LATEN WE DENKEN

Onmiddellijk na de nederlaag van nazi-Duitsland begon Karl Jaspers aan de universiteit van Heidelberg een reeks colleges over de schuldvraag. In hoeverre waren de Duitsers collectief verantwoordelijk voor de Tweede Wereldoorlog? In zijn antwoord op die moeilijke vraag verwoordt Jaspers enkele gedachten die ons ook vandaag nog ter harte gaan.

‘We moeten de bereidheid tot nadenken herstellen. Het is zo makkelijk op basis van emoties stellige oordelen te vellen; het is moeilijk je iets rustig voor de geest te halen. Het is makkelijk met onverzettelijke standpunten de communicatie af te breken; het is moeilijk onophoudelijk voorbij beweringen door te dringen tot de grond van de waarheid. Het is makkelijk een mening te huldigen en daaraan vast te houden, om jezelf van verder nadenken te ontslaan; het is moeilijk stap voor stap vooruit te komen en nooit iemand ervan te weerhouden verder te vragen.

Maar vervolgens geldt ook omgekeerd: het is makkelijk over alles vrijblijvend na te denken en nooit te kiezen. Het is makkelijk met mooie praatjes te komen en voor de verantwoordelijkheid weg te lopen; het is moeilijk aan een eenmaal genomen besluit, zonder halsstarrigheid, vast te houden.

Succes lijkt iemand gelijk te geven. Wie boven komt drijven, denkt dat hij de waarheid in pacht heeft. Daarin schuilt de diepe onrechtvaardigheid van de blindheid voor de schipbreukelingen, voor de machtelozen, voor degenen die door de gebeurtenissen worden vertrapt.

Wat we gemeen hebben, is een gebrek aan gemeenschappelijkheid.’

(Karl Jaspers, De schuldvraag. Boom, 2022.)

JORIS

Onze overbuurman Joris is op zesenzestigjarige leeftijd overleden. Mij zal altijd bijblijven hoe hij het afgelopen jaar de fatale diagnose een plaats trachtte te geven. De beheerste waardigheid van dat streven contrasteerde met de ontsteltenis die zich van hem meester gemaakt had, toen hij enkele jaren geleden vernam dat zijn kleinzoon aan een levensgevaarlijke ziekte leed. Tijdens een wandeling waarin hij vluchtte voor wat onafwendbaar leek, vertelde hij met smekende stem: ‘Ik zou alles doen om het leven van dat manneke te redden.’

Joris is niet meer, zijn kleinzoon herstelt. Schuilt er troost in het mythische denkbeeld dat er een kosmisch evenwicht bestaat en dat een grootvader zijn leven gegeven heeft in ruil voor het leven van zijn kleinzoon?

VREDE

Op 17 november 1942 hield Thomas Mann een voordracht in de Library of Congress in Washington D.C. Hij sprak er over zijn romantetralogie Jozef en zijn broers, waarvan het laatste en vierde deel in 1943 zou verschijnen. In deze  hervertelling van enkele fragmenten uit Genesis poogt Mann na te denken over de wortels van de Joodse cultuur: hij onttrekt die aan de totalitaire mythologie waarmee het Hitler-regime zijn mensbeeld van Übermensch en Untermensch legitimeerde. Manns woorden weerklinken in de helse nacht van de Tweede Wereldoorlog: de slag om Stalingrad woedt in alle meedogenloosheid, enkele maanden voordien is in Wannsee de beslissing genomen om het Joodse volk uit te roeien.

Mann eindigt zijn toespraak met de boude stelling dat ‘het woord “vrede” altijd een religieuze bijklank heeft’. Is dat de reden waarom oorlogen in deze hopeloos seculiere tijd zo lang aanslepen? Missen we de religieuze deugden van deemoed en ootmoed om een vredesverdrag te sluiten? De gelatenheid en bescheidenheid om vrede, hoe wankel ook, te redden? Blijft vrede uit, omdat we de fijnzinnigheid verloren hebben om in de wereld nog een glimp van heiligheid te (h)erkennen?

NOMEN EST OMEN

Infans/enfant zijn in het Latijn en het Frans de woorden voor een kind dat niet spreekt. Die woorden geven te kennen dat in het leven van een klein kind iets ingrijpends gebeurt zodra het woordjes begint te zeggen. Ouders en grootouders wachten erop: wat zal zijn eerste woordje zijn, mama of papa?

Auto was een van de eerste woordjes van onze lieveling. Samen met fiets is het een van de weinige woordjes die hij correct uitspreekt. Dagelijks komen er nieuwe woordjes bij: appo, momaat, sjoep, soko… vlietui, tein… poes, koe, wafwaf…

Zijn lievelingswoord is tietaa(r). In het grote boek met getekende voorwerpen zoeft hij vliegensvlug naar de bladzijde met muziekinstrumenten. Hij wijst en roept tietaa(r). De andere snaarinstrumenten, viool, cello en banjo, krijgen nauwelijks aandacht. Waarom ook? Ze zien eruit als een mislukte tietaa(r).

Zelf heb ik ook een nieuwe naam gekregen: opakik. Zelden heb ik mij zo gewillig met mijn nomen en omen verzoend.

MAARTSE ODE

Waar reikt hij naar, de pruimelaar, nu hij zijn bloesems aanbiedt, als had hij korven vol stokbrood op zijn schouders

Waar doelt hij op, de tulpenboom, nu hij vurige tongen ontsteekt, als wou hij spreken met duizenden lippen

Waar droomt hij van, de japanse kerselaar, nu hij zich tooit in rozerood, als was het leven een chanson

Waar lacht hij om, de forsythia, nu hij klokje na klokje vrijgeeft, als droeg hij de zon op handen

VRIJHEID

Vrijheid, aldus Hannah Arendt, is de zin van politiek. Mensen willen vrij zijn, dat wil zeggen: ze willen niet onderdrukt worden of overheerst. Die vrijheidsdrang zou ten grondslag liggen aan het politieke avontuur dat vanaf de achtste eeuw voor onze jaartelling in de Griekse wereld begonnen is. Daarom werd de tirannie afgeschaft, de alleenheerschappij, en pochten de Atheners dat er in hun stad geen onderdanen waren, noch heersers.

Zien we dat aloude verlangen terug in Oekraïne? De weigering om zich te onderwerpen, het hardnekkig verzet: ze worden in eendracht geboren, waarna ze die eendracht nog versterken. Want vrijheid beleef je niet op je eentje, maar deel je met anderen. Vrijheid en vriendschap horen samen.

Dit weerlegt de stelling van de Stoïcijnse slaaf Epictetus, die de vrijheid een plaats gaf in het innerlijk van de mens: zelfs een slaaf kan vrij zijn, want zijn gedachten zijn vrij. Oekraïners weten beter: vrijheid ervaar je niet in eenzaamheid, want vrijheid verenigt je met anderen. Vrijheid is een gezamenlijk ondernomen opgave die zich afspeelt in de wereld.

Hoeveel wereld mag verwoest worden om de vrijheid te redden? Hoeveel wereld mag verwoest worden vooraleer de vrijheid mee tenondergaat?

NIKE IN OEKRAÏNE

Mogen we dromen van een heruitgave van wat zich tussen Griekenland en Perzië heeft afgespeeld in de vijfde eeuw voor onze jaarrekening?

De oorlogen tussen enerzijds het grote Perzische rijk en anderzijds de verenigde Griekse stadsstaten zijn verbonden met plaatsnamen die nog altijd tot de verbeelding spreken. De eerste oorlog werd beslecht bij Marathon, waarna een ijlbode – volgens sommigen Phidippides geheten – in één ruk naar Athene liep, er uitschreeuwde ‘wij hebben gezegevierd’ / ‘nenikêkamen’, en dood neerviel. De tweede oorlog kende als heroïsch hoogtepunt de slag bij Thermopylae: enkele honderden Spartaanse hoplieten onder leiding van Leonidas probeerden bij een nauwe bergpas de opmars van het gigantische leger uit Perzië te stoppen. Tevergeefs – Leonidas en de zijnen sneuvelden, maar gaven de rest van het Griekse leger de tijd om zich te hergroeperen en het Perzische leger uiteindelijk te verslaan. De Griekse geschiedschrijver Herodotus heeft het over honderdduizenden Perzische soldaten. We kennen de exacte cijfers niet, maar vaststaat dat het Perzische leger veel groter was dan het Griekse. Historici zijn het erover eens dat de Grieken triomfeerden omdat ze als vrije mannen vochten tegen een leger van slaven: de Griekse democratie overwon het Perzische despotisme.

Mogen we dromen? Dat gekrenkte manhaftigheid het ook in onze tijd van kille berekening en technologie haalt. Dat moedige verontwaardiging opgewassen is tegen de terreur van totalitair kwaad. Dat offervaardigheid nog altijd zinvol is.

Mogen we dromen…

TWEE LAMMETJES

Dertig januari. Wolfsmaand. Bij een wandeling in het Hageland komen we langs een wei, waarin twee lammetjes dartelen. Piepjong zijn ze: ze wijken geen duimbreed van moeder schaap en huppelen ook nog terwijl ze aan de uier zuigen. Ontroerd sta ik te kijken naar dit vroege leven, dat ver voor het einde van de winter het nieuwe voorjaar aankondigt. En ik vraag mij af waar het jonge leven de ongerijmde vrijheid vindt om zo onnoemelijk breekbaar en tegelijk zo tomeloos speels en kwiek te zijn. Vanwaar komt deze frêle, maar onstuitbare kracht om zo het leven te omarmen en te beamen? Schuilt in dit ja aan het leven het meest aanvankelijke, het allerbeginnendste begin dat al vele miljoenen jaren al het bestaande stuwt? Hoe ver in de tijd gaat dit terug?