Austerlitz — W.G. Sebald

Het mooiste proza vind je bij de Duitse schrijver W.G. Sebald. In lang uitgesponnen, harmonieus opgebouwde, door nostalgie gedragen zinnen vertelt hij hoe pijn en verlies een spoor trekken door de levens van mensen en ze vervreemd achterlaten. Ontworteld en ontheemd is Jacques Austerlitz, met wie de ik-figuur uit de roman Austerlitz een gesprek begint in de wachtzaal van het Centraal Station van Antwerpen, die heel betekenisvol omschreven wordt als la salle des pas perdus. Ondanks zijn verbluffende kennis die zo uiteenlopende domeinen als architectuurgeschiedenis, het leven van motten en de veldslagen van Napoleon bestrijkt, voelt Austerlitz zich overal een vreemdeling. Mettertijd komt hij tot de ontdekking dat hij weliswaar als Daffyd Elias in een streng calvinistisch gezin in Wales is opgegroeid, maar in feite voor de oorlog in Praag is geboren als zoon van Joodse ouders. Stilaan daagt bij hem een klein vermoeden van wie hij is: waarom hij zo maniakaal geïnteresseerd is in de ontwikkeling van het spoorwegennet in Europa, waarom hij na zijn kindertijd in Wales tijdens een studieverblijf in Parijs heel vlot de Franse taal oppikt of waarom hij bij voorkeur vertoeft op die plaatsen in de wereld, zoals Theresienstadt, waar de vergetelheid heerst.

Het drama van Austerlitz is niet alleen dat hij radicaal van zijn verleden is afgesneden, maar vooral dat hij de kloof met zijn verloren verleden nooit meer kan dichten. Wat hem rest, zijn enkel herinneringssporen, zoals de aantrekkingskracht die van negentiende-eeuwse stations uitgaat. In het oeuvre van Sebald staat Austerlitz symbool voor de duisternis die de wereld omvat en voor de melancholische gedachte ‘hoe weinig wij kunnen vasthouden, wat er allemaal voortdurend in vergetelheid raakt, met elk uitgedoofd leven, hoe de wereld zich als het ware vanzelf leegmaakt doordat de verhalen die kleven aan de talloze plaatsen en voorwerpen die zelf geen vermogen tot herinnering hebben, nooit door iemand worden gehoord of opgetekend…’

 

W.G. Sebald, Austerlitz. (Vert. Ria van Hengel.) De Bezige Bij, 2003, 333p.

De droom van de Ier – Mario Vargas Llosa

De Ier in kwestie is Roger Casement, die in 1884 op twintigjarige leeftijd in Liverpool inscheept om in de recentelijk door het Westen ontsloten gebieden aan de Congostroom in centraal Afrika te gaan werken. Het is zijn droom om zijn diensten aan te bieden aan zijn jeugdheld, Henry Morton Stanley, de bij leven al legendarische ontdekkingsreiziger, die na een maandenlange expeditie door het tropische oerwoud de wereld verkondigde dat hij de mysterieuze, maar populaire zendeling en arts, David Livingstone, had gesproken. Door zijn inzet en bekwaamheid maakt Casement snel carrière en al na enkele jaren wordt hij benoemd tot consul van het Britse Rijk. In die hoedanigheid vertrekt hij naar het Congolese binnenland om de alsmaar luider klinkende geruchten over corruptie en slavenhandel te onderzoeken. Hij kan slechts constateren dat de werkelijkheid gruwelijker is dan welke fictie ook. Zijn droom spat uiteen: de kolonialen hebben de drie c’s van christendom, commercie en civilisatie vervangen door de éne c van chicote, de uit nijlpaardenvel vervaardigde zweep die ontelbare ruggen en billen heeft verminkt. In zijn rapport brengt hij gedetailleerd verslag uit van de systematische wreedheden waarbij tienduizenden inboorlingen worden gemarteld en gedood. Zo heeft Roger Casement ervoor gezorgd dat het krankzinnige besluit waarbij het reusachtige land Congo als persoonlijk bezit werd afgestaan aan Leopold II, werd ingetrokken.

Casement wordt gelauwerd, vooral door organisaties die ten strijde trekken tegen slavernij en koloniale uitbuiting en opkomen voor mensenrechten. Maar zijn lijdensweg is niet ten einde. Hij krijgt een consulaat aangeboden in Brazilië en ontdekt tot zijn onnoemelijk afgrijzen dat zich daar op de grens met Peru en Colombia gelijkaardige wreedheden voltrekken: het winnen van rubber en het verdienen van geld rechtvaardigen de afschuwelijkste misdaden tegen de zogenaamde heidenen die natuurlijk altijd kannibalen zijn en moordenaars van hun eigen kinderen. Na een nieuw ophefmakend rapport wordt Roger Casement geridderd.

Hij is amper vijftig jaar, maar hij is moe en ziek. Bovendien is hij tot de bevinding gekomen dat het Britse Rijk al eeuwen Ierland bezet en koloniseert. Hij schaart zich bij de nationalistische beweging die ijvert voor de onafhankelijkheid van Ierland. Met deze nieuwe droom begaat hij de blunder van zijn leven: hij wil van de in 1914 begonnen oorlog gebruik maken om de steun van Duitsland voor de Ierse zaak te winnen. Tijdens de Paasopstand in 1916 wordt hij gevangen genomen en enkele maanden later geëxecuteerd. Mensenrechtenorganisaties hebben geprobeerd om de doodstraf te laten omzetten in levenslange opsluiting, maar tijdens hun campagne worden dagboeken gevonden waarin Roger Casement vertelt over homoseksuele avontuurtjes. Nog altijd woedt de discussie over de echtheid van die bladzijden. Hoe dan ook, voor de systematische marteling van duizenden zwarten of indianen is niemand terechtgesteld…

El sueno del Celta grijpt je naar de keel. Mario Vargas Llosa ontpopt zich (eens te meer) als een geëngageerd schrijver, een meesterlijke verteller, en grandioze stilist. Onder meer voor deze duizelingwekkende roman kreeg hij (terecht) de Nobelprijs voor literatuur.

Mario Vargas Llosa, De droom van de Ier. Meulenhoff, 2010, 400p.

Mijn kleine oorlog – Louis Paul Boon

‘Schop de mensen tot ze een geweten krijgen’. Met deze intussen beroemd geworden hartenkreet eindigt Mijn kleine oorlog. Het valt niet mee om te bepalen tot welk genre dit boek behoort: het is niet echt een roman, want het mist de typische kenmerken van het romangenre, zoals een verhaal en een karakterontwikkeling. Het bestaat uit een reeks sfeerbeelden die het leven aan het front, in krijgsgevangenschap of in het bezette België oproepen. Boon voelt zich naar eigen zeggen een te kleine schrijver om verslag uit te brengen over de grote oorlog: over de Blitzkrieg, de onophoudelijke bombardementen van steden, het eindeloos beleg van Stalingrad, de folterkamers van de Gestapo, de deportatie van kinderen. Al die fenomenen komen slechts terloops ter sprake: ze zijn als het hoofd van Medusa dat hij niet kan aankijken zonder volledig te verstijven en verstenen. Hij concentreert zich op de kleine oorlog, op de alledaagse moeilijkheden onder de Duitse bezetting: hoe weinig de mensen elkaar tot steun zijn of hoe de bezetting de lafheid, de schijnheiligheid en het opportunisme niet indijkt, maar in de hand werkt. In een mengeling van deernis en verontwaardiging ziet hij hoe die oorlog de onbeholpen wreedheid van dom gehouden mensen voedt. Boon brengt geen politieke of economische analyse, omdat hij niet gelooft dat de oorlog een sikkepit verandert aan de schrijnende ongelijkheid in de wereld, aan de onderdrukking van de armen door de rijken, aan de miserie van het gewone volk en omdat hij met elke vezel in zijn lichaam weet dat de oorlog de mensen geen stap dichter bij welke vrede dan ook brengt. Daarom hoor je op elke bladzijde de woedende schreeuw: ‘Want uw vijand wie is dat?’

 

 

Louis Paul Boon, Mijn kleine oorlog. Van In, 2015, 116p. (Eerste uitgave: 1947)

Voetbal – Jean-Philippe Toussaint

Wie kent ze niet, Lionel Messi en Cristiano Ronaldo of Kevin De Bruyne en Dries Mertens? Wie bewondert niet hun onvolprezen traptechniek of hun duivelse dribbelkunsten? En tegelijk: wie verfoeit deze overbetaalde voetbalidolen niet? Wie verafschuwt niet de overdreven aandacht die ze wekelijks opslorpen? Wie voelt geen afkeer voor dit door racisme, fraude en hufterige manieren verrotte milieu? Of wie heeft niet gegrinnikt bij de flauwe mop over die twintig mannen, die als bezetenen achter een bal aanhollen om die – op het moment dat ze hem te pakken hebben – weer weg te trappen? Over deze onverzoenlijke tegenstrijdigheden gaat het boekje van Jean-Philippe Toussaint, dat in het Frans als titel het Engelse woord Football gebruikt. En France, on joue au foot, n’est-ce pas?

De auteur waagt zich naar eigen zeggen aan een onmogelijk boek dat bij niemand in de smaak zal vallen: niet bij intellectuelen, die geen belangstelling hebben voor voetbal, en niet bij voetballiefhebbers, die het te intellectueel zullen vinden. Zelf is hij één van die rare vogels die hun bezigheden als full-time intellectueel combineren met voetbalpassie. Hij kan het niet laten: als de Wereldbeker in Japan georganiseerd wordt, plant hij als schrijver een lezingentour door dat land om zo voetbalavonden af te wisselen met voordrachtavonden.

Van jongs af is hij in de ban van het spel: van de uitgelaten, soms grimmige sfeer in de stadions, van de kleurrijke, soms kitscherige shirts, van de groene grasmat onder de krachtige schijnwerpers, van het chauvinisme. Zijn boek bevat hilarische scènes: hoe hij in zijn eentje in een Japanse hotelkamer staat te springen en te schreeuwen als zijn favoriete elftal scoort, hoe hij op het eiland Corsica hemel en aarde beweegt om via een slecht afgesteld transistorradiootje een wedstrijd te kunnen volgen, hoe er een vreemde connectie ontstaat tussen mensen die elkaar niet kennen maar voor hetzelfde team supporteren. Maar ook melancholische gedachten: over het verstrijken van de tijd, over een negentig minuten durende spanning als afweer tegen de dood, over de curieuze gave van de verbeelding.

Wie zei ook alweer dat voetbal de belangrijkste bijzaak ter wereld is?

 

Jean-Philippe Toussaint, Voetbal. Vleugels, 2016, 68p.

De samenkomst – Anne Enright

‘Het is een heftige bezigheid, de doden begraven.’ Zo besluit Veronica, het ik-personage van Anne Enright, haar verhaal over de familiebijeenkomst die ze naar aanleiding van de begrafenis van haar broer Liam geacht werd te organiseren. Die broer was altijd een buitenbeentje geweest in het kinderrijke gezin Hegarty, hield van medelijden noch van zelfbeklag, vond het leven een lachertje, maar pleegt voor zijn vijftigste zelfmoord. Wat is er gebeurd? Nu in een recent verleden, in de weken en maanden voor hij zich het leven benam? En vroeger? Hoe ver moeten we teruggaan? Tot in zijn kindertijd? Wat hebben we over het hoofd gezien? Met deze vragen worstelt Veronica, en ze wordt gedwongen te erkennen dat de drie generaties Hegarty, met wie zij is omgegaan, enkel in naam een familie vormen.

Veronica’s onderzoek naar wat er in het verleden gebeurd is, levert weinig feiten op, maar gooit wel haar leven overhoop. Ze ontdekt hoe ongelegen een zelfmoord komt, ook bij haar eigen man en kinderen. In een taal vol rauwe humor weigert ze zich te verontschuldigen omdat ‘haar broer de hele donderdagmiddag onder gestorven had’.

De erkenning dat ze uit een disfunctioneel gezin komt, drukt ze uit in sterke, pakkende woorden: ‘ik heb altijd in aanhalingstekens geleefd’. Ze nam vele posities in binnen de familie: ze was kleindochter en dochter en zuster, maar in feite betekende dat niet veel, in feite had ze geen betekenisvolle relatie met haar grootmoeder of haar moeder of haar broers en zussen. Dit resulteert in vreemde familiale betrekkingen: ze hangt vast aan haar familie, ze is er op een bepaalde manier ook aan gehecht, maar ze mag haar familieverwanten niet echt – haar afwezige moeder, haar hautaine zusje, haar prekerige broer… En tegelijk beseft ze dat die deel uitmaken van haar verleden – een verleden dat ze niet als een souvenir meedraagt, maar dat ze bewoont.

In een taal die bijwijlen door merg en been snijdt, ontleedt Veronica genadeloos haar eigen zielenroerselen en haar eigen machteloze reactie op de zelfmoord van haar broer. De lezer blijft met een ongemakkelijk gevoel achter, enkel met het besef dat de dingen volledig de mist kunnen ingaan.

 

 

Anne Enright, De samenkomst. De Bezige Bij, 2007, 287p. (The gathering. Jonathan Cape, 2007.)

 

De rechter en zijn beul – Friedrich Dürrenmatt

Hun populariteit stijgt gestaag. We zijn verslingerd aan de crimi’s met hun gedreven, om niet te zeggen: gekwelde politie-inspecteurs: Morse, Wallander, Vera, Jimmy Perez in Shetland, Sarah Lund in The Killing. Het zijn de protagonisten uit klassieke misdaadverhalen: er is een moord gepleegd, er wordt onderzoek gedaan, en op het eind weten we wie de dader is. Soms is er ook wat reflectie over het verschil tussen goed en kwaad, of over (het ontbreken van) maatschappelijke gerechtigheid.

In De rechter en zijn beul breekt Friedrich Dürrenmatt met dit (ietwat voorspelbare) schema. Niet dat er geen misdaad wordt gepleegd, maar het onderzoek verloopt op een bizarre manier. De politierechercheur gedraagt zich als een rechter en wil bovenal een jarenlange rekening vereffenen met een beroepscrimineel die er altijd opnieuw in geslaagd is aan gerechtelijke vervolging te ontsnappen. Zijn assistent zet hij in als terechtsteller van dienst, hoewel die meer op zijn kerfstok heeft dan je op het eerste gezicht zou vermoeden. De posities van onderzoeker, wetsambtenaar, rechter, misdadiger en strafuitvoerder gaan dus aan het schuiven, en hoewel de moordenaar gevat wordt, is het onmogelijk om te antwoorden op de vraag of gerechtigheid geschied is.

Tegelijk is dit een echte thriller en de ontknoping slaat je met verstomming. Dürrenmatt weet op het eind alle losse draadjes op een aannemelijke manier met elkaar te verbinden. Je neemt als lezer je vilten detectivehoed af voor zoveel vernuft. Of hoe de deconstructie van de whodunit als genre een heel spannende misdaadroman oplevert.

 

 

 

Friedrich Dürrenmatt, De rechter en zijn beul. Athenaeum-Polak & Van Gennep, 2017, 134p.

Sido — Colette

De Franse schrijfster Colette staat opnieuw in de belangstelling, vooral dank zij de film Colette, waarin de rol van de vrouwelijke auteur vertolkt wordt door de immer raadselachtige Keira Knightley. Haar volledige naam was Gabrielle Colette. Ze huwde op jonge leeftijd en verhuisde naar Parijs, maar hoezeer ze ook genoot van het Parijse nachtleven met zijn decadente uitspattingen, op gezette tijden keerde ze terug naar het plattelandsleven in haar geboortedorp Saint-Sauveur-en-Puisaye. Ze is altijd blijven houden van de Bourgondische heuvels vol verdoken wegen waar ze met haar broers op avonturentocht ging en heeft zich nooit kunnen of willen losmaken van haar geboortehuis met haar vaders boeken en tijdschriften en haar moeders moes- en bloementuin. Herinneringen vormen de verhaalstof van Sido, een novelle genoemd naar de naam die haar vader gaf aan haar moeder, die eigenlijk Sidonie heette.

Uit deze enthousiaste en met vaart geschreven bladzijden waaien je de geuren en kleuren toe van een bloemenparadijs: het vingerhoedskruid, de lampionplant, de ooievaarsbek, de lobelia, de moerasspirea met wazige witte en roze pluimen gaven een tweede leven aan haar moeder, die het huishoudelijk werk plichtsgetrouw, maar node vervulde. Ook krijg je voeling met de diepe smart waaronder de vader, Jules-Joseph Colette, zijn leven lang gebukt ging. Tijdens een campagne van het Franse leger verloor hij een been. Hij werd gehuldigd, maar moest het leger verlaten. Pas na zijn dood kwam Colette tot het besef dat haar vader verbitterd was en dat verdriet jarenlang verstopt heeft achter flauwe moppen, schunnige anekdotes en ulevellenverzen. Ten slotte slaagt Colette er wonderwel in om terug in de ziel te kruipen van het meisje dat ze was: met de zo eigen zielenonrust van de tiener, ontredderd door de dingen die ze niet weet, geaffronteerd door de dingen die ze vervolgens te weten komt.

 

 

Colette, Sido. Vleugels, 2018, 77p. (Eerste Franse uitgave: 1930.)

Wandelen – Henry David Thoreau

Thoreau (1817-1862) voorzag gedeeltelijk in zijn levensonderhoud door als landmeter te werken. Hij hield echter niet van dat beroep, omdat hij van oordeel was dat de beschaving de natuur zo veel mogelijk vrij moest laten. Hij had het niet zo begrepen op omheiningen, voortuintjes, gebaande wegen en plat getreden paden. De vrije natuur, en dan vooral de weidse bossen in New England nodigden hem elke dag uit om urenlang te wandelen. Dat landschap is ‘niemands eigendom’, aldus Thoreau, maar hij vreest de dag ‘dat het wordt heringericht als natuurpark, dat het aantal hekken toeneemt, dat er toegangspoorten of andere ingenieuze manieren worden bedacht om mensen tot de openbare weg te dwingen, en dat wandelen over Gods land eigenlijk betekent dat je de grond betreedt van een of andere landeigenaar’.

De natuur wordt getemd, en deze domesticatie brengt Thoreau in verband met een cultuur van groeiend conformisme, toenemende disciplinering en eendimensionaliteit. Wandelen door de vrije natuur bevrijdt je zinnen: zowel je zintuigen als je verstand. Maar het heeft geen zin om bij die wandeling je professionele of financiële beslommeringen mee te nemen. Je moet die thuis laten en in de bossen je aandacht richten op de bomen en de bloemen, op de vogels en het wild. ‘Wat heb ik in de bossen te zoeken als ik aan iets buiten de bossen denk?’, schrijft hij. Wie bij het struinen door de wildernis de bewegwijzerde paden verlaat, zal ook zijn gedachten vernieuwen en zich bevrijden van clichés en gedicteerde vooroordelen. Aldus wordt wandelen bij Thoreau toch een metafoor voor nadenken: niet tobben over dagelijkse besognes, maar in gedachten de wereld verkennen en het eigen gemoed ontdekken.

Zoals de haan met zijn gekraai elke ochtend een nieuwe zon ziet opgaan, zo ervaart de wandelaar elke dag de zich vernieuwende natuur. Dat levert prachtige zinnen op: ‘Ik wandelde in een weide waar een beek ontsprong, toen de zon ten slotte, vlak voor hij onderging, na een koude, grijze dag, een wolkeloze laag aan de horizon bereikte, en het allerzachtste, helderste schemerlicht op het droge gras viel, op de stammen van de bomen aan de tegenovergelegen horizon en op de bladeren van de struikeiken op de helling, terwijl onze lange schaduwen zich naar het oosten over het gras uitstrekten.’

Henry David Thoreau, Wandelen. Historische Uitgeverij, 2018, 96p.

Tsjip / De leeuwentemmer — Willem Elsschot

De plot van deze twee novelles vormt één geheel en kan gemakkelijk worden samengevat: Adele, de dochter van Frans Laarmans – die we als alter ego van Willem Elsschot ook kennen uit Kaas bijvoorbeeld – is verliefd op en wil trouwen met een uit Polen afkomstige medestudent, Bennek Maniewski. Hun huwelijk heeft wat voeten in de aarde, al was het maar omdat Bennek katholiek opgevoed is en Adele niet, maar krijgt uiteindelijk toch de zegen van beide ouderparen. Het stel gaat in Polen wonen en binnen het jaar wordt een zoon geboren: Jan. De verschillen in opvoeding en achtergrond blijven het koppel parten spelen en enkele jaren later loopt het huwelijk op de klippen. Het getouwtrek om de (klein)zoon kan beginnen.

De kracht van deze verhalen, door Elsschot zelf omschreven als ‘een eenvoudige familiekroniek’, ligt in de stijl, in de unieke combinatie van nuchtere zakelijkheid en nagenoeg niet te beheersen emotionaliteit. Die komt ook in het nawoord van Elsschot tot uiting: ‘Mijn dochter is getrouwd en heeft ons verlaten. Nog steeds zie ik mijn vrouw zoals zij naast mij stond toen Adele heenging om de man te volgen. Haar alledaagse gezicht vertrok tot een masker dat lilde als onder de striemen van een zweep.’ De sterke beeldspraak van het verdriet dat een gezicht striemt, is aangrijpend, maar even onheilspellend is het (haast onopvallende) gebruik van het lidwoord ‘de’ in ‘om de man te volgen’ – Adele ging heen niet om ‘haar’ man te volgen, maar ‘de’ man, alsof toen al vaststond dat hij voor altijd een vreemde zou blijven.

De hele tijd hanteert de verteller, in casu de ik-figuur Frans Laarmans, een ironische toon, niet om zijn afstandelijkheid te onderstrepen, maar om zijn enorme betrokkenheid en hulpeloosheid te verstoppen. Als hij voor het eerst zijn kleinzoon ziet, zegt hij: ‘Hij heeft oogjes en een neus als een doodgewoon kind, maar ik weet wel beter.’ Kan de blijheid van een grootouder bij de geboorte van een kleinkind subtieler weergegeven worden?

Prachtig (en zo herkenbaar) is het gesprek tussen grootvader en kleinkind in de tuin: over de leeuw die zo groot is als de wereld en de Duitsers verslindt, over het gevecht tussen de straatwals en de treinlocomotief, en over het monster zonnesteek dat poten blijkt te hebben maar door Tsjip, de leeuwentemmer moeiteloos verslagen wordt.

En tijdens die alledaagse pret denkt Frans Laarmans aan wat hij zijn kleinzoon wil bijbrengen: ‘te juichen noch te rouwen op bevel van machthebbers en niet te bukken voor geweld’.

Een boek voor kinderen tussen 7 en 77.

 

 

 

 

Willem Elsschot, Tsjip / De leeuwentemmer. Polis, 2018, 297p. (Eerste uitgave: 1939.)

 

 

 

 

 

 

Rimbaud de zoon — Pierre Michon

Vroegrijp en hondsbrutaal, schrijver van bevlogen brieven en ondoorgrondelijke orakelspreuken, alchemist van het woord, auteur van betoverende en enigmatische verzen, communard, zutist, zwerver, ontdekkingsreiziger, wereldbestormer – Arthur Rimbaud was het allemaal en nog veel meer. Zijn leven is vanaf zijn geboorte in 1854 goed gedocumenteerd: zijn kindertijd in Charleville, waar hij op school de ene prijs na de andere wegkaapt, zijn onverzadigbare leeshonger die de illusie wekt als zou hij op zijn zestiende al de poëziegeschiedenis van Homerus tot Baudelaire hebben doorgenomen, zijn uitdagend optreden in de artistieke bohème van Parijs, waar zijn raadselachtige gedichten ontploffen als literaire tijdbommen, de getuigenissen van Paul Verlaine en anderen die hem omschrijven als ‘stinkend naar genie’.

Kort na zijn vroegtijdige dood in 1891 begint de mythografie: door zijn jeugdvriend Ernest Delahaye, die Arthurs onophoudelijke stroom van verzinsels als zoetekoek slikte, door zijn leraar Georges Izambard, die niet opgewassen bleek tegen de branie van zijn hoogbegaafde leerling, door zijn zus Isabelle, die Arthurs seksuele esbattementen, zijn drugsverleden en zijn breuk met het katholicisme wou uitvegen.

Maar wie was Arthur Rimbaud? Wie was dat rotjoch, dat twaalf keer van huis wegliep en dus elf keer terugkeerde naar de boerderij in de Franse Ardennen, in Roche, door hem ‘Wolfshol’ genoemd’, waar zijn kenau van een moeder, die hij de troetelnaam ‘Schaduwmond’ gaf, hardhandig de plak zwaaide? Volgens Pierre Michon is hij bovenal ‘zoon’, de zoon van Frédéric Rimbaud, kapitein in het Franse leger, die, nadat hij vier kinderen verwekt had bij zijn eeuwig kijvende vrouw, definitief de hielen lichtte en zich bij zijn regiment in Dijon voegde, en de zoon van Vitalie Cuif, een onheilsschepsel, dat afwisselend gebeden en verwensingen uitbraakte. Misschien waren zijn verzen niets anders dan een poging om de klaroen van verre garnizoenen te koppelen aan de rozenkrans van weesgegroetjes en vervloekingen. Michon tast de geschiedenis af, leest de brieven, luistert naar de verhalen over die rauwe cynicus die continu de pest in had, bekijkt de overgeleverde foto’s, waarop Arthur zijn lichtblauwe ogen toeknijpt tot een vuile, strakke blik die als een dreigend geheven vuist de omgeving te lijf gaat. Hij beschrijft in een barokke taal die tegelijk huivert en bewondert, hoe de dichtkunst een jongen van nauwelijks vijftien in de greep krijgt, als een monster opvreet en weer uitspuwt. Wat rest, is een oeuvre – van een onrustbarende en onvatbare schoonheid.

 

 

Pierre Michon, Rimbaud de zoon. Amsterdam, G.A. van Oorschot, 1998, 103p.