JEF

Op een week tijd heeft hij zijn moeder verloren en is hij grootvader geworden. En plots zie ik een andere man, niet uitsluitend de leider die sociaal onrecht bestrijdt, de belhamel die zijn tafelgenoten uitdaagt, maar een zoon die beseft hoeveel zijn moeder voor hem betekend heeft en een stamvader die zijn nageslacht omarmt.

Hoe de gewone gang van het leven ons boetseert. De dood van onze ouders, de geboorte van een kind of kleinkind – ze liggen in de lijn van de verwachtingen en toch tekenen ze ons ten diepste: hoe we kijken en praten, hoe we luisteren en lachen, hoe we aandacht besteden.

TIERELIEREN

Tijdens een wandeling in het bucolische Maarkedal worden we vergast op de jubelzang van de leeuwerik. Tientallen meters hoog hangt hij, nagenoeg recht boven ons hoofd, en zijn lied juicht minutenlang door het landschap. Terwijl ik bijna applaudisseer voor zijn virtuoos kwinkeleren, vraag ik mij af waarom hij dit doet. Het standaardantwoord uit de biologie dat hij indruk wil maken op een wijfje om zich voort te planten, zint mij niet. Ik durf te geloven dat zijn gedrag niet gedreven wordt door de drang om het behoud van de soort te verzekeren, maar getuigt van onnoemelijk veel plezier: hij houdt hiervan, hij vindt er lol in uitbundig te zingen en de hoogte op te zoeken. Een leeuwerik is een speelvogel die graag op de zwier gaat en dit uitgelaten verkondigt, een flierefluiter die graag de bloemetjes buitenzet en zich op zijn eentje amuseert. Of is hij misschien een zanger van het groene veld die niets liever doet dan gratis optreden? Terwijl ik dit sta te overpeinzen, blijft hij onafgebroken concerteren. Eén ding weet ik wel: er is geen beter woord om zijn gezang te benoemen dan het Nederlandse tierelieren.  

MARC

Marc: zo heet het boekje. Het heeft de grootte van een postkaart en is enkele millimeters dun. Een klein hebbedingetje (van 2 euro). Het bevat de tekst van het gedicht ‘Marc groet ’s morgens de dingen’ van Paul van Ostaijen. Op de linkerbladzijde staat een regel van het gedicht, op de rechter- een aandoenlijke tekening van Paul Verrept ter illustratie: het ventje op de fiets, het stukje brood op de tafel, visserke-vis met de pijp… kinderlijk-naïef uitgebeeld. Op de achterflap staat een foto van de dichter met vilthoed.

Het geheel is een pretentieloos aandenken aan Van Ostaijen, een bescheiden hulde aan de dichter die na de catastrofe van de Eerste Wereldoorlog op zoek gaat naar een nieuw verbond tussen de woorden en de dingen. Hij legt de drang om de dingen ten nutte te maken af en treedt ze tegemoet als een kind. Hij groet de dingen, heet ze welkom, geeft ze een naam en een aanwezigheid. De dag kan beginnen.

(Het boekje is een uitgave van PoëzieCentrum in Gent.)

APRILSE GRILLEN

Als de lentewarmte brutaal gebroken wordt door gure noordenwind, als een striemende hagelbui de bloesems van de Japanse kerselaar geselt, als fruitbloesems sneuvelen in de onverwachte vrieskou… word ik meegesleurd naar het lagedrukgebied van de depressie. Hoewel die weersgrillen tot het verwachtingspatroon van april behoren, word ik er elk jaar opnieuw door onderuitgehaald. Want terwijl de eerste zon mij gisteren nog naar buiten riep, word ik nu binnenskamers verbannen – waar zich evenwel niet de behaaglijkheid van lange winteravonden uitstrekt. Huiverend kijk ik door het venster naar de zwiepende sneeuw, de bibberende narcissen en de vergeefs naar beschutting zoekende spreeuwen. En kan slechts met de dichter herhalen: April is the cruellest month.

EBBING, MISSOURI

Het verlangen naar gerechtigheid kan iemand volledig in beslag nemen. Dat is het geval met Mildred Hayes (in de film Three Billboards outside Ebbing, Missouri): haar dochter is op een brutale manier vermoord en na zeven maanden heeft het gerechtelijk onderzoek geen enkel resultaat opgeleverd. De politieagenten verlummelen hun tijd: het vergt sowieso minder moeite om strips te lezen, een kleurling af te tuigen of straatjochies het leven zuur te maken. Daarom huurt Mildred Hayes drie grote reclamepanelen en laat daarop de tekst plaatsen: Raped while dying / And still no arrests / How come, Chief Willoughby? Ze weet dat ze op weinig sympathie zal kunnen rekenen, al was het maar omdat de goegemeente liever niets te maken heeft met lastpakken. Het kan haar geen zier schelen dat sheriff William Willoughby aan kanker lijdt en terminaal is. De sheriff probeert haar uit te leggen dat ze de zaak wel onderzocht hebben, maar dat dit onderzoek, ondanks het gebruik van DNA-materiaal, op een dood spoor zit. Zij voelt zich gerechtigd: er is in haar leven maar één ding dat nog belang heeft. Ze laat zich door niemand de les spellen; dat haar tienerzoon uitgesloten wordt, neemt ze er op de koop toe bij. Uiteindelijk jaagt ze zichzelf zo op dat ze het politiebureau met molotovcocktails in brand steekt. Ze wordt tot bezinning gebracht door een terloopse opmerking: ‘Woede verwekt alleen maar meer woede’. Als ze enkele dagen later vertrekt om de mogelijke verkrachter te confronteren, vraagt ze zich af wat ze zal doen als ze hem vindt.

Het embleem van justitie is een weegschaal: niet de overgave aan het absolute sticht gerechtigheid, maar de bekwaamheid om betrekkelijke dingen te vergelijken en af te wegen. Woede is te gefixeerd op het verleden; gerechtigheid die een herstel van de orde nastreeft, kent het verleden, maar houdt de blik op de toekomst gericht. Daarom slaagt gerechtigheid er soms in om de weegschaal van de tijd in evenwicht te brengen. Woede vindt die maat nooit.

BIJ EEN PRUIMELAAR

‘Het schone van natuur passeert toch alle kunst’, dichtte Bredero ongeveer vierhonderd jaar geleden. Ik word aan het vers herinnerd door de tak van een pruimelaar die mijn vrouw afgeknipt heeft en in een vaas gezet. De tak is beginnen bloeien: op het oude, kromme hout is bloesem verschenen, tere witte blaadjes in een groene knop versierd met piepkleine gele meeldraadjes.

Vanop afstand doet het veelkleurige stilleven aan een schilderij van Van Gogh denken. Maar ik weet niet of ik het eens ben met Bredero: wordt het schone in de kunst overtroffen door natuurlijke schoonheid? Of helpt kunst ons om het schone van de natuur te zien? Door de lentebloesem van Van Gogh die op zijn doek enkele bloeiende takken inkadert, zien we wat voor een kunstenaar de natuur wel is; door de luchten van Turner zien we het penseel van de zon dat op de wolken fijne kleurlijntjes achterlaat; door de schilderijen van Monet kijk je anders naar de waterlelies, naar de kleuren die ze werpen op het water waarin de wilgen weerspiegeld staan.

Bestaat kunst uit de nabootsing van de natuur? Of is kunst de uitgelezen manier waarop de schoonheid van de natuur in de openbaarheid treedt? 

DE POSTHOORN

Mijn ouderlijk huis in Aalst stond in de Posthoornstraat. In mijn jeugd vond ik het bijzonder telkens ik op een formulier mijn adres moest invullen: Posthoornstraat, 77. Ik ontdekte dat je in vele steden en gemeenten een Kerkstraat hebt en een Stationsstraat of een Schoolstraat. Dat de straat waar ik woonde, naar de posthoorn genoemd was, leek op iets speciaals te duiden.

Als je vanuit het centrum van Aalst onze straat inkwam, zag je rechts op de hoek een café met de naam De Posthoorn. Op de ruiten stond heel voorspelbaar, maar heel toepasselijk een posthoorn afgebeeld, gelijkend op het embleem dat jarenlang door de Belgische Post, maar ook door buitenlandse postdiensten is gebruikt.

De activiteiten van de post kregen mijn volle aandacht. Postkaarten kiezen en schrijven werd een van mijn favoriete bezigheden – met als hoogtepunt: een pennenvriendin in Zweden. In mijn fantasie werd de hele westerse beschaving een immens postbedrijf. Al wat die beschaving sinds Homerus op de post gedaan heeft, wordt mij bezorgd – de overgeleverde verzameling van poëtische, filosofische en romaneske epistels.

En nu post ik al vijf jaar stukjes uit een gefictionaliseerd dagboek. Zoals bikes en commerce, zijn ze e, maar wie goed luistert, hoort de posthoorn – in de vele toonaarden van hoop. Want waar post circuleert, is er – hoe moeilijk ook – uitwisseling van gedachten en gevoelens.

Ja, mijn leven is door de posthoorn gestempeld. Nog altijd snel ik naar buiten, zodra ik de postbode heb zien of horen passeren.

FEBRUARIE

De terugkeer van de lente gebeurt elk jaar opnieuw onverhoeds. De lucht nijpt niet langer je longen dicht, maar gunt je de vrijheid van het ademen. Een bries vaart over het land, zo vol als het gelaat van een boerenjongen die in een mondharmonica blaast, aldus Paul van Ostaijen in het gedicht ‘Februarie’. De bomen herademen, geen enkele vertoont groen, en toch is geen enkele nog winterdood. Onzichtbaar nestelt een eerste huiver zich in het gewas en blaast een hunkering in al wat leeft. Het reikhalzen begint, een nauwelijks hoorbaar ‘ja’ komt voorzichtig, maar onstuitbaar in beweging.

OTIS

Het liefste wat er bestaat, hebben we dit weekend op bezoek gehad.

Dat hij ’s morgens om half vijf wakker wordt, met een volle pamper en de tirannieke eis om asap te drinken vergoelijkt hij, zoals hij alleen dat kan: met de allerinnemendste glimlach, onweerstaanbaar vriendelijke oogjes, en knorgeluidjes tijdens het drinken. Zijn andere troeven houdt hij voor overdag: nimmer verslappende aandacht voor het kleinste, een prop verfrommeld papier, de knoop van mijn hemd, mijn neus (tja), uitbundig gekraai en gefrazel, waarmee hij zich tot zijn favoriete gesprekspartner wendt, zijn tutter, die hij uit zijn mond neemt om hem er weer in te stoppen.

Om zoveel overvloed te delen zijn wij, grootouders, met z’n vijven…

Gelukkig…

GEDICHTENDAG 2021

Moeder

Zijzelf was als de zee, maar zonder stormen.

Even blootshoofds en met een brede voet.

Rijzend en dalend op haar vloed,

als kleine vogels op haar schoot gezeten,

konden wij lange tijd haarzelf vergeten,

rustend en rondziend en behoed.

Haar stem was donker en wat hees

als schoven schelpjes langs elkander,

haar hand was warm en stroef als zand.

En altijd droeg zij om haar bruine hals

dezelfde ketting met een ronde maansteen,

waar in neevlig blauw een kleine gele maan scheen.

Voorgoed doordrongen door haar kalm geruis

waren wij steeds op reis en altijd thuis.

M. Vasalis, Vergezichten en gezichten (1954)