert schilderijen van Belgische kunstenaars. In verduisterde kamers wordt de spot gericht, bijvoorbeeld op ‘Moeder en kind’ van Léon De Smet.

De vrouw is helemaal bloot, het jongetje ook. Ze hebben net een bad genomen, zij heeft zich al droog gewreven, nu is het zijn beurt.

Je kijkt naar haar mooie billen, naar de soepele, gebogen rug die door de buiging de ruggengraat zichtbaar maakt, en de kleine linkerborst. Het lange haar is in een wrong gedraaid en rust in haar hals.

Terwijl zij hem met een doek droog wrijft, grijpt hij haar vast om uit het zitbad te stappen. Ze kijken elkaar niet aan, want ze doen dit vaker. De zorg van een moeder voor haar zoontje, het vertrouwen van een kind in zijn moeder is grenzeloos.

De schilder Léon De Smet laat moeder en zoon baden in het wit-roos-blauwe licht: zijn toets is zo zacht als haar lieve omhelzing, zijn toewijding evenaart hun innigheid.

DR. HOEYBERGHS I PRESUME

Opnieuw komt een studentenvereniging op een verwerpelijke manier in het nieuws. Het volstaat immers niet om de walgelijke vuilbekkerij van JH te veroordelen. De brulboei die het ooit tot arts heeft geschopt, kreeg een forum aangeboden. Hij is ingegaan op de uitnodiging van het Gentse KVHV, hij heeft de studenten op hun (onuitgesproken) domme wensen bediend: ze wouden niets liever dan dat hij dergelijke vunzigheden zou spuien. Wat uit zijn bek kwam, is opgenomen, niet tegengesproken. Je hoort hun plat excuus al: ‘Wij hebben toch niets gedaan?’

We stellen het altijd opnieuw vast: barbarij wordt gesteund, schofterigheid bewonderd. Deze hopeloos oppervlakkige lafheid is de voedingsbodem van de Trumps, de Berlusconi’s, de Bolsonaro’s in onze wereld. De studenten van het Gentse KVHV waren de eersten om de schunnigheden van JH te rechtvaardigen, om zijn boertigheden te honoreren met de aura van een universitaire aula, om zijn kwalijke bullshit voor te stellen als een te bediscussiëren mening.

ECHTER DAN DE KERSTMAN

Hoe vreemd werkt het geheugen!

We hebben het over herinneringen die in ons binnenste liggen opgeslagen en in ons innerlijk bewaard worden. We doen alsof we die kunnen opdiepen, zoals we in de kelder een fles wijn halen of op zolder een jarenlang gesloten kist openen. Maar vaak komen herinneringen van buiten, en vallen ons door een voorval in de uitwendige wereld gebeurtenissen te binnen waarvan we vergeten waren dat we ze nog wisten.

Zo ontvang ik op kerstavond een mail uit Duitsland van een zekere Dr. Colemont. De naam zegt mij helemaal niets, maar hij vertelt over mijn studentenverleden, over het huis waar we op kot zaten, en over medebewoners. De mist trekt pas weg, als ik de naam lees waarmee hij afsluit: Seppe.

En ik zie hem weer: een grote, struise jongen die erg bijziend was en daarom een bril met dikke glazen droeg, weckglazen, en op de piano Fats Domino speelde.

Meer dan vijfenveertig jaar maakte hij geen deel uit van mijn leven. En nu is hij daar – echter dan de kerstman.

KERST 2021

Een ziel heb je nu en dan.

Niemand heeft haar ononderbroken

en voor altijd.

Dagen en dagen,

jaren en jaren

kunnen zonder haar voorbijgaan.

Soms verwijlt ze alleen in het vuur

en de vrees van de kinderjaren

wat langer bij ons.

Soms alleen in de verbazing

dat we oud zijn.

Zelden staat ze ons bij

tijdens slopende bezigheden

als meubels verplaatsen

en koffers tillen

of een weg afleggen op knellende schoenen.

Bij het invullen van formulieren

en het hakken van vlees

heeft ze doorgaans vrij.

Aan een op de duizend gesprekken

neemt ze deel,

maar zelfs dat is niet zeker,

want ze zwijgt liever.

Wanneer ons lichaam begint te lijden en lijden,

verlaat ze stilletjes haar post.

Ze is kieskeurig:

ziet ons liever niet in de massa,

walgt van onze strijd om maar te winnen

en van ons wapengekletter.

Vreugde en verdriet

zijn voor haar geen verschillende gevoelens.

Alleen als die twee zijn verbonden,

is ze bij ons.

We kunnen op haar rekenen

wanneer we nergens zeker van zijn,

maar alles willen weten.

Wat materiële zaken betreft

houdt ze van klokken met een slinger

en van spiegels, die vlijtig hun werk doen,

ook wanneer niemand kijkt.

Ze vertelt niet waar ze vandaan komt

en wanneer ze weer van ons verdwijnt,

maar lijkt zulke vragen beslist te verwachten.

Het ziet ernaar uit

dat net als wij haar

zij ons ook

ergens voor nodig heeft.

Wislawa Szymborska, Verzamelde gedichten. Meulenhoff, 1999, p. 332.