Babel — Gaston Dorren

Zeven wereldwonderen telde de klassieke architectuur in het Middellandse Zeegebied, maar misschien ligt het meest ontzagwekkende wereldwonder in de verbluffende verscheidenheid aan talen die door de mensen gesproken wordt. Zesduizend is een veelgehoord getal: de schattingen lopen evenwel uiteen, omdat de meeste talen niet gestandaardiseerd zijn en dus enkel bestaan als lokale varianten. Beslissen waar de ene taal ophoudt en de andere begint is dan even moeilijk als het scheiden van de kleuren op een schilderij van Rembrandt. Bijbels is onze wereld niet, babels zonder enige twijfel wel. Maar hoewel een taal gemiddeld door 1,3 miljoen mensen gesproken wordt, maken slechts twintig talen de moedertaal van de halve wereldbevolking uit: Vietnamees, Koreaans, Tamil, Turks, Javaans, Perzisch, Punjabi, Japans, Swahili, Duits, Frans, Maleis, Russisch, Portugees, Bengaals, Arabisch, Hindi-Urdu, Spaans, Mandarijn en Engels. Wie de vier laatstgenoemde talen spreekt, kan zonder tolk in de hele wereld terecht.

            Over die twintig (reuzen)talen heeft de Nederlandse journalist Gaston Dorren een uiterst onderhoudend boek geschreven: intelligent, geestig, speels en grondig. Hij bespreekt elk van die talen vanuit één bepaalde hoek. Hij wijst er bijvoorbeeld op dat Vietnamezen die tot een verschillende generatie of klasse behoren, andere woorden gebruiken om hetzelfde te benoemen: waar bij ons iedereen ‘ik’ zegt, is in het Vietnamees het ‘ik’ van een vader die tot zijn zoon spreekt, verschillend van het ‘ik’ dat de zoon in zijn gesprek met de vader gebruikt. Of hij wijst erop dat het Japans een genderlijke apartheid kent:  het Japans dat vrouwen spreken, verschilt van het Japans dat mannen spreken. Of hij zoekt naar een antwoord op vaak gestelde vragen. Is het Duits echt een moeilijke taal? (En het Nederlands, dat er fel op lijkt?) Wat betekent de stelling  dat Russisch en Nederlands met elkaar verwant zijn? Hoe zit het nu met dat Chinese schrift? En met de talen in Frankrijk, het Frans, het Bretons, het Baskisch, het Occitaans? Heeft het Engels definitief de wereld veroverd?

            Telkens opnieuw weet Dorren precies die invalshoek te vinden die je interesse wekt, ook al weet je van de betreffende taal en/of cultuur niets. Zijn boek biedt een introductie in de vergelijkende taalkunde die alle universitaire cursussen ter zake overtreft.

Gaston Dorren, Babel. De Bezige Bij, 2019, 380p.

Zuivering – Sofi Oksanen

De Finse schrijfster Sofi Oksanen put voor haar romans uit de dramatische geschiedenis van Estland. Enige kennis van de politieke ontwikkelingen die Estland in de twintigste eeuw heeft doorgemaakt, is dan ook vereist om die romans, zoals Zuivering, te lezen: hoe het land na de Oktoberrevolutie van 1917 zijn onafhankelijkheid afkondigde en de republiek uitriep, hoe het geleidelijk onder de invloed van Sovjet-Rusland kwam, hoe het in 1941 door nazi-Duitsland bezet werd, hoe het vanaf 1944 opnieuw door Sovjet-Rusland werd ingelijfd en ten prooi viel aan russificatie en stalinisering, waarbij duizenden Esten werden geliquideerd of naar Siberië gedeporteerd. Haar romans schetsen een beeld van een land, Estland, dat niet alleen aan de vernietiging van de totale oorlog ten onder gaat, maar ook door verraad en leugenachtigheid verscheurd wordt.

Tegelijk toont Zuivering de complete misvatting die in totalitaire ideologieën schuilt. Het leven van de mensen staat niet volledig in het teken van politieke opvattingen – of die nu naar links neigen dan wel naar rechts. Mensen worden gedreven door emotionele banden van familiale en vriendschappelijke aard: ze vinden elkaar leuk of niet, ze zijn aan elkaar gehecht of niet, ze houden van elkaar of ze kunnen elkaar niet uitstaan. Deze emoties reiken doorgaans veel dieper dan zogenaamd politieke overtuigingen. De wreedheid van totalitaire systemen ligt erin dat ze mensen de kans geven om hun wederzijdse haat politiek te vertalen. Mensen vereffenen lang lopende vetes door de ander politiek verdacht te maken: ‘Ik weet niet of mijn buurman een ware bolsjewiek is.’ Hoe huiveringwekkend ver mensen daarin gaan, legt Zuivering bloot: ‘Ik betwijfel of mijn zuster zich aan de voorgeschreven regels van de partij houdt.’ Zodra iemand van verraad beschuldigd wordt, is in totalitaire regimes het verdict al gevallen.

Oksanen is een meester in het scheppen van een beklemmende sfeer. Ze doet dit door situaties te verwoorden op een heel zintuiglijke, lichamelijke manier. Zoals in de volgende zin: ‘Het leek alsof ze de weg naar het dorpshuis over de snee van een bijl liep.’ Die beklemmende sfeer hangt ook samen met de ervaring dat het verleden helemaal niet voorbijgegaan is, maar integendeel terugkeert. En dat het woord ‘zuivering’ macabere bijbetekenissen heeft, daarvan zijn we elke dag getuige, nu Oekraïne gezuiverd wordt van het neonazisme.

Sofi Oksanen, Zuivering. Anthos, 2009, 340p.

Alles stroomt — Vasili Grossman

Geconfronteerd met de dagelijkse oorlogsbeelden, grijp ik naar het verhaal Alles stroomt. De Joodse auteur Vasili Grossman werd in 1905 geboren in de Oekraïnse stad Berdytsjiv – van de meer dan 20.000 Joden in die stad ten westen van Kiev bleven er na de oorlog nauwelijks 100 over. Tijdens de oorlog trekt Grossman als oorlogscorrespondent mee met het Rode Leger. In die functie bereikt hij samen met de Russische troepen Treblinka, het door de nazi’s ontmantelde en achtergelaten vernietigingskamp, waar vermoedelijk 800.000 mensen omgebracht werden. Grossmans verslag werd tijdens het proces van Neurenberg als bewijsmateriaal gebruikt.

Maar Alles stroomt is geen verheerlijking van de Russische overwinning op nazi-Duitsland. Integendeel, Grossman stelt Stalin gelijk met Hitler en breekt ook met de mythe als zou Lenin alleen maar zuivere bedoelingen gehad hebben en de communistische revolutie door Stalin verknoeid zijn. Het vrouwelijk hoofdpersonage uit de roman vertelt de gruwelijke geschiedenis die bekend staat als Holodomor, het door Stalin georganiseerde voedseltekort, waardoor in Oekraïne, de graanschuur van de wereld, miljoenen mensen omkwamen van de honger. Bovendien rekent Grossman af met de mystiek van de Russische ziel: de zogenaamde zachtmoedigheid ervan is volgens hem geschapen en getekend door duizend jaar slavernij, ze is een volgzaamheid die wacht op het juiste moment om zich te wreken. Dit alles verklaart waarom de romans van Grossman in de Sovjet-Unie verboden waren en ze pas jaren na zijn dood (in 1964) in het Westen konden worden gepubliceerd.

Alles stroomt: de titel is een vertaling van de Griekse spreuk ‘panta rhei’, die aan Heraclitus toegeschreven wordt. Alles verandert, je kunt geen twee keer in dezelfde rivier stappen. Grossman heeft wel wat bedenkingen bij deze opvatting, die alles lijkt te relativeren en te onderwerpen aan de tand des tijds. Hij spot ermee: ‘Ja, alles stroomt, alles verandert, je kunt niet tweemaal in dezelfde transporttrein stappen.’ Volgens Grossman hebben we nood aan onveranderlijke principes: ‘vrijheid is het hoogste goed, er bestaat op de hele wereld geen doel waarvoor vrijheid mag worden opgeofferd.’ Die vrijheid is tijdens de geschiedenis van Rusland, door het tsarendom en door het totalitaire bewind van Lenin en Stalin, gedood.

Vasili Grossman, Alles stroomt. De Geus, 2009, 224p.

Het verzoek — Michèle Desbordes

Weinig historische figuren spreken zo tot de verbeelding als Leonardo da Vinci. Na jaren van omzwervingen door de Italiaanse landstreken, waarbij de rivaliserende steden Milaan, Firenze en Rome een beroep deden op zijn geniale vaardigheden als schilder en architect en ingenieur en beeldhouwer, aanvaardt hij op hoge leeftijd de uitnodiging van Frans I, de koning van Frankrijk, om plannen te ontwerpen voor de verfraaiing en uitbreiding van kastelen aan de Loire. Aan die drie laatste jaren van Leonardo’s leven, van 1516 tot 1519, heeft de Franse schrijfster Michèle Desbordes een fictief verhaal gewijd.

Leonardo wordt er samen met zijn leerlingen, Melzi en Salai, ondergebracht in een ruim landhuis niet ver van de rivier, waar een oudere vrouw uit de streek, Tassine, belast is met de dagelijkse zorg. Tussen de vermoeide meester en de bejaarde dienster groeit een stille genegenheid. Hij vraagt zich af wat er zal overblijven van al zijn bemoeienissen, zijn studies en uitvindingen en hij vreest dat ze het lot beschoren zijn van Jezus en de apostelen uit Het Laatste Avondmaal: ‘flauwe tinten, vervaalde kleuren, uitgedoofde ogen, doder dan dood’. Zij voelt zich door hem erkend, misschien wel voor het eerst in haar leven, omdat hij haar ziet: het onzichtbare leven dat ze jarenlang geleid heeft, kokend, wassend en plassend, heeft hij uit de duisternis en betekenisloosheid gehaald door haar aan te kijken. Zij leert hem zich te verzoenen met zijn verschrompelend lichaam en met het onontkoombare einde, doordat ze hem herinnert aan zijn moeder, die eveneens in staat was om de verdrietelijkheden van het leven weg te stoppen onder de geduldig herhaalde dagelijkse handelingen.

Minutieus zijn de beschrijvingen die Michèle Desbordes wijdt aan het trage verstrijken van de tijd: hoe de wisseling van de seizoenen haast ongemerkt de lichtinval verandert, hoe de eenvoudige arbeid van het dagelijkse leven blijvend op zoek gaat naar zin, hoe het omzichtig contact tussen mensen zich vaak afspeelt in de stilte van kleine gebaren, hoe op het eind het sterven bijna vanzelfsprekend wordt.

Michèle Desbordes, Het verzoek. G.A. van Oorschot, 2000, 114p.

BUTCHER’S CROSSING — JOHN WILLIAMS

Velen hebben Stoner gelezen. En graag gelezen. Maar de auteur, John Williams, heeft wel meer aanbevelenswaardige romans geschreven: Butcher’s Crossing bijvoorbeeld. Die naam verwijst naar een godverlaten nederzetting in de Amerikaanse staat Kansas, waar in de jaren zeventig van de negentiende eeuw de frontier lag, de grens tussen de beschaving en de Far West. Avonturiers blazen er verzamelen en vertrekken vandaar op bizonjacht door de uitgestrekte prairie naar het voorgebergte van de Rocky Mountains in Colorado.

Alsof hij zelf ooit aan een bizonjacht heeft deelgenomen, vertelt John Williams ons het verhaal van vier jagers die in de bergen overvallen worden door een vroege winter met zware sneeuwstormen. Gedetailleerd beschrijft hij hoe deze ruige mannen erin slagen om in extreme omstandigheden te overleven. Hun bedrevenheid in alle onderdelen van de jacht steekt schril af tegen hun gedachteloosheid of hun onbekwaamheid om zich één ogenblik af te vragen wat ze aan het doen zijn: honderden bizons neerschieten, enkel en alleen voor de huid, waarbij het ontvelde kadaver achtergelaten wordt voor de aaseters en voor de rottende inwerking van de natuurelementen. Schaamteloos geven ze zich over aan een brutale slachtpartij, hoewel ze ervan op de hoogte zijn dat bij de zogenaamde indianen niets van de bizon verloren gaat: het kleinste botje wordt bewerkt tot een naald of haarspeld.

John Williams rekent af met het beroemde en beruchte cowboyverleden van zijn vaderland, belichaamd door dubieuze figuren als Buffalo Bill, (die er prat op ging ooit op één dag zeventig bizons te hebben gedood). Geleidelijk verandert zijn roman in een allegorie van de westerse wereld van consumptie, die veel te laat beseft heeft dat de natuurlijke grondstoffen niet onuitputtelijk zijn. De heldere stijl en nauwgezette woordkeuze van Williams scheppen een sereniteit die het lezen vertraagt en vragen oproept. In hoeverre lijken wij op die avonturiers die, altijd op zoek naar het nieuwe en het onontdekte, nooit een ervaring opdoen, niets leren en steevast rampen veroorzaken?

John Williams, Butcher’s Crossing. Lebowski, 2013, 334p.

Waar geen reden is — Yiyun Li

Hoe ga je als moeder om met de zelfmoord van je zoon? Hoe verwerk je dat diep treurige voorval, hoe kom je ermee in het reine? De vragen die Yiyun Li behandelt, komen uit haar eigen leven, want haar eigen zoon heeft op zestienjarige leeftijd zelfmoord gepleegd. In het Nederlands dreigt een dubbelzinnigheid uit de Engelse titel Where Reasons End verloren te gaan: ‘reason’ betekent zowel ‘reden’ als ‘rede’. De rede zoekt naar redenen, de rede begrijpt wanneer ze de redenen kent; onvatbaar voor de rede is wat zonder redenen gebeurt. Waar geen reden is, waar de rede op haar grenzen botst, daar probeert de moeder tot een gesprek te komen met haar zoon, die in het verhaal Nikolai heet. (De zoon van Yiyun Li heet Vincent, zoals blijkt uit de dedicatie: het Latijnse vincere is dus omgezet in het Griekse nikê.) De moeder probeert haar zoon te ontmoeten via de enige weg die voor haar nog open ligt: de weg van woorden. In dat (gefingeerde) gesprek komen we weinig of niets te weten over de zelfmoord, er wordt niet naar verklaringen gezocht, er vindt geen uitwisseling van informatie plaats. Woorden worden uitgewisseld – woorden die een samenspraak en een samenzijn stichten. Die woorden worden voortdurend onder de loep genomen en becommentarieerd. Het woord ‘perfect’ bijvoorbeeld. ‘Perfect’ hoort bij de uitzonderingen binnen de klasse van bijvoeglijke naamwoorden, want het kent geen vergelijkende of overtreffende trap: ‘perfecter’ bestaat niet. Waar gewone bijvoeglijke naamwoorden zoals ‘mooi’ of ‘goed’ een openheid creëren, omdat ze een vergelijking toestaan, daar trekt het woord ‘perfect’ een muur op, en heeft het elke uitweg dicht getimmerd. De woorden roepen herinneringen op en vroegere meningsverschillen, het gesprek verloopt vaak op het scherp van de snee, en humor wordt in dit treurspel niet geschuwd. Stilaan vormt zich een ruimte waar moeder en zoon elkaar vinden: een ruimte vol verlangen waar een van elke sentimentaliteit ontdane verhouding ontstaat.

Yiyun Li, Waar geen reden is. Nieuw Amsterdam, 2021, 142p.

De vogels — Tarjei Vesaas

In een door bossen en meren omzoomd Noors dorp leeft de zwakbegaafde Mattis samen met zijn drie jaar oudere zus Hege. Zij voorziet in hun onderhoud met het breien van dikke winterjassen. Hij wordt in het dorp ‘de Slome’ genoemd, omdat hij bij het werk traag vordert en zowel zijn handen als zijn gedachten gemakkelijk in een knoop raken. Zijn aandacht verslapt, hij laat zich afleiden door de vlucht van een houtsnip of het geluid van de wolken of de kleur van de vliegenzwam. Hij voelt zich bedrukt en gevangen door het gewicht van het onbegrijpelijke, dat zich schuil houdt in eenvoudige vragen als Waarom is het zoals het is?. Het antwoord zoekt hij niet bij zijn medemensen, maar in de tekens die vogels achterlaten of in de taal van het water en het licht van de maan.

Op een dag gaat hij roeien, en aan de overkant van het meer treft hij de houthakker Jörgen aan, die vraagt om te worden overgevaren. Jörgen blijft bij Mattis en Hege in huis wonen en in de daaropvolgende weken ontstaat er een meer dan vriendschappelijke verhouding tussen Jörgen en Hege. Vol onbegrip ziet Mattis dit aan en zoals telkens wanneer hij in het nauw gedreven wordt, zoekt hij naar een oplossing bij de natuurelementen: het water van het meer, dat hem met de vreemde in contact heeft gebracht.

De Noorse auteur Tarjei Vesaas slaagt er wonderwel in om in zijn verhaal de ervaringen van de geestelijk beperkte Mattis weer te geven en ondertussen te suggereren hoe zijn medemensen de gebeurtenissen beleven en aanvoelen. Er wordt in de roman veel gesproken, maar de stiltes en de weglatingen zijn even betekenisvol als het daadwerkelijk gezegde, ook al omdat voor Mattis sommige woorden zoals ‘bliksem’ en ‘vlijmscherp’ zo ‘bitter klinken als espenschors wanneer je erop kauwt’. Uiteindelijk voel je als lezer eindeloos veel sympathie voor Mattis met zijn kinderlijke verwondering, zijn argeloze kijk op vrouwelijke schoonheid en zijn dromerig gefantaseer. De vogels is een roman die je raakt, maar ook ontreddert.

Tarjei Vesaas, De vogels. Amsterdam, Lebowski, 2018, 238p.

De menselijke maat — Roberto Camurri

De titel doet denken aan een filosofisch traktaat, maar het verhaal van de Italiaanse auteur, Roberto Camurri, bevat geen abstracte redeneringen of abstruse beschouwingen. Integendeel, het is gedrenkt in een concrete zinnelijkheid die uitmondt in ontroerende beschrijvingen van de lucht en de zee, van zomerse warmte en vochtige kou, van de geuren en kleuren die de lichamen van oude en jonge mensen omgeven en prikkelen. De vertelde gebeurtenissen spelen zich af in Fabbrico, een onbenullig dorp in de Povlakte. De hoofdfiguren zijn een stel jongeren die hun leven proberen op gang te krijgen. Drie van hen, Davide, Valerio en Anela, zitten verwikkeld in een driehoeksverhouding. Allen dragen een onbestemd verleden mee dat hen op een duistere manier tekent en verleidt om zich in drank en drugs te verliezen.

Ze wisselen weinig woorden, want ze missen vaak het geschikte moment om iets ter sprake te brengen. Ze leven in gedeelde herinneringen, en komen gaandeweg tot het besef dat ze op elkaar aangewezen zijn. Ze leren dat liefde en genegenheid bestaan uit een weefsel van onvolkomenheden. Ze aanvaarden hoe absurd het is om iemand blijvend lief te hebben en ook tijdens de momenten van verraad en ontrouw in die liefde te volharden. De vraag naar welke maat de mensen hier op aarde gegeven is, krijgt zo een onrechtstreeks antwoord in een pakkend verhaal over menselijke tekortkomingen. ’s Mensen maat ligt in het vermogen om zich te verzoenen met wat eerst onherstelbaar en onverdraaglijk leek: ‘ze kijken elkaar aan, hun haren in de war door de wind, hun gezichten zo dicht bij elkaar dat ze, als ze zouden willen, op hun huid het moment zouden kunnen herkennen waarop ze elkaar zijn kwijtgeraakt’.

Roberto Camurri, De menselijke maat. De Bezige Bij, 2018, 220p.

Galicische wetten – Philippe Sands

Het internationaal recht heeft in de loop van de twintigste eeuw ingrijpende veranderingen ondergaan. Het strafrecht beschikt nu over de mogelijkheid om ‘misdaden tegen de mensheid’ te vervolgen en staten te beschuldigen van ‘genocide’. Dat is een van de verwezenlijkingen van het Neurenberg-proces, dat vlak na de Tweede Wereldoorlog door de Geallieerden gehouden werd met de bedoeling om de door nazi-Duitsland gepleegde misdaden, zoals de in de concentratiekampen gepleegde volkerenmoord, te veroordelen. Hoe dat proces met de nieuwe strafrechtelijke omschrijvingen tot stand gekomen is, vertelt Philippe Sands in Galicische wetten.

Het verhaal begint in de stad die nu in het westen van Oekraïne ligt en Lviv heet, maar in het begin van de twintigste eeuw aan de oostelijke grens van de Dubbelmonarchie Oostenrijk-Hongarije lag, in het landsdeel Galicië, en toen bekend stond als Lemberg, en tussen de twee oorlogen in nu eens deel uitmaakte van Polen, dan weer van Rusland, en respectievelijk Lvov dan wel Lwow genoemd werd.

Vier mannen spelen de hoofdrol in dit boek, een Duitser en drie Joden. Om te beginnen: Hans Frank, aanvankelijk juridisch adviseur van de Führer. Later na de inval van Duitsland in Polen werd hij de ongekroonde koning van de door Duitsland bezette gebieden in het oosten, het Generaal-Gouvernement. In die functie verleende hij zijn volle medewerking aan de Endlösung. Vervolgens Hersch Lauterpacht en Rafael Lemkin. Beiden studeerden in de jaren twintig aan de rechtsfaculteit van de universiteit van Lemberg/Lvov. Onafhankelijk van elkaar bekritiseerden ze het internationaal recht, dat vooral op het soevereiniteitsbeginsel stoelde. Lauterpacht ontwikkelde de gedachte dat er ‘misdaden tegen de mensheid’ bestaan en Lemkin kwam tot de strafrechtelijke formulering van het delict ‘genocide’. De vierde man, ten slotte, is de grootvader van de auteur, Leon Buchholz, die in Lemberg geboren werd en door een administratieve fout aan de shoah ontsnapte.

De auteur zelf, Philippe Sands, doceert Internationaal Recht aan University College London. Terwijl hij met zijn boek in de vergeten geschiedenis van Galicië graaft, stelt hij de verloren gegane stamboom van zijn familie langs moederskant samen. Hij herinnert aan de vele mensen, vaak uit zijn eigen familie, die vermist zijn, verdwenen, in rook opgegaan. Hij brengt een reflectie over politiek en recht op gang, maar ook over verantwoordelijkheid en schuld. Hij bewondert en rouwt, hij treurt en mijmert, huilt en lacht. Zoals velen onder ons, zoekt hij naar verzoening met wat is geweest.

Philippe Sands, Galicische wetten. Spectrum, 2018, 512p.

Austerlitz — W.G. Sebald

Het mooiste proza vind je bij de Duitse schrijver W.G. Sebald. In lang uitgesponnen, harmonieus opgebouwde, door nostalgie gedragen zinnen vertelt hij hoe pijn en verlies een spoor trekken door de levens van mensen en ze vervreemd achterlaten. Ontworteld en ontheemd is Jacques Austerlitz, met wie de ik-figuur uit de roman Austerlitz een gesprek begint in de wachtzaal van het Centraal Station van Antwerpen, die heel betekenisvol omschreven wordt als la salle des pas perdus. Ondanks zijn verbluffende kennis die zo uiteenlopende domeinen als architectuurgeschiedenis, het leven van motten en de veldslagen van Napoleon bestrijkt, voelt Austerlitz zich overal een vreemdeling. Mettertijd komt hij tot de ontdekking dat hij weliswaar als Daffyd Elias in een streng calvinistisch gezin in Wales is opgegroeid, maar in feite voor de oorlog in Praag is geboren als zoon van Joodse ouders. Stilaan daagt bij hem een klein vermoeden van wie hij is: waarom hij zo maniakaal geïnteresseerd is in de ontwikkeling van het spoorwegennet in Europa, waarom hij na zijn kindertijd in Wales tijdens een studieverblijf in Parijs heel vlot de Franse taal oppikt of waarom hij bij voorkeur vertoeft op die plaatsen in de wereld, zoals Theresienstadt, waar de vergetelheid heerst.

Het drama van Austerlitz is niet alleen dat hij radicaal van zijn verleden is afgesneden, maar vooral dat hij de kloof met zijn verloren verleden nooit meer kan dichten. Wat hem rest, zijn enkel herinneringssporen, zoals de aantrekkingskracht die van negentiende-eeuwse stations uitgaat. In het oeuvre van Sebald staat Austerlitz symbool voor de duisternis die de wereld omvat en voor de melancholische gedachte ‘hoe weinig wij kunnen vasthouden, wat er allemaal voortdurend in vergetelheid raakt, met elk uitgedoofd leven, hoe de wereld zich als het ware vanzelf leegmaakt doordat de verhalen die kleven aan de talloze plaatsen en voorwerpen die zelf geen vermogen tot herinnering hebben, nooit door iemand worden gehoord of opgetekend…’

 

W.G. Sebald, Austerlitz. (Vert. Ria van Hengel.) De Bezige Bij, 2003, 333p.